zondag 27 december 2015

Hoop is een krachtbron die het altijd doet

Kerst voorbij, Oud&Nieuw in aantocht. Of ik nog goede voornemens heb, vraagt iemand. Ja, ik was eigenlijk van plan een stukje dat ik drie jaar geleden voor HP/De Tijd schreef nog eens op deze plek te posten. Toen betoogde ik dat je je maar het beste kunt voornemen je niets voor te nemen omdat de toekomst toch zijn eigen plan trekt. Maar nu ik dat stukje herlees, doemt er toch een nuance op.

Als je iets grilligs onder de leden hebt, wordt je dag van morgen ook onberekenbaar. Voor gezonde mensen heeft de toekomst iets vanzelfsprekends. Het is de ruimte van je plannen, je hoop en je nieuwe kansen: een rijk zonder grenzen waar altijd de zon schijnt. Straks, volgend jaar, later, ooit, als ik meer tijd heb, als de hypotheek is afbetaald, dán ga ik veel reizen / leer ik beeldhouwen in marmer / zet ik me in voor Natuurmonumenten.

Een stille voorwaarde voor zulke dromen is dat je er vitaal genoeg voor bent en naar het zich laat aanzien zult blijven. Met een wankele gezondheid wordt de toekomst echter twijfelachtiger. Is zo’n verre reis of zo’n groot project nog wel haalbaar? Liggen er in dat Land van Straks niet allerlei frustraties en onmogelijkheden te wachten? Leef je dan eigenlijk nog wel?

Het is natuurlijk eigen aan de toekomst dat ze onzeker is, maar voor mensen met een moeilijk medisch dossier geldt dat in het kwadraat. Zelf heb ik de laatste jaren genoeg obstakels op mijn weg gekregen om te beseffen hoe ongewis het parcours van het leven is. Achter elke bocht kan een valkuil schuilen. Of een ravijn. En het mist er vaak.

Wie goede voornemens maakt, houdt zichzelf dus voor de gek. Zou je zeggen. Toch spreekt het me aan, tegen het einde van het jaar even stil te staan bij het verglijden van de tijd en de hoop die het nieuwe altijd biedt. Hoop heeft nog geen last van desillusies. Hoop wil het beste en het mooiste en het liefste. Hoop is een krachtbron die het altijd en eeuwig doet. Ik blijf dus maar eens flink hopen komend jaar. Toch nog een goed voornemen. Het enige.


zaterdag 19 december 2015

Kanker en de kunst van adaptatie

Weer eens zo’n zenuwenmoment: afspraak met de uroloog. Houdt mijn prostaatkanker zich nog steeds koest, of roert-ie zich opnieuw?

De diagnose ligt nu viereneenhalf jaar achter me. Een operatie en een hormoonbehandeling legden de tumor nagenoeg stil. Ik kon het afgelopen voorjaar zelfs een hormoonpauze inlassen. Daar was ik blij om, want ik vond het een naar goedje, die hormonen. Ze ondermijnen je energie, lust en gemoed: je persoonlijkheid.

Met de tijdelijke hormoonstop ebben die bijwerkingen weer weg. Zodat ik – een beetje tegen beter weten in – hoop op een goede uitslag van de jongste bloedmeting en verlenging van de hormoonpauze. Maar de uroloog schudt het hoofd: het PSA (het stofje dat tumoractiviteit aanwijst) blijkt flink gestegen. Ik moet dus opnieuw aan de kankerremmende rotzakken, zij het dat ik voorlopig met de lichtste vorm toe kan.

De hele avond vóór de controle was ik mismoedig. Het PSA zou wel weer gestegen zijn, hield ik mezelf voor, want een pauze is per definitie tijdelijk, ik voelde het spook van de kanker alweer in mijn nek hijgen. Maar nu de uroloog mijn vermoeden bevestigt, voel ik me toch eerder kalm dan terneergeslagen. Ja, ik vind het jammer. En akelig. De kanker, die stilaan iets abstracts had gekregen, is weer concreet as hell. Maar: het is niet anders, ik moet het ermee doen.

Toch vreemd, dat verschil tussen gisteren en vandaag. Zou getob over dreigende narigheid zwaarder zijn dan de narigheid zelf? Dat spoort met de oude wijsheid: ‘men lijdt nog het meest van het lijden dat men vreest’. Ik heb dat gezegde al vaak waarheid zien worden en toch helpt het in tobberige uren niet erg. Dreigend gevaar is eng omdat je niet weet hoe het zal uitpakken en je het ergste incalculeert. Zo’n gevaar laat zich niet relativeren. Wordt het gevaar echter realiteit, dan weet je waar je aan toe bent en kun je je op een reactie concentreren.


Men zegt vaak dat je tegenvallers moet zien te accepteren. Ik geloof dat het eerder aankomt op adaptatie: de kunst het onvoorziene in te passen in je leven of het leven aan te passen aan het onvoorziene. Als dat een beetje lukt, levert het zelfs bevrediging op. Maar mensenlief, het is een hele toer.

woensdag 16 december 2015

VN verandert, net als de lezer

Vrij Nederland wordt een maandblad. Het is onwezenlijk nieuws. VN vergezelde me al toen ik mijn eerste stukjes in het schoolblad schreef. Het was de journalistieke standaard tijdens mijn studie. Het was de belangrijkste concurrent toen ik later zelf bij een opinieblad ging werken. Een instituut dat zich maar lastig laat omdenken van weekblad tot maandblad. Zelfs voor een redacteur die zijn eigen opinieweekblad HP/De Tijd maandblad zag worden.

Boosdoener is net als bij HP/De Tijd de gekrompen lezersmarkt. Die is vooral gekrompen doordat de concurrerende dagbladen beter werden en de aanvullende werking van opiniebladen aan urgentie verloor. Ooit moest je bij VN of HP zijn voor het fijn geschreven verhaal, de onthullingen en de diepgravende interviews, maar gaandeweg lieten die zich meer en meer ook in de betere dagbladen vinden. Zo werd de opiniepers een luxesegment, en luxe sneuvelt het makkelijkst als er keuzes moeten worden gemaakt.

En die keuzes zijn onvermijdelijk in een nog steeds uitdijend aanbod van nieuwe en oude media. Het aantal uren dat we voor de televisie doorbrengen, groeit nog steeds; ook zitten we langer en langer achter een computer, tablet of smartphone. Als we niet naar het tv-scherm kijken, kijken we wel op het schermpje van de tablet of smartphone. Dan doel ik niet alleen op de zee van verstrooiing en de onuitputtelijke encyclopedie die internet biedt, maar ook op een nieuwe vorm van nieuws. Naast de reguliere journalistiek is in maar een paar jaar tijd een reusachtige privénieuwssector ontstaan, losjes en dynamisch georganiseerd in sociale netwerken, waar de hele dag door berichten, meningen en beelden van vrienden en bekenden worden uitgewisseld: een mix van informatie over ons-soort-mensen die onweerstaanbaar blijkt. Je vraagt je af hoe mensen nog tijd vinden voor de aloude krant, laat staan voor een opinieblad.

Het onwezenlijke van het nieuws over VN schuilt eigenlijk in onszelf. In de slag om de aandacht gunnen we liever extra tijd aan het concrete en nabije dan aan het abstracte en verre: liever aan de nieuwtjes van onze Facebookvrienden dan aan nog meer analyses en beschouwingen. De wereld is zo ingewikkeld dat we niet verlegen zitten om extra uitleggers, maar ons liever oriënteren op de overzichtelijke wereld om ons heen. In die zin wordt elke week VN wel wat veel van het goede. Eens per maand is een beter idee. Hoop ik voor de collega’s van VN én voor lezend Nederland.

zaterdag 12 december 2015

Wie the fuck is Kees?

Met een variatie op Louis van Gaal: ben ik nou zo dom of zijn jullie zo slim? De hele dag door hoor ik om me heen namen noemen die ik in de verste verte niet ken. Om Stapel van te worden, en dan bedoel ik niet Huub, want die ken ik nou toevallig wèl

Vandaag wist mijn echtgenote zeker dat een bepaalde persoon ‘van Lotje getikt’ was. Ik wou geen figuur slaan en vroeg niet door, maar had niet het flauwste vermoeden over wie ze het had – ik kende geen Lotje, zelfs geen Annelotje, Charlotje of Liselotje. En waarom had Lotje in godsnaam iemand getikt? Alsof de duvel ermee speelde, beweerde echtgenote even later dat Joost het mocht weten. Joost kende ik ook al niet. En wat was ‘het’, dat hij mocht weten? En waarom hij wel, maar ik niet? Ergerlijk allemaal.

Nu ik er bij stilstond, waren er wel meer zogenaamde bekenden die iedereen kon duiden behalve ik. Gisteren passeerden nog een brave Hendrik, slome Driek en houten Klaas. De namen zeiden me niks, al werd ik verondersteld er vertrouwd mee te zijn. Misschien waren het wel jongens van Jan de Wit en konden ze praten als Brugman.

Of neem gekke Henkie. Viel eveneens buiten mijn netwerk, maar dat vond ik toevallig best. Hetzelfde gold voor Jan Doedel. Dan had je nog Pietje Precies. Ik kende één Pietje, maar die was precies niet erg precies. Nieuwsgierig Aagje was al net zo dubieus: bestonden er buiten Pluk van de Petteflet eigenlijk wel Aagjes? En Magere Hein. Diens naam viel vaak, maar niemand had hem ooit in het echt gezien. Dat ging ook op voor zijn naamgenoot IJzeren Hein. Een andere mystery guest heette Joepie! Met uitroepteken, want wie zijn naam uitsprak, was altijd blij verrast. Geen idéé wie Joepie! was.

Zou ik bijna nog Dirk vergeten. Een wat volks gezegde wilde dat het vrouwelijk geslachtsdeel op Dirk sloeg. Wat had die dan misdaan? Ik kende slechts één Dirk en dat was een longarts en geen gynaecoloog.

Klaar is Kees, wou ik schrijven, maar daar had je het weer. Waarom moest iedereen het zo nodig weten als Kees klaarkwam? Als slome Driek zover was, alla, daar zou iedereen wel van opkijken, maar Kees? En trouwens: wie the fuck was Kees?

woensdag 9 december 2015

Die topleraar van toen

Ik las ergens het woord ‘geschiedenis’ en een associatie raasde als een pijl door mijn eigen geschiedenis heen om trillend te blijven steken in een gymnasiumklasvan het Thomascollege in Venlo, ergens halverwege de jaren zestig, tijdens een geschiedenisles.

Voor de klas stond een eigenaardige man, lang van snit, dun als een lat, kaal, houterig en uitgerust met een uitzonderlijk hoge stem, een combinatie van kenmerken die hem de niet helemaal logische bijnaam de Mummie had opgeleverd. Iedere andere bonenstaak met een castratenstem had het moeilijk gehad voor een klas vol spotgrage pubers, maar niet de Mummie. Als hij begon aan een historisch exposé, had hij die dertig jongens binnen de kortste keren in zijn ban. In een mum, zogezegd – wellicht kwam die bijnaam daar wel vandaan.

Op een zomerse dag begon hij de les eens met het sluiten van de gordijnen. Tegen de zon, dachten we, maar de Mummie kondigde aan dat hij het over de liefde ging hebben en dat daar een romantische sfeer bij hoorde. Nadat hij ook nog een kaars had aangestoken, begon hij te vertellen over de Romeinse keizers en hun amoureuze avonturen en hoe hartstocht de geschiedenis had beïnvloed, en hij deed dat zo gloedvol dat we aan zijn lippen hingen en het jammer vonden toen de les alweer voorbij was.

Een andere keer nam hij de klas mee naar buiten, waar hij ons in een halve kring om hem heen op een plantsoen groepeerde. Nu wilde hij het over de oude Grieken hebben, en dan leek ‘t hem gepast les te geven zoals dat in het antieke Hellas ook de gewoonte was geweest. Vanachter de ramen van belendende klaslokalen keken andere scholieren en docenten verbaasd naar het klassieke tafereel van de leraar en zijn pupillen in het gras. En wij vergaten onze balorigheid en luisterden naar fantastische verhalen over Zeus, Apollo en Afrodite.

Laatst ontmoette ik een goede vriend uit die tijd, nadien de wijde wereld ingetrokken om pas na een jaar of veertig weer te keren. We waren benieuwder hoe het ons sindsdien was vergaan, dan dat we herinneringen wilden ophalen, maar één figuur uit die jonge jaren moest toch weer even in de schijnwerper: de Mummie. Mijn vriend had aan hem een blijvende fascinatie voor de historie overgehouden, ik een permanente waardering voor goede vertellers. Getweeën stelden we vast dat elke leerling gedurende zijn schooltijd minstens één topleraar zou moeten hebben als de Mummie, de geschiedenisleraar die zelf een stukje geschiedenis was geworden.


zaterdag 5 december 2015

Gracieus gehandicapt

Elfie Tromp. Ik ken haar niet, ze moet schrijfster en theatermaakster zijn. In de VPRO-gids wordt ze geïnterviewd ik blijf aan één woord haken: gracieus. Lang niet meer gelezen, dat woord. Het bevalt me, het roept iets op van aangename chic en savoir vivre. Gracieus komt af van gratie, dat in Van Dale wordt omschreven als ‘bekoorlijke zwier in beweging, houding en manieren’, of ‘aantrekkelijkheid door innerlijk of uiterlijk schoon’. Heerlijk allemaal.

Het woord past ook goed bij Elfie zelf, die bekoorlijk op de foto staat en ook oog heeft voor innerlijk schoon. Ze houdt bijvoorbeeld niet van knorrigheid, maar zoekt liever naar inspiratie, zelfs als het om lelijkheid en narigheid gaat. Daar heeft onze tijd het moeilijk mee, denkt ze. We zijn in de ban van succes en maakbaarheid, ‘maar wat ons niet wordt geleerd is hoe je gracieus omgaat met mislukking of beperking’.

Bekoorlijk beperkt? Gracieus gehandicapt?

Het is even ongebruikelijk als mooi om het in één adem te hebben over gratie en mislukking. De tegenvallers in het leven met zwier te bejegenen, is wel een gedachte om voor warm te lopen. Het zou donkere momenten lichter maken en lasten minder drukkend. Wie bij verlies het hoofd geheven houdt, zal zich beter voelen dan de verliezer die gebukt gaat onder zijn leed of chagrijn.

Maar ja, hoe doe je dat, dansen met de decepties, zwieren met de zwaarte? Het wordt ons niet geleerd, zegt Elfie Tromp, maar ik vraag me af of er wel leraren te vinden zijn voor deze tak van sport. Het gaat in feite over levenskunst, en dat lijkt me een vaardigheid die je met vallen en opstaan moet zien te verwerven en die je niet kunt afhalen bij goeroes of wijsgeren.

Niettemin lacht het me toe, dit idee van gratie in tijden van tegenspoed. Ik denk aan de gratiën van Rubens en Botticelli, godendochters uit de mythologie. Als ik ze opzoek, vind ik hun namen: Aglaja, Euphrosyne en Thalia, die respectievelijk de schoonheid, de vreugde en het geluk symboliseren. Dat zijn wel fijne muzen voor de struikelaars en gebrekkigen onder ons. Dansend de donkere dagen door: ik ga meteen oefenen.

donderdag 26 november 2015

De laatste show van Armand

De laatste show van Armand: dat was de titel die de publieke herdenking van Armand had gekregen. En een show wás het, vandaag rond het middaguur in het Eindhovense poppodium de Effenaar.

De grote zaal was stampvol, de laatkomers moesten het doen met een plek op de toegangstrap. Een open kist met het stoffelijk overschot van de betreurde zanger stond vóór en later op het podium, omgeven door de bloemen die zijn fans hadden meegebracht. Aan weerszijden lichtten steeds weer beelden uit Armands niet al te lange leven op.

The Kik, die onlangs nog een CD met Armand had gemaakt, bewonderaar Lucky Fonz III, en zijn oude vrienden Hans Naaijkens en Bertus Borgers zongen enkele van zijn bekendste nummers, waarna Borgers zijn mondharmonica in de kist legde; ‘Voor jou, Manus, misschien kun je ‘m nog gebruiken.'Hippieschrijver Hans Plomp sprak een passend afscheidswoord (‘en doe daar in de vijfde dimensie de groeten aan onze vriend Simon Vinkenoog’). Vooraan in de zaal kringelde geurige rook uit een aantal joints. Armands grootste hit Ben ik te min werd weemoedig meegezongen en toen klonk voor de laatste keer applaus voor de troubadour. Een, indrukwekkend, minuten durend applaus.


Toen het publiek naar buiten stroomde, stonden daar een paar kleurrijk uitgedoste vrienden uit Ruigoord klaar met een witte ballon waaraan een reuzejoint was vastgemaakt. De vlam ging in het genotmiddel en toen steeg de joint hemelwaarts, met een mooie sliert witte nevel erachteraan. Alsof Armand alsnog zijn laatste wolk uitblies. De omstanders waren het eens: het was een passend laatste eerbetoon. Want als er iémand niet te min was geweest, dan was het Manus wel.



dinsdag 24 november 2015

Je houdt meer over dan je kwijtraakt

 
Het zijn indrukwekkende cijfers. Nederland telt ruim vijf miljoen chronisch zieken. En van die vijf miljoen lijden er zelfs twee miljoen aan meer dan één aanhoudende kwaal. Dat blijkt uit het Nationaal Kompas Volksgezondheid.

De getallen hebben betrekking op 28 chronische ziekten. Wat niet is gemeten, is het vaste bijverschijnsel ervan, eigenlijk een chronische aandoening op zichzelf, namelijk de psychische impact van al die fysieke last. Als het lichaam gedurig in het ongerede is geraakt, kunnen mensen daar neerslachtig, verongelijkt, verdrietig of verward van worden.

Chronisch ziek worden betekent verlies. Of je nu wordt gehavend door een amputatie, hersenuitval, spierzwakte, longfalen, anarchistische zenuwen of onverklaarbare vermoeidheid, steeds is het gevolg dat mogelijkheden plaatsmaken voor beperkingen. Je kunt niet meer wat je kon. Dat zorgt voor een frustratie die zich niet laat ontkennen of relativeren, een gevoel van rouw omdat er iets dierbaars is verloren.

Je zou verwachten dat psychologen en andere zielzorgers het razend druk hebben met mensen die gebukt gaan onder hun geestelijke ziektelast, maar dat lijkt niet aan de orde. Het lijkt erop dat de meeste patiënten er mee weten te leven. Zelf weet ik ook van wanten als het over sukkelen gaat en verbaas ik me wel eens dat ik er niet vaker door in mineur ben. Ik denk dat het verlies aan mogelijkheden niet opweegt tegen wat er rest.

Al kunnen de benen niet meer dansen en rennen, ook in slow motion blijft het leven de moeite waard. De zintuigen doen extra hun best en laven zich aan wat er maar aan moois te genieten valt: een ijle pianosonate, de blik van een kind, de kus van een dierbare, de smaak van een amuse, de diepte van een vergezicht, de geuren van de herfst, de eerste lentebloesems, de belijning van een gebouw, de kleuren van een schilderij, de romantiek van de schemering. Ook staan handicaps goede gesprekken niet in de weg, noch warme gevoelens, dromen, plezier, ontroering en verrukkingen.

Je houdt meestal meer over dan je kwijtraakt Toch troostend.



zaterdag 21 november 2015

Tsjie, tzziii, tit tit tit

NPO1 bood gisteravond een heerlijke documentaire over de ijsvogel, de kleine kleurige kampioen visjesvangen, die in Nederland dreigde uit te sterven, maar met het schoner worden van het water zich weer wat vaker laat zien. De beelden van het snelle, slimme, sierlijke prachtige vogeltje deden me denken aan Hans Waanders, een vroeg gestorven Bossche kunstenaar, in wiens nagelaten oeuvre de kingfisher een ereplaats inneemt.

Zijn werk werd aangekocht door onder andere het MoMA, de Tate Gallery en het Centre Pompidou, maar ik had er waarschijnlijk geen weet van gehad als Hans Waanders niet toevallig een kennis van me was geweest. In zijn atelier had hij me eens getrakteerd op een exposé over zijn fascinatie voor de ijsvogel, gelardeerd met kunstwerken die daaruit waren ontstaan. De bijzondere band was ontstaan op een herfstdag in 1982, toen hij het mooie diertje spotte bij een watertje in de buurt van ’s-Hertogenbosch. Thuis sloeg hij er een vogelgids op na en noteerde allerlei wetenswaardigheden, die zijn nieuwsgierigheid aanwakkerden, zodat hij steeds meer bronnen ging raadplegen en een gestaag groeiend dossier aanlegde.

Al die (internationale) data ordende hij dan weer tot kunstzinnige verzamelingen, ondergebracht in kunstenaarsboeken. Zo noteerde hij hoe de roep van de ijsvogel in tachtig handboeken van ornithologen steeds anders werd weergegeven: het kon klinken als Tsjie tsjie, of Tzziii, of Zeeee sreeee, maar ook als Ziii zriii, of Tsjie kie, of Tit tit tit. Ook stuitte hij op een alfabet voor doofstommen, waarin met veertien handgebaren het begrip Martin Pescador (Spaans voor ijsvogel) werd uitgebeeld; hij maakte er een prentbriefkaart van. Voor Hans Waanders weerspiegelde zoiets het ideaal dat zich niet laat kennen ook al weet je er nóg zoveel vanaf.

De voortdurende pogingen het wezen van de ijsvogel te doorgronden hadden iets ritueels, iets bezwerends. Hij reisde bijvoorbeeld naar diverse landen waar de ijsvogel voorkomt om zichzelf daar te fotograferen in een T-shirt met als opdruk Alcedo atthis (Latijn  voor ijsvogel) en er stokken in het water te plaatsen om het diertje te helpen bij het duiken naar prooien. Ook bewerkte hij vogelgidsen door op alle foto’s een stempel van een ijsvogel te plaatsen en aldoende de hele avifauna te verijsvogelen. Het leek wel één grote exercitie om de eenzaamheid van de ijsvogel op te heffen.

Hans Waanders, die al heel lang last had van zijn nieren en zijn hart, stierf in 2001. Vijftien jaar later zou de terugkeer van de ijsvogel in het Nederlandse landschap op TV worden gevierd. Alsnog gefeliciteerd, Hans.


dinsdag 17 november 2015

Het grootste gelijk bestaat niet

Commentatoren in alle media raken maar niet uitgepraat over de aanslagen in Parijs. Zelf zoek ik al dagen naar woorden, maar ik vind ze niet – alles wat me te binnen schiet, lijkt obligaat of klinkt te hol of galmt juist te veel.

Misschien kan ik beter een zijpad nemen en afdwalen naar een onderwerp in de periferie van 13/11. Want het geweld van die dag vond zijn oorsprong in de radicale zekerheid die de daders er op nahielden, in hun vermeende grootste gelijk van de wereld, dat hun terreur ‘dus’ legitimeerde. Die zekerheid ontleenden zij aan hun particuliere uitleg van de islam. Maar door de geschiedenis heen hebben radicalen van allerlei slag uit de meest uiteenlopende bronnen geput voor hún grootste gelijk, van de Rote Armee Fraktion tot de Ku Klux Klan, van ketterverbranders, beeldenstormers, sekteleden, nazi’s, guerrillero’s, communistenvreters en totalitaire regimes tot despoten. Met elkaar leverden zij het bewijs dat het grootste gelijk niet bestaat, want als het al bestond zou het per definitie een unicum moeten zijn, niet verkrijgbaar in honderdenéén, soms strijdige varianten.

Een grandioze zekerheid die het hele leven omspant is niet alleen aantrekkelijk voor terroristen en hervormers, maar ook voor gewonere stervelingen. Het duidelijkst geldt dat voor gelovigen, die in hun kerken antwoorden op de meeste levensvragen krijgen aangereikt. Ook buiten de religies zijn er heel wat rotsvaste zekerheden in omloop. De een gelooft in complotten, een ander in reïncarnatie, een derde zweert bij cynisme, een ander bij een ‘groene’ levenshouding, weer een ander weet zeker dat met een positieve instelling alles goed komt, sommigen denken dat hun leven in sterren en tarotkaarten geschreven staat en dan zijn er ook nog mensen die precies weten hoe alles zit en die hun gelijk voortdurend aan anderen uitleggen.

Hoe stelliger een zekerheid, hoe linker, geloof ik. Wie het gelijk aan zijn kant meent te hebben, vindt ook dat hij de ander geen ruimte hoeft te laten: die heeft immers ongelijk. Dat kan zover reiken dat de gelukkigen van het gelijk de ongelukkigen van het ongelijk menen te mogen uitroeien, zoals we in Parijs weer eens hebben gezien. Die wrede vrijdag waren heel veel mensen heel veel beter af geweest met een beetje meer onzekerheid.

zaterdag 14 november 2015

Koe in Amerika

Vannacht heb ik een buitengewoon gênante droom gehad.

Dat is geheel bezijden de waarheid. Bij mijn weten heb ik geeneens gedroomd, laat staan gênant. Ik verzin het omdat ik zoek naar een pakkende eerste zin. Dit wordt een stukje over beginzinnen, dus moet ik ook een beetje passend van start gaan. Excuus voor het bedrog.

Aanleiding is een artikel in de Volkskrant over de Amerikaanse schrijver David Vann. De eerste zin van diens boek Aquarium luidt: ‘De vis was zo lelijk dat hij niet eens op een vis leek.’ Ja, zo heb je de aandacht van de lezer meteen te pakken. Naast het stuk over de Amerikaan staat een column van Remco Campert en die begint met: ‘Berg u lezer, ik ben in een abominabel humeur.’ Oók heel goed: we willen meteen weten hoe dat zit en of het nog goed komt met Campert.

Even verderop wordt een reisboek van Tommy Wierenga besproken. Die weet eveneens van wanten qua beginzinnen. Neem nu deze: ‘Ik heb Kurt Ramig ontmoet in Gorgora, een plaatsje aan het Tanameer in Ethiopië.’ Maakt nieuwsgierig, want wie is die Ramig eigenlijk en hoe ziet het eruit daar aan het Tanameer? Of de opening van een dichtbundel van de Antwerpenaar Gust Gils: ‘De dichotomie / van goed en kwaad // wijst op de dyslexie / waar God aan lijdt // als hij bestaat.’ Tikje mistig, maar wèl een binnenkomer.

Het herinnert me aan de klassieker waarmee Nescio De uitvreter begint: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Of, nog beroemder, die van Titaantjes: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’

Zelf heb ik ooit een kleine prijs voor reisverhalen gewonnen dankzij een eerste alinea. De jury wist niet te kiezen tussen twee genomineerden en besloot toen maar de scribent met de aardigste opening te lauweren. De keus viel op de eerste regels van mijn verhaal over Bretagne. Ik citeerde daarin een oom die bekend stond om zijn loomheid: ‘Het landschap doet me denken aan die oom die in zijn volgend leven koe in Amerika hoopte te worden. Hij kon daar heel dromerig over praten. “Zomaar wat grazen in weilanden waar geen eind aan komt, en je alles twee keer laten smaken – het lijkt me wel wat.” Hier, aan de oevers van de Loire, was oom nooit geweest. Het had hem ook wel aangestaan.’


Dat ome Toon het nog eens tot de literatuur zou brengen: de familie heeft het er nog lang over gehad.

dinsdag 10 november 2015

Optimisten zijn te optimistisch

Op Facebook komt een aardige Loesje voorbij: Chronisch ziek zijn vraagt om chronisch optimisme. Het is een aansprekend begrippenpaar. Het nare wordt gekoppeld aan het aangename en verzacht daardoor. Tegenover de moeilijkheden van vandaag staan de kansen van morgen. Kop op, komt goed!

De kracht van de spreuk zit in het bezwerende karakter ervan, de dringende suggestie dat optimisme een probaat medicijn is tegen een taaie aandoening. Dat is een populair idee geworden, ook al ontbreekt het aan overtuigend bewijs. De stelling wordt steevast gestaafd met een verwijzing naar buurman A of tante B of collega C, die dankzij wilskracht en positief denken helemaal herstelde van een hardnekkig malheur. Fijn voor de betrokkenen; helaas trekken de statistieken zich van zulke losse gevallen weinig aan. Chronisch zieken hebben meer aan goede medische zorg dan aan een komt-goed-geloof.

De blije boodschap van de positivo’s klinkt mooi, maar is bedrieglijk en riskant. Bedrieglijk omdat fysieke processen zich niet zomaar laten besturen door houdingen en opvattingen. En riskant omdat het beter is alert te zijn op signalen van het lichaam, dan die te verbergen achter smileys en opgestoken duimen.

Daarmee pleit ik nog niet voor chronisch negativisme, want met zwartkijken schiet je nog minder op dan met een roze bril. Chronisch ziek zijn vraagt om aandacht, zou ik op mijn wandtegeltje schrijven. Niet zozeer de aandacht van derden, al kan dat zelden kwaad, maar aandacht voor wat je allemaal overkomt als lijf en leden haperen. Dan valt iets weg waar je recht op dacht te hebben: de quasizekerheid van de gezondheid. De ontstane leemte vult zich met vragen, boeiende maar ook bange vragen, vragen over hoe het verder moet, wat je nog kunt, waar het om gaat, wat je nog wilt. En die vragen mengen zich dan weer met verlangens en halve gedachten en twijfels en nog nooit ervaren ongemakken en onzekerheden. Geen sinecure allemaal, genoeg om ongelukkig van te worden, maar óók genoeg om de geest aan te laven. Op je reis door het leven is een wissel omgezet, zodat je op een onbekend station bent beland met schimmen op de perrons en geluiden die zich niet goed laten duiden. Beetje obscuur, maar ook spannend, dit station in de mist. En werkelijker dan de zonovergoten fictie van de optimisten. Want weet je wat het is met optimisten, lieve Loesje? Ze zijn gewoon te optimistisch.


dinsdag 3 november 2015

Bijwerking: verdriet

Ik wou het hebben over verdriet. Het lijkt geen moeilijk onderwerp, want iedereen kan erover meepraten, kinderen en grijsaards, sloebers en miljardairs, artiesten en metaalbewerkers, hoeren en hun klanten. Iedereen. Behalve ik. Dat wil zeggen: ik kan er wel over meepraten, maar erover schrijven vind ik lastig. Verwoord verdriet wordt gauw larmoyant, zoals de traan op het doek van de zondagsschilder. De grens tussen sentiment en kitsch is maar dun en gemakkelijk te overschrijden.

Neemt niet weg dat het wèl een intrigerend onderwerp is, verdriet. Omdat het zoveel overhoop haalt. Het is een soort pijn die van onder de oppervlakte komt, daar waar de ziel woont, dat complex van verlangens en ervaringen waaruit een persoon bestaat. Verdriet is geen schaafwond, maar een snee; daar helpt geen pleister meer, maar is serieuze zorg vereist.

Verdriet is ook een courante bijwerking van sommige chronische ziektes. Met mijn lastige longen en bloedvaten heb ik daar ook weet van. Voor wie een slepende kwaal oploopt, slinken de mogelijkheden en nemen de beperkingen toe: een gevoel van verlies dat soms droef stemt. Meestal heb ik niet veel geduld met de treurder in me en wijs ik mezelf erop dat er een dag te plukken valt, maar af en toe luister ik toch maar eens naar die blues van me en dan herken ik elke noot.

Want ook al wil ik het eigenlijk niet weten, het is wel degelijk spijtig dat ik te weinig lucht heb om te dansen, te zingen, de schommel van een kind aan te duwen, een eind te wandelen. Het lukt niet altijd, die spijt te verbijten. Dan welt er een doffe donkerte in me op, een leegte die toch zwaar aanvoelt, een klomp lood die op mijn gemoed drukt en zich niet laat negeren. Ik verzet me maar niet en laat het toe want het hoort erbij, het is deel van mijn leven, niet meer kunnen wat ik wil en willen wat ik niet meer kan.


Dat herfsten is mijn hoofd houdt nooit lang aan en maakt snel genoeg weer plaats voor de gedempte opgewektheid die me doorgaans vergezelt. Het lucht kennelijk op als je het verdriet even toelaat, misschien wel omdat je jezelf dan serieus neemt, inclusief je zorgen en zwaktes. Bonjour tristesse, zou ik Françoise Sagan bijna nazeggen. Probeer ik over verdriet te schrijven, dreigt het toch weer peptalk te worden.

dinsdag 27 oktober 2015

Compassie met Vergeten Woorden


Illuatratie: Happinez
De oprichtster van het tijdschrift Happinez, Inez van Oord, neemt het op voor (bijna) Vergeten Woorden. Ze noemt voorbeelden als bezieling, menselijkheid, verbinding, dankbaarheid: begrippen en waarden die wat haar betreft couranter zouden mogen worden.  

Niet al haar voorbeelden spreken me aan. Is een woord als ‘menselijkheid’ echt minder in tel aan het raken? Ik betwijfel het, want het haalt nog dagelijks de krant. Maar de teneur herken ik wel. Vooral vriendelijke, zachte begrippen hebben momenteel de wind niet mee. ‘Dankbaarheid’ is daar een goed voorbeeld van. Waarom zouden we dankbaar zijn? Voor zover we het goed hebben, betreft het verworvenheden waar we recht op hebben – daar hoeven we niet voor op de knieën. Bovendien gáán we niet meer op de knieën, noch voor goden, noch voor superieuren. Ook enkele aanpalende begrippen als nederigheid en deemoed zijn bijna vergeten. 

Inez van Oord kreeg heel wat reacties op haar ode aan de Vergeten Woorden. Daar zaten herkenbare suggesties tussen, zoals compassie, ontfermen, belangeloos, nobel, barmhartig, kwetsbaar, ingetogen, mededogen en sereniteit – woorden die verdwaald lijken in de huidige tijdsgeest. Ze komen dan ook uit een andere tijd, die in de ban was van principes als rechtvaardigheid, solidariteit, gelijkheid, sociaal engagement, maar ook persoonlijke groei. Een zachtmoedig idealisme dat uiteindelijk zou vastlopen op de harde realiteit van een financieel-economische crisis. 

In die crisis groeide een mentaliteit van overleven. Op de krimpende arbeidsmarkt werden de kameraden van de klassenstrijd concurrenten van elkaar. Over de hele linie ontstond een tweedeling tussen winnaars en verliezers. Succes, assertiviteit en doorzettingsvermogen werden nieuwe sleutelwoorden. 

In die sfeer kregen begrippen als compassie en ingetogenheid al snel een bijklank van achterhaaldheid. Dit was geen tijd meer voor zachte waarden, dit was een tijd voor argwaan, kritiek, geldingsdrang en brutaliteit. De reaguurder werd geboren, de cynische, zwartgallige, respectloze commentator in zijn anonieme schuttersputje op internet. Het populairste sluipschuttersnest tooide zich veelzeggend genoeg met de geuzennaam Geen Stijl. 

Maar Geen Stijl dateert ook alweer van twaalf jaar geleden, dus wie weet raakt de tijdgeest er stilaan op uitgekeken en komt er weer ruimte voor een reactie. Goed moment om de Vergeten Woorden van Inez eens af te stoffen en te bezien of we een Nieuwe Vriendelijkheid kunnen ontwikkelen, zacht maar ook zinnig, gedreven maar niet naïef. Ik schat zo dat heel wat mensen daar Dankbaar voor zouden zijn.

zondag 25 oktober 2015

Dutch Design Week: wat heet lelijk?


 
Het is alweer bijna voorbij: vandaag is de laatste dag van De Dutch Design Week. Voor Eindhoven is het de meest dynamische tijdsspanne van het jaar. Overal rijden speciale taxi’s met een buitenissig designobject op het dak. Rond de creatieve hotspots wemelt het van belangstellenden. De bezoekers zijn doorgaans net wat eigenzinniger gekleed dan gemiddeld en vallen op door hun kekke schoenen of gestileerde kapsel. De stad wordt er een slag vrolijker door. 

Wie nog mocht denken dat design vooral over vorm en minder over inhoud gaat, hoeft maar een van de talloze DDW-activiteiten te bezoeken om dat beeld bij te stellen. Vooral onder invloed van de Design Academy Eindhoven is het accent van eigentijdse ontwerpers juist van buiten naar binnen verschoven. Overal gaat het over maatschappelijke betrokkenheid, verantwoord materiaalgebruik, ecologie en duurzaamheid, soms zelfs zo enthousiast dat het overhelt naar abstracte of conceptuele kunst. Van de weeromstuit krijg je dan weer zin in een ongecompliceerd vaasje of een lekkere stoel. En die zijn er natuurlijk ook volop te vinden tijdens DDW. Ik zag ze vanmiddag in designpaleis De Kazerne allebei: de doordachte vorm en de vormgekregen gedachte, het goede ding en het goede idee. 

 Fijne week dus, maar ik vind het ook wel prima om door te schakelen en me na het bijzondere weer op het alledaagse te richten. Ik nam er vanmiddag een voorschot op door na de Kazerne door het groen te scooten, het groen dat nu zo mooi verkleurt tot geel en bruin en rood en alle tinten daartussenin – het park was één groot herfstboeket. Of het nu kwam doordat de bomen kaler werden weet het niet, maar ineens viel me op hoe weinig gedesigned ze eigenlijk waren, hoe lelijk ook. Dat groeide maar een eind weg, met knoesten en bulten en vreemde holtes en mos in hun oksels en takken die voor zichzelf begonnen of juist afknapten. Pure misbaksels stonden ertussen, krom en grillig, rauw en slordig, nooit van stroomlijning gehoord. Maar wel helemaal zichzelf, elke boom een eigen verhaal en dat maal duizend, of hoeveel bomen zag ik wel niet vanmiddag. De Designweek liep af, maar er bleef genoeg te beleven.

donderdag 22 oktober 2015

De lege bucketlist (en Jovanca)


In een recent stukje had ik het zijdelings over de bucketlist: de trits dingen die je nog graag wil meemaken voordat je laatste uur slaat. Zo’n lijstje kon nog wel even wachten, leek me. Leven alsof je tijd zat hebt, is wél zo ontspannend. 

Maar soms nestelt een woord zich in je hoofd en wil het aandacht en zo is het ook met de bucketlist. Bij nader inzien is het wel een aardig tijdverdrijf, nadenken over m’n ultieme agenda. Meteen ontvouwen zich heerlijke vergezichten van witte eilanden met scheve palmen en gouden stranden aan een azuren zee. Ja, daar zou ik wát graag nog eens heen gaan. Ware het niet dat mijn longen niet meer zo ver durven vliegen.  

De meer nabije woeste natuur van IJsland dan? Of exotische steden als Istanboel en Marrakech. Of Rome, waar het vreemd genoeg nog nooit van kwam. Of nóg een keer naar New York. Maar ja, zulke trips zijn alleen mooi als je flink kunt lopen en hele dagen in touw kan zijn, quod non.  

Bungeejumpen, parachutespringen, paragliding? Heeft me nooit getrokken, laat staan nu het fysiek niet eens meer zou lukken. Een orgie meemaken? Ook al nooit een droom geweest en zal dat ook niet meer worden. Een beroemde popartiest ontmoeten? Ik ben al eens na een reportage vol drank en dope in het kielzog van Herman Brood in diens bed ontwaakt: dat was me ultiem genoeg. Een boek schrijven? Met permissie: deed ik al. 

Ter inspiratie googel ik wat op bucketliistjes, maar de idealen van anderen brengen me evenmin verder. Een berg beklimmen, diepzeeduiken, te paard door de Himalaya, een Poolexpeditie: allemaal niks voor mij. Een cruise? Ik moet er niet aan denken, opgesloten te worden in zo’n drijvend massahotel vol gekmakend entertainment. 

Wat lees ik nog meer? Een koe leren melken. Een keer modderworstelen. Een navelpiercing nemen. Een Duits Bierfest meemaken. Op knuffelcursus gaan. – Het is ongelooflijk wat sommige mensen als droomwens koesteren, maar mij niet gezien. 

Aj... Het ene soort droomwensen is aan mij niet besteed en het andere fysiek niet meer haalbaar. Misschien moet ik die ultieme wensen niet ver weg, maar dichtbij projecteren. Dus niet: ooit wil ik nog met een oude Chevrolet-Cabrio door de eindeloze vergezichten van Amerika rijden. Maar: hoe krijg ik het vandaag helemaal naar mijn zin? Dan heb ik een lege bucketlist, maar een volle agenda.  

Klinkt fijn Zen, maar is toch een beetje kaal. Heb ik niet ergens nog een bescheiden droomwensje liggen? Ik sluit heel mindful de ogen en laat beelden opkomen en passeren, landschappen, steden, mensen, mooie mensen, mooie vrouwen – en dan weet ik het ineens. Jovanca! De prachtige donkere zangeres met de stralendste ogen die ik ooit zag. Met haar zou ik wel eens een mooi glas wijn willen drinken en me warmen aan haar stralen en me laven aan haar schoonheid, een uurtje maar, meer hoeft niet, en als het even kan niet op een dinsdag. Ik hoor het graag.


maandag 19 oktober 2015

Filemon en de Faam


Dat viel te verwachten: boze lezersbrieven over misbruik van vrouwelijk naakt in het Volkskrant Magazine van afgelopen weekeinde. 
Daar prijkte Tv-maker Filemon Wesselink in James Bond-pose tussen twee vrouwen die slechts gekleed waren in zwarte pumps. De gezichten van de dames vielen buiten de kadrering van de foto, want daar ging het niet om. Lezers toonden zich beurtelings verontwaardigd en teleurgesteld door de vrouwonvriendelijke aanpak van hun krant. 

Zo had ik de foto’s bij het interview met Wesselink nog niet bekeken. In eerste instantie had ik ze als ironie geïnterpreteerd. De man is nou niet bepaald het toonbeeld van de superieure macho waarvoor hij hier doorgaat. Ook lijkt hij geen typische vrouwenmagneet. Verder riepen de platen een lichte afgunst in me op, die me wat ongemakkelijk stemde, tot ik me voorstelde hoe het er waarschijnlijk in de praktijk aan toeging tijdens zo’n shoot en dat er tussen de poses door iemand met de thee en de biscuitjes rondging en hoe ongemakkelijk dat weer moest zijn. 

Bij nader inzien vind ik de fotografie rond het interview een misgreep. Het gesprek ging over roem, althans bekendheid. In de presentatie werd dat thema vernauwd tot succes-bij-de-andere-sekse. Maar mediaroem maakt je niet volautomatisch tot lustobject, zeker niet wanneer je bekend bent geworden doordat je altijd zo schaapachtig – ‘ontwapenend’, zegt de Volkskrant – in de camera kijkt als Filemon Wesselink.  

Bekende Nederlanders zijns bekend omdat zij bekend zijn geraakt: eerst bij het Wereldje, vervolgens bij De Bladen, en uiteindelijk bij alle media. Daar liggen doorgaans geen bijzondere prestaties of unieke talenten aan ten grondslag – dat de camera’s hen graag zien, is genoeg. De BN’er staat voortdurend in de aandacht, en aandacht is een weelde die iedereen begeert, dope en verdoving tegelijk, de motor van ons bestaan. Daarom wil iedereen of de foto met een Ster. Niet alleen daalt er met zo’n superselfie wat sterrenstof op je neer, ook wek je op die manier de suggestie dat je een bekende van een Bekende bent en er dus in commissie ongelooflijk toe doet. 

Ergo: de Volkskrant had Wesselink moeten fotograferen op een rode loper, omzoomd door duizend fans met het mobieltje in de aanslag, want dat is Faam anno nu. Maar toegegeven, Filemon tussen het bloot trekt meer de aandacht. En daar gaat het maar om.

 

zaterdag 17 oktober 2015

Alex Roeka, met uitroepteken


Vorige week nodigde De Wereld Draait Door hem nog uit om het tienjarige bestaan van dat programma muzikaal mee luister bij te zetten. Vandaag brengt Alex Roeka zelf zijn tiende CD uit: Voort. Het gelijknamige nieuwe programma gaat 26 oktober in de Kleine Komedie (Amsterdam) in première.

Ik volg Alex al vanaf zijn eerste stappen in de wereld van het Nederlandstalige lied, dik twintig jaar geleden, wilde niet wachten op de première en ging onlangs alvast naar een try-out in de stemmige Cultuurkapel van Deurne, heel benieuwd naar zijn herstart na een sabattical van een jaar. Het werd een fijne, intieme avond, waarop hij vooral nieuw materiaal vertolkte. Nieuw niet alleen omdat het nummers van zijn kersverse album betrof, maar ook omdat hij een stap verder leek. 

Niet dat hij van zijn geloof gevallen was. Als vanouds passeerden er volop schimmen uit de Hades, verlopen engelen, huilende wolven, vale kraaien en verwaaide zielen en werd er gezongen in de storm en gedanst op de kookplaat van de hel – bij Alex Roeka zijn Bosch en Breughel nooit ver weg. Maar daar bleef het niet bij. Hij zong ook een ontroerend lied over zijn moeder en eentje over de kracht van de liefde en een paar over levensdrift en energie. Ik heb hem wel eens grimmiger, zwarter, verlorener gehoord. Alleen al de titel, Voort!, wijst op elan en gedrevenheid, met uitroepteken zelfs. Al gaat het bij Roeka nooit om een naïef vooruitgangsgeloof, eerder om een romantische hoop dat er ginds, aan de einder, ooit nog iets moois te wachten ligt. 

Nu ik dit opschrijf, komt er ineens een beeld uit 1998 in me op. Het was een zachte winternacht. Hij was op ons trouwfeest geweest en wilde naar zijn logeeradres rijden. Omdat hij een slok of wat op had, haalden wij hem over bij ons te overnachten. Maar het is jullie huwelijksnacht, protesteerde hij nog. Dan zing straks nog maar een liefdesliedje voor ons, zeiden we. We gingen naar huis, Alex stemde zijn gitaar en begon aan een lied over de leugens van de liefde en natuurlijk ook over de verboden holen waar de verlopen spoken dolen en waar je levend wordt afgekloven . Zwarte romantiek, besloten we. Het was ons verzoeknummer.

Vele jaren later zet ik zijn tiende CD op. ‘Ik wil leven,’ heet het openingsnummer.
‘Ik wil leven als een dier
Leven, nu en hier
Leven recht erdoor
Ik wil leven – waar leef ik anders voor?’ 

Mooi zo, Alex.

 

woensdag 14 oktober 2015

MATT: fijne oplossingen voor de wereld van nu


Een attente vriendin stuurt me een vreemd berichtje. ‘Ze hebben champagne van je gemaakt.’ Bijgevoegd een foto van een fles bubbels van het merk Matt 

Wat zullen we nu krijgen? Werk ik me tientallen jaren een slag in de rondte om een goede naam in de schone letteren op te bouwen, gaat een of ander feestnummer er zomaar mee aan de haal. En geloof maar niet dat ze me er ooit toestemming voor hebben gevraagd. Zouden ze ook niet gekregen hebben. Als het nou Fine Champagne, de betere cognac, was geweest, met een fine contractje erbij, alla. 

Dus ik het internet op om te zoeken naar de schurken achter de bubbels. Blijkt het nog veel erger te zijn dan ik dacht. De fles hoorde bij de lancering van een bedrijf dat zich MATT noemt en dat ‘integrale oplossingen voor HR en Finance voor de wereld van nu’ belooft.  

Als ik bekomen ben van de eerste schrik, wil ik er meer van weten. In feite bestaat het bedrijf al tien jaar. Het is een dienstverlener in de bibliotheeksector, toegespitst op bedrijfsvoering, financiën en personeelszaken, die tot dusver SLS heette. Gaandeweg gloorde er een bredere markt dan alleen de biebs, en daar hoorde een nieuwe naam bij: MATT, kort voor Mastering Tools & Talent.  

'Hallo, wij zijn MATT'
Het is verleidelijk te citeren uit het gelukzalige lingo van mijn naamdieven. ‘Onze mensen leveren de expertise, de paardenkracht en de human touch. Onze cloudoplossing @MATT stroomlijnt alle gegevens. En geeft je precies de juiste managementinformatie. Waar en wanneer jij dat wilt. Wij zien onszelf als ruimtemakers. Ruimte voor jou om te creëren en te innoveren. Ruimte voor jou om te ondernemen, dus.’ 

Dus! Paardenkracht! Ruimtemakers! Voor jou! Het mooiste vind ik het wel om mezelf terug te vinden als cloudoplossing die alle gegevens stroomlijnt. Alle! Wat ook fijn is: ‘We beheersen de secundaire processen bij onze klanten’ en streven naar ‘ gefinetude, hybride oplossingen’. 

Dat wil ik ook! Zodra ik dit stukje klaar heb, ga ik alle secundaire procesgegevens binnen mijn cloud stroomlijnen en op z’n hybrides finetunen voor de wereld van nu. Als ik dat onder de knie heb, stuur ik ze daar bij MATT wel een seintje. Want ze hebben natuurlijk nog wel een CEO met de juiste voornaam nodig.

 

dinsdag 13 oktober 2015

Zweefvliegend naar het einde


 
Afgelopen weekeinde zweefgevlogen. Nee, vlieggezwoven. Nee, gezweefvliegd. Ik bedoel in elk geval: in een zweefvliegtuig door de lucht gezoefd. Het was kort maar formidabel. 

In de plaatselijke krant had ik een stukje gelezen over een hobbyzweefvlieger, Mark de Haan, die geld voor een goed doel inzamelde via vluchtjes met passagiers. Ik had er meteen zin in, en mevrouw ook, dus wij gisteren naar een klein vliegveld in de Peel. Het weerbericht beloofde een heleboel zon, maar daar zag het echte weer niets in, dat voelde meer voor een dichte, laaghangende bewolking. Een lange vlucht met fraaie panorama’s zat er niet in. Maar we gingen zweefvliegen en daar was het om te doen.

Het toestel stond al klaar, rank, sierlijk en uiterst aaibaar. Ik wurmde me in het stoeltje achter de vliegenier, sloot het zuurstoftankje aan dat ik voor de zekerheid – longpatiënt – had meegenomen, luisterde naar de instructies, zag de lampen van de liermachinist 1200 meter verderop knipperen, en voelde de spanning oplopen. Op een signaal trok de lier de kabel razendsnel aan, zodat het vliegtuig als een pijl uit de boog over het gras schoot en met een scherpe hoek de hoogte opzocht. In een paar seconden zaten we al op een snelheid van honderd kilometer per uur – een acceleratie als die van een raceauto. Het had de sensatie van een achtbaan, maar dan zonder doodsangst of gekantelde maag. 

Eenmaal op vijf-, zeshonderd meter hoogte ging het toestel horizontaal en begon aan een aantal lange curves boven het vliegveld en omstreken. De koorts van zojuist maakte plaats voor de kalmere opwinding van het zweven, het besef dat we zonder hulp van motoren en propellers door de hemel zwierden, drijvend op de golven van de thermiek, met rondom alleen ruisende stilte en slierten nevel die de onderkant van het wolkendek vormden. Gouden minuten – himmelhoch jauchzend, om met Goethe te spreken. Toen begon de afdaling alweer. Een soepele glijvlucht bracht ons terug op aarde. 

Opzij van de landingsbaan vroeg een van de vliegers voorzichtig of de zweefvlucht wellicht deel uitmaakte van mijn bucketlist: het lijstje bijzondere belevenissen dat sommige mensen in het zicht van hun dood nog proberen af te werken – met zo’n zuurstofslang in je neus zie je er nogal terminaal uit. Aan zo’n lijstje had ik nog nooit gedacht, zei ik naar waarheid, al was het maar omdat ik mijn graf nog niet echt in zicht achtte. Maar zweefvliegend naar het einde, het was een mooi idee.

zondag 11 oktober 2015

Pas op! Boom! Levensgevaar! (3)

Dit belooft een soap te worden. De eerste aflevering belichtte de dreigende kap van 23 reusachtige populieren bij mij om de hoek. Reden: ze waren oud en ziek en zouden wel eens om kunnen waaien. De buurt geloofde het niet en protesteerde. Het stukje was nog niet verschenen, of er viel een populier om. Het leek wel een complot om het protest te ondermijnen, schreef ik in een ironische tweede aflevering. Vandaag aflevering 3: hoe de meeste oude, zieke bomen alsnog gezond bleken! 

Wat is er aan de hand? De gemeentelijke afdeling van de kapplannen, kennelijk geschrokken van het protest, ging vorige week om tafel met vertegenwoordigers van de buurt. De kwestie was opnieuw onderzocht, en nu bleken er niet 23, maar slechts drie bomen te zwak te zijn om behouden te kunnen blijven. De rest kon na enig onderhoud nog vijf tot vijftien jaar mee. De buurt zou op de hoogte gehouden blijven, beloofde men.
 
Ik meteen naar het parkje om de bomen te feliciteren met het nieuws. Ze blijven er onbewogen onder en ruisen stoïcijns voor zich uit. Bomen weten van geen gevaar. Ambtenaren van Boomtoezicht wél: die hoeven maar één afgebroken tak te signaleren, of ze grijpen naar de cirkelzaag en maken een einde aan 23 bomenlevens.
 
Tenzij ze worden gehinderd door bomenvrienden. Het lijkt er althans op dat het protest tegen de ongenuanceerde kapplannen in het Genderparkje zin heeft gehad. De pamfletten waarop de reusachtige populieren Help! riepen, zijn alvast verdwenen. Maar ik ben er pas echt gerust op als de zagen de komende tijd blijven zwijgen.

woensdag 7 oktober 2015

Le Quattro Stagioni, maar dan heel anders


Beeld: Paul en Menno de Nooijer
Een van de bekendste klassieke muziekstukken is Le Quattro Stagioni van Antonio Vivaldi. Maar ook vaak gehoorde werken worden steeds opnieuw geïnterpreteerd. Met Vivaldi’s Jaargetijden gebeurt dat volgende week in Maastricht en Eindhoven. Philharmonie Zuidnederland brengt dan een uitvoering ten gehore met blokfluitspeler Erik Bosgraaf  in de hoofdrol, toegevoegd ‘sound-design’ van Jorrit Tamminga en speciaal beeldmateriaal van de cineasten Paul en Menno de Nooijer. 

Bosgraaf, Tamminga en de De Nooijers hebben al vaker samengewerkt in producties met muziek, spel en projecties. Eerder dit jaar stonden ze nog op een aantal podia met het multimedia-spectakel Half the Horizon, waar ik hier al eens over berichtte en dat momenteel wordt uitgewerkt tot film. Nu richten zij zich dus samen met het zuidelijk orkest op hét succesnummer van Vivaldi. Het wordt een ‘verrassend nieuwe cross-over,’ aldus de Philharmonie, ‘zonder compromis, meeslepend en magisch.’ 

Hierboven alvast een still waarop de tonen van de blokfluit als het ware zichtbaar worden. Verder reist het beeld met de muziek mee door de vier seizoenen. “Het vormt een soort optocht van de geboorte naar de dood,” zegt Paul de Nooijer. 

Maastricht, Muziekgieterij, 14 oktober.
Eindhoven, Natlab, 16 oktober.
Kaarten: klik hier.

dinsdag 6 oktober 2015

Een vluggertje in een veldje haver


 
Vandaag behandelen we het curieuze woord ‘ootje’, bekend van de uitdrukking ‘in het ootje nemen’. Wie dat overkomt, wordt voor de gek gehouden, zoveel is duidelijk. Maar wat betekent het nou eigenlijk, zo’n ootje? Waarom wordt men daarin genomen? En hoé dan wel?

We gaan natuurlijk eerst te rade bij taalautoriteit Van Dale. Daar beginnen de problemen al. De Dikke meldt allereerst dat ootje een oude vleinaam is, gevormd uit grootje, ofwel grootmoeder. Vervolgens zegt het woordenboek dat ‘het ootje hebben’ een informele aanduiding is voor menstrueren. Huh? Dus ongesteldheid is bij uitstek een omakwaaltje? Toch eens vragen aan mijn echtgenote als die terug is van zwemmen met ons kleinkind. 

Na die inleiding leren we dat met ootje ook wel – maar ‘niet algemeen – het cijfer nul wordt aangeduid. Verder kan het kringetje betekenen. Zo knikkeren kinderen wel eens in een ootje. En dan zijn we waar we wilden zijn: ‘iem. in het ootje nemen, 1849, naar de letter o: een kringetje om iem. maken om hem voor de gek te houden, hem tot mikpunt van spotternij maken = iem. In de maling nemen.’ 

Ik geloof er niets van. Stel je voor: we vormen een kring om iem. en joelen dat hij L. Rozenwater heet en wijzen beurtelings naar ons voorhoofd en dat van L. Rozenwater en lachen ons een kriek. Dan heeft zo’n kring al gauw een doorsnee van een meter of vijf. Dat is geen kleine o meer, geen o’tje, maar een heel grote O, een OXL.  

Het ootje moet wel een andere oorsprong hebben. Zou het gaan om het verkleinwoord van oot? Dat is volgens Van Dale ‘wilde haver, gevreesd onkruid op graanakkers (Avena fatua)’. Maar ja, dan zou ‘in het ootje genomen worden’ zoiets betekenen als een vluggertje in een veldje wilde haver, wat ook niet erg aannemelijk is. 

Nee, ik denk dat het om een afkorting draait. De O van Oen en Oenig. Als je in het ootje wordt genomen, wordt je in je volle Oelewapperigheid Ontmaskerd en Op je nummer gezet. Als we bij Van Dale dan ook nog eens lezen dat het eenletterig woordje ‘o’ onder meer geldt als ‘uitroep van goedaardige scherts, lichte spot, speelse ondeugendheid en schertsende opgetogenheid’, dan is de cirkel zogezegd wel rond.
 

 

 

zaterdag 3 oktober 2015

Pas op! Boom! Levensgevaar! (2)


Shit! Schrijf ik een stukje tegen de dreigende kap van 23 populieren in het parkje om de hoek. Betoog ik dat die oude reuzen heus niet omwaaien bij het eerste het beste stormpje, zoals de gemeente suggereert. Tuf ik de volgende dag door het parkje, blijkt mijn pad versperd door een net omgevallen populier...

De boom is op anderhalve meter boven de grond doormidden geknakt. Zo te zien was hij nog niet oud en opgeleefd. Maar kennelijk was hij wél verzwakt. Net als de 23 populieren die de gemeente uit voorzorg wil omzagen. Sta ik mooi met mijn mond vol tanden. 

Mijn eega schudt haar hoofd als ze hoort hoe mijn betoog werd verpletterd door een omgevallen populier, “Dat komt de gemeente goed uit,” zegt ze. “Het kan bijna geen toeval zijn.” Ik val haar dankbaar om de hals. Natuurlijk, het was geen toeval, maar een opzetje! 

Ik zie het helemaal voor me. Mijn protestblogje leidde tot spoedberaad op het gemeentehuis. Het kapproject wankelde. Hoe te handelen? De verzamelde ambtenaren zuchtten en kreunden en lieten de ene koffiekan na de andere aanrukken, maar kwamen er niet uit. Tot de Beheerder Bomen van de Sector Realisatie, Beheer en Toezicht met een koffielepeltje tegen een waterglas tikte: hij had een Plan. 

Die avond na zonsondergang togen vier sterke mannen met zwarte bivakmutsen op naar het Genderpark en zochten een geschikte boom uit. Niet te dik en niet te oud, had de Beheerder Bomen gezegd, dan viel het minder op. In het halfduister – het was volle maan – klom de lenigste van de vier in de uitverkoren boom en maakte bovenin een touw vast aan de stam. Toen hij weer beneden was, trok hij met een collega het touw strak. De twee anderen plaatsten hun gespierde armen tegen de boom. Er klonk een kort fluitsignaal en toen werd er getrokken en geduwd dat het een aard had. Na een vol uur gaf de boom eindelijk toe, brak krakend doormidden en vlijde zijn kruin neer op de grond. De mannen sjorden totdat het gebladerte goed lag en het fietspad volledig versperde. Zwijgend sloegen ze high fives en verdwenen in de nacht. 

Zo is het gegaan en niet anders. Denk ik. Hoewel? Helemaal zeker ben ik toch niet. Ik rijd naar het park om de toestand nog eens in me op te nemen. Er blijkt geen spoor, geen blad, geen tak meer te vinden van de gevallen populier. Alle bewijsmateriaal verdwenen! Alsof er niets gebeurd is en ik alleen maar goed in de war ben.

Dan doemt tussen de struiken de rest van een afgezaagde stam op, met vers zaagsel eromheen. Het corpus delicti.  Zie bijgaande foto. Wat het precies te betekenen heeft, weet ik nog niet, maar het heeft alles van een complot, een vuile intrige, een regelrecht schandaal. Maar zal de waarheid ooit, óóit aan het licht komen?

dinsdag 29 september 2015

Mark Bos: ooit kan morgen zijn


Moeilijke documentaire gisteren op TV: Retour Hemel II – Keihard terug op aarde. Over de laatste maanden van journalist Mark Bos, die in mei dit jaar overleed aan de gevolgen van prostaatkanker.
 
Moeilijk omdat het een vak- en lotgenoot betrof en ik me goed in hem kon inleven. Moeilijk ook omdat hij zich in het eerste deel van Retour Hemel een optimist had getoond, die alles uit de kast haalde om zijn prostaatkanker te overwinnen. Moeilijk vooral omdat de kanker hem toch fataal werd: hij was keihard gehemeld.
 
Gaandeweg het maken van de documentaire verzwakte hij dermate, dat hij de afronding van de film moest overlaten aan een collega, waardoor sommige elementen onderbelicht bleven. Maar de zeggingskracht van de film was er niet minder om: hoe onverbiddelijkheid de aftakeling was, met alle verdriet en ontgoocheling vandien.
 
Ook mij sprongen de tranen af en toe in de ogen. Dat kwam niet alleen doordat ik met hem te doen had. Ik had ook met mezelf te doen. Mark Bos’ relaas maakte weer eens duidelijk hoe levensgevaarlijk kanker is. Ik ben geneigd dat te vergeten, of preciezer gezegd: weg te moffelen als een probleem dat ik ‘tezijnertijd’ wel serieus zal nemen, ooit, als het echt acuut wordt, over jaren en jaren. Maar het kan ook morgen opflakkeren, dat is het verraderlijke van kanker. Je weet nooit hoe lang de medicijnen nog werken.
 
Na de laatste beelden – Mark Bos die traag een onbestemde verte inschuifelde – dronk ik een glas rode troost en somberde een poosje voor me uit. Toe maar, dacht ik, ga niet te gauw relativeren, neem die donkerte serieus, het is ook moeilijk. Toen kwam er ruimte voor het besef dat mensen nooit identiek zijn en patiënten dus evenmin. Marks verhaal was het mijne niet. Zijn kanker was veel agressiever en liet zich niet afremmen door hormonen en chemokuren en al helemaal niet door de alternatieve genezers die hij aanvankelijk te hulp riep. Vergeleken met hem was ik een groentje. Vooralsnog.
 
Ik schonk nog eens bij en dronk op de eb en vloed van het gemoed en nam me voor dat ik de volgende sombere bui hartelijk welkom zou heten. Al was het maar omdat ik wist dat de opklaring erna me zo goed zou doen.

zondag 27 september 2015

Pas op! Boom! Levensgevaar!


 
Kort briefje in de bus. ‘Betreft: kappen van populieren in het Genderpark’, staat er boven. Alwéér? Afgelopen voorjaar gingen er ook al bomen tegen de vlakte in dit kleine park – ik wijdde er een mismoedig stukje aan. De lijken liggen, in stukken gezaagd, nog steeds op de oevers van het riviertje dat ze decennia hebben omzoomd. 

Komende maand gaan er opnieuw 23 populieren om, schrijft de gemeentelijke Sector Realisatie, Beheer en Toezicht. Reden: ‘De bomen zijn niet gezond en daarom niet duurzaam te behouden op langere termijn.’ Dat is een ambtenaresk pleonasme voor: ‘ze zouden weleens kunnen omwaaien’. Dat risico was volgens de toelichting gebleken tijdens de zomerstorm van 25 juli. Nou waren ze bij die storm allemaal rustig blijven staan, net als bij alle stormen van de laatste vijftig jaar, maar daar had de Sector Realisatie, Beheer en Toezicht, even geen boodschap aan. Ze vormen een risico, dus omkappen, punt. 

Ik rijd naar het parkje toe. Meteen bij de ingang al staan de eerste van de 23 terdoodveroordeelden: een paar immense exemplaren, meer dan een meter in doorsnee en zeker twintig meter hoog, ‘ondenkbaar ijle populieren’, om met Hendrik Marsman te spreken, die‘als hooge pluimen aan den einder staan’. Dichters worden wee van mooie bomen. Ambtenaren niet. Die zijn verantwoordelijk voor Realisatie, Beheer en Toezicht en zien een boom niet alleen als boom maar ook als omwaairisico en daarom niet duurzaam te behouden op langere termijn. 

Op de stammen van de beeldbepalende reuzen hangen A4tjes met protesten. ‘Help,’ roepen ze, ‘de gemeente is bang van deze boom.’ ‘Haal je dak van je huis, dan kan het er niet meer afwaaien,’ ironiseert een ander pamflet. Zo is het maar net. Welk gevaar levert een vallende boom nou helemaal op? Het kapseizen van een grote boom gaat zo traag dat eventuele passanten kuierend op veilige afstand kunnen geraken. In risicovrije ambtenarenvisies moet elk bos wel als levensgevaarlijk gelden en worden omgeploegd dan wel afgesloten met hekken met doodskoppen erop.

Ik wens het protest veel succes, maar de kapvergunning is inmiddels al verleend. Hoog boven me ruisen de ijle pluimen met hun ontelbare blaadjes een uniek concert bij elkaar – die weten nog van niks. Straks klinken hier alleen nog de kettingzagen. Het is onverdraaglijk.

vrijdag 25 september 2015

Een Courbet in het stadspark


 De najaarszon wenkt, dus ik op de scoot, het groen in. Het park, even verderop, heeft er zin in. Het licht dwarrelt door het gebladerte, dat al een beetje begint te herfsten en zacht ruist in de wind. Hier en daar schieten paddenstoelen op; ook groeien er elfenbanken aan een paar bomen en stronken. Merels hippen over bedauwde grasperken op zoek naar een vers hapje worm. 

Het pad maakt een laatste draai en daar staat een pracht van een boom te pronken, een acacia, zijn roodbruine bast vol groeven en plooien, de takken gestoffeerd met een miljoen ijle blaadjes. Dat zie ik omdat mijn scootje nooit haast heeft en me de tijd gunt om details in me op te nemen. Haast is zelden goed, en al helemaal niet als het om iets bijzonders of iets moois gaat. 

Mijn blik gaat van de grillige stam naar de wuivende kruin en weer terug, en dan zie ik het ineens. Ik pak mijn smartphone om het te fotograferen, maar wacht even omdat er een fietser aankomt en ik me wat geneer, zo met mijn neus hier bovenop, ik lijk wel een voyeur. Als hij voorbij is, kijk ik nog eens goed, en ja, het is niet te miskennen: dit is onversneden boomerotiek. Op ooghoogte heeft de natuur een vagina in de bast gekerfd, een dendrologische Courbet, een Origine du Monde in hardhout. Het klopt allemaal: de ellipsvorm, de rimpelingen, in het midden een kleine verdieping als de ingang van een donkere minigrot. Zomaar midden in een stadspark.
 
Er komen een paar wandelaars aan. Ik acteer dat ik iets intik op de smartphone. Ze passeren zonder blikken of blozen, alsof hier niet een acacia haar rokken optilt om de Oorsprong van de Wereld te tonen. Misschien zie alleen ik het maar, ligt het aan mijn smoezelige geest dat ik een groef in een boombast al erotisch duid, spelen de hormonen diep in me op.

Dat is het, natuurlijk. Drie jaar lang kreeg ik hormonen toegediend om een sluimerende prostaatkanker in toom te houden. Die hielden helaas ook het libido in toom. Maar er is een pauze in de behandeling ingelast en nu melden de zinnen zich weer. Sorry, acacia. Pardon, Gustave Courbet. Maar bijzonder vind ik het wél.