donderdag 29 december 2016

Cadeau voor mezelf

Alweer geen kerstpakket gehad – dat heb je ervan als je niet meer voor een baas werkt. Dan gun ik mezelf maar een cadeautje om het eindejaar wat fleur te geven. Ik denk aan een bloggershirt!
Ik wist niet dat bloggershirts bestonden, tot ik er ergens een plaatje van zag. Nu ja, zo wonderlijk is dat niet, alles is een marktsegment, waarom zouden er speciale producten zijn voor kattengekken, voetbalfans, Bachliefhebbers en Balireizigers, en niet voor pennende internetters? Die zijn er dus wél – ik heb het vandaag grondig onderzocht en ben er helemaal blij van geworden.
De eerste ‘tee’ die ik zag, sprak me al meteen aan: Careful, or you’ll end up on my blog. Zo’n strijdbaar shirt zou de uitstraling die ik als blogschrijver beoog, krachtig ondersteunen. De blogger als bink: kijk uit of je belandt nog eens in mijn blog. Kost me misschien wat aanspraak op straat, maar dat heb ik er wel voor over. Er zijn ook varianten beschikbaar, voor als het careful-shirt in de was is: Caution! Blogger in search of topic. Met daarbij een eenvoudige afbeelding van een vlijtig figuurtje achter een beeldscherm op zoek naar een onderwerp. Of simpelweg: Don’t make me blog you. Als ik over jou ga schrijven, ben je nog niet jarig. Nadere toelichting overbodig – het is de impliciete dreiging die ‘t ‘m doet. Of nog bondiger: Be nice. I have a blog. En: Blog off. Juist!
Dat is stukken beter dan te wijdlopig zijn. Zo zag ik een t-shirt met deze veel te lange riedel: I’m a blogger. that means I live in a crazy fantastic world with unrealistic expectations. Thank you for understanding. Hoe men ook té leuk kan zijn.
Er zijn ook bloggershirts voor zelfhaters: No one reads your fucking blog. voor een fucking € 39,95 bij Zalando, of Bloggers suck. Voor de onzekeren is er I love hot bloggers, compleet met hartjes, en Bloggers do it better.  Tikje sneu toch. Ronduit pathetisch kan ook: I’m a blogging sensation.
Er is zelfs een shirt ontwikkeld voor bloggers die in een Huisje Godverdegodver wonen met een Verschrikkelijke Buurman die al negen maanden aan het boren, zagen, hameren, vijlen EN VANDAAG OOK AL WEER UREN AAN HET SCHUREN IS. Zulke getergde bloggers zijn misschien gebaat bij een rustgevend t-shirt: Keep calm and blog on.

Ik aarzel nog, maar ik denk dat ik deze kies: Bloggers do it for the comments. Ik hoor het wel.

woensdag 21 december 2016

De langste nacht

In de straat nog geen dansende mensen gesignaleerd. Ook niemand aan de deur gehad met de gelukwensen. Zelfs geen blije telefoontjes, apps of mailtjes. En toch is er fantastisch nieuws vandaag: het is 21 december, kortste dag en langste nacht van het jaar, vanaf nu gaan de dagen weer lengen!
Het kan zijn dat de rest van de wereld 21 december vooral ziet als de dag dat de winter officieel begint. Dat zou een verklaring zijn voor het uitblijven van feestgezang en vreugdevuren om het belangrijkste keerpunt van het jaar te vieren: het moment dat de balans overhelt van het donker naar het licht. Geeft niet, iedereen vergeet wel eens wat, volgend jaar om deze tijd is er weer een herkansing, noteer het alvast in uw agenda.
Zelf zou ik er waarschijnlijk ook niet aan hebben gedacht als 21/12 voor mijn Ingrid niet zo’n gewijde dag was. In de loop van de herfst refereert ze er steevast aan, vooral als ik zit te somberen over het einde van de zomer en het vallen van de bladeren. Nog even, zegt ze dan, en het is december, en dan wordt het vanzelf de 21ste, de kortste dag, het moment waarna het elke ochtend een beetje vroeger licht wordt en elke avond een beetje later donker. Dit jaar heeft ze het ook al een paar keer gememoreerd, en telkens bood het me een beetje troost.
En nu is het dan zover. Terwijl ik deze regels tik, daalt de duisternis neer, maar het deert me niet, want de omslag is bereikt: we reizen weer naar het licht, langzaam maar zeker, zo zeker als er maar weinig zeker is. Het is het op dat altijd op het neer volgt, de plus na de min, het heen na het weer, het leven na het sterven.

Ik schrijf op deze plek nogal eens over het hier en nu, over concentratie op wat je meemaakt in plaats van op wat je vreest of veronderstelt. Daar ding ik ook nu niet op af, want een mens kan beter praktiseren dan prakkiseren. Maar daarom hoef je geschiedenis en toekomst nog niet uit te vlakken, herinnering, hoop, ervaring, ambitie. Het hoort allemaal bij elkaar: hier en nu en ginds en straks en ergens en toen. Het is een hele mind ful, dat klopt, maar dat is nou juist het mooie.

zondag 18 december 2016

Pensionado

Nog twee weken en ik ben pensionado. Pensionado! Als ik het opschrijf, word ik er een beetje giechelig van. Gepensioneerden, dat zijn gezette heertjes met een kale kruin, die op een bankje in het park uitrusten van het eendjes voeren. Je hebt ook pensionada’s en die zijn altijd met een paar lotgenotes kwetterend onderweg naar een lifestylebeurs van Libelle of Plus Magazine. Maar ik pensionado?
Het kan eigenlijk niet kloppen. Ik hoor bij de categorie mensen voor wie het echte leven zo ongeveer in 1968 begon. Wie toen jong was, zou dat eeuwig blijven, forever young, zoals Bob Dylan zong. Onze ouders gingen met pensioen, dié waren oud, dat zouden wij nooit worden.
En toch schrijft het pensioenfonds me dat het bijna zover is en of ik maar vast een paar formulieren wil invullen. Terwijl ik door de papieren blader, realiseer ik me dat die pensionering ook een beetje theoretisch is. In de praktijk ben ik al een paar jaar geleden opgehouden met betaald werk, arbeidsongeschikt verklaard na oplopende medische trammelant. Sindsdien leid ik het leven van een vrijgestelde en vul ik mijn eigen agenda in. Van eendjes voeren en grijze beursen bezoeken komt het niet, maar er is genoeg ander tijdverdrijf. Zo tik ik regelmatig gratis en voor niks een stukje en stuur dat dan de wijde wereld van het internet in, waar het gretig wordt verzwolgen door duizenden dankbare volgers.
Maar goed, of ik die formulieren wou invullen. Het gaat onder meer over het partnerpensioen, lees ik. Dat ‘keren wij na uw overlijden uit aan de persoon die op uw pensioendatum uw echtgenoot of partner is’. – Na uw overlijden. Tikje wrang vind ik het wel. Er is namelijk best kans dat ik eerder sneef dan de persoon die mijn echtgenote is. Het is goed daar eens bij stil te staan. Zeker. Maar liever niet.
Ik moet denken aan mijn vorige stukje waarin ik schreef dat een mens niet te veel moet tobben over de toekomst en zich beter kan concentreren op het hier en nu. Maar wat als ik hier en nu moet nadenken over de risico’s van mijn toekomst? Ik geloof dat ik maar eens de eendjes ga voeren.


donderdag 15 december 2016

Prematureluurs

Al honderd keer gelezen dat ik het niet moet doen. Een flinke cursus mindfulness gehad om het af te leren. En toch kan ik heel wat tijd vermorsen met getob over mogelijke moeilijkheden. Er lopen allemaal beren op de weg naar morgen, bruine, zwarte, paarse misschien zelfs. Er kan dit gebeuren, en dat, en zus kan misgaan, en anders zo wel, en als er maar niet X, of Y, of erger nog: Z...

Zo zit ik soms te miezemuizen. Het baat niet als ik me voorhoud dat de werkelijkheid waarschijnlijk zal meevallen en dat ik me beter niet prematuur druk moet maken over zaken die zich wellicht helemaal niet zullen voordoen. En toch maak ik me van tijd tot tijd prematuur druk om wat zich allemaal kán voordoen. Om tureluurs van te worden. Prematureluurs.
Ik had het met de herfst. Op een mooie, jasloze dag in het late najaar werd ik pardoes bevangen door het besef dat het een van de laatste behaaglijke dagen was. Al snel zou de natuur zich naar de kalender voegen en een huivering door de dagen jagen. Het zou grauw en miezerig zijn, de bomen zouden hun tooi verliezen en overal zou het ruiken naar nattigheid en stervend blad. Een vooruitzicht om van te somberen, en dat deed ik dan ook op deze mooie dag, die er prompt minder mooi van werd. Maar toen het daadwerkelijk kouder, grauwer en natter werd en de straten en paden inderdaad vol dood blad lagen, bleef de somberheid uit. Het hád ook wel iets, dit seizoen van de vergankelijkheid en de weemoed. Voor niks getureluurd.
Of het feestje van onlangs. Ik had opgezien tegen al die ontmoetingen, al dat gepraat, al die indrukken en de kruim die het allemaal zou kosten. Toen het moment daar was, bleek het feestje natuurlijk top, met allerlei plezierige tête-à-têtes, de nodige humor en een aangename ontspannen sfeer.
Zo herinner ik me ook goed hoe ik voor een opknapbeurt een paar dagen doorbracht in een longrevalidatiecentrum en daar nogal afknapte omdat ik daar mijn toekomst zag: vijftigers die sjokten als tachtigers, deze en gene een rollator, anderen een scootmobiel, menigeen aan de zuurstof. Inmiddels is die toekomst mijn heden geworden, inclusief gesjok en rollend materieel: niet best, maar minder armzalig dan gevreesd.

Maal niet over morgen – ik heb het niet alleen honderd keer gelezen, maar ook al een paar keer opgeschreven. Nu weer hier. Hier en nu. Hier en nu. Hier en nu.

zaterdag 10 december 2016

Een heel klein beetje beroemd

Het recente blogbericht dat ik voor tien mille op de bon was geslingerd wegens te weinig aandacht voor kleindochtertje Madee, werd via Facebook druk aangeklikt en oogstte ook nogal wat reacties. Dat kreeg Madee zelf ook in de gaten. Ze inspecteerde de hele sliert reageerders, keek me nadenkend aan en vroeg toen: “ Ben jij beroemd, opa?”
Moeilijke vraag. De verleiding van een gretige bevestiging was groot. Zo vaak doet de kans zich immers niet voor om zomaar een held te zijn voor je kleinkind, een glamouropa, in heel Europa niemand zo popi als hij! Maar de notie dat hoogmoed ooit voor de val komt zit er bij mij diep in, zodat ik het maar hield bij een mompelend: “Een heel klein beetje maar.” Daarmee was de kous voor haar meteen af, want een heel klein beetje roem is geen roem, dat weet zelfs een kind.
Zo zat ik ineens met het onderwerp ‘roem’ opgescheept. Op mijn werkkamer staat een kleine buste van Vondel, een erfstuk van mijn eerste schoonvader, die Neerlandicus was en me behalve dit beeldje ook een meter verzamelde werken van de grote dichter naliet. Ja, Vondel, dat was nog eens een beroemde schrijver. Het mooiste park van het land draagt zijn naam, net als tal van deftige lanen. Hij leeft ook voort in citaten zoals ‘De Wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.’ Maar ik sla die mooie, overgeërfde ‘volledige en geïllustreerde tekstuitgave in tien deelen’ nooit open, dus aan mij heeft Vondel met al z’n status niks.
Wat is roem? Felbegeerd, dat in elk geval. Het blijkt alleen al uit al die talentenjachten waarin mensen proberen te ontsnappen uit het doffe bestaan der naamlozen door te reiken naar het glanzende droomleven van de Bekende Nederlander. Talloze populaire bladen en tv-programma’s leven van de roem, Ook serieuze media berichten graag over de wereld van de glamour. Iemand die vaak op tv is schrijft een boek over iemand anders die vaak op tv is en binnen de kortste keren voeren ze samen de bestsellerlijst aan.

Ik zou graag langs mijn neus weg zeggen dat roem, zelfs een heel klein beetje roem, me koud laat. Het heeft namelijk wel statuur als je de achting van anderen niet nodig hebt voor het eigen welbevinden: dat tekent de ware onafhankelijke geest. Echter, zo onthecht ben ik nog niet en zal ik ook wel niet meer worden. Sterker, ik schrijf het ene blog na het andere met het naakte doel gelezen te worden. Dit is aflevering 444. Met een béétje doorwerken moet die meter verzameld werk nog lukken.

woensdag 7 december 2016

Dom geluk

Dan buigen wij ons vandaag over het onderwerp Dom Geluk. Dat laat zich definiëren als een kortstondige toestand van uiterst lichte euforie om een reden die amper de praat waard is.
Ik begrijp dat dit uitleg behoeft. Laat ik een voorbeeld geven. Ik rijd naar fysiotherapie en zie dat ik pal voor de deur kan parkeren. Dat is uniek, want die parkeerplaats is vrijwel altijd bezet. Het is echter aan de overkant van de straat, ik moet een blokje om rijden. Daarbij loop ik het risico dat een ander me vóór is en ik nóg eens moet omrijden met alle ergernis van dien, maar ik doe het, ik waag de gok, leven is durven. Met kloppend hart ben ik twee minuten later terug op het uitgangspunt, maar dan aan de overzijde. En het zit mee, mijn plekje is nog vrij. In mijn hoofd, net onder mijn kruin, klinkt heel zachtjes Yes! Een kortstondige toestand van uiterst lichte euforie om een reden die amper de praat waard is.
Iedereen zal dat wel eens hebben, zo’n innerlijk pleziertje om iets onnozels. De kilometerteller van onze auto bereikt de 100.000. We halen er de krant niet mee, laat staan de geschiedenisboeken, maar als het bijna zover is, kijken we gebiologeerd naar het dashboard tot al die negens op nul springen en dan stoten we onze geliefden aan en roepen: hon-derd-dui-zend! Ik heb het yes!-gevoel ook wel eens als ik een nieuw potje marmelade opendraai. Als ik ergens een kreukvrij biljetje van vijf euro krijg. Als ik de hand naar de liftknop uitstrek en precies op dat moment de lift arriveert.
Brillenglazen poetsen en dan de wereld opnieuw bekijken. Wegrijden op net opgepompte fietsbanden. Het horloge opwinden en de tijd bijstellen. Allemaal voorbeelden van hoe de geringste zaken een snuifje goed gevoel kunnen opleveren: geluk met een heel klein g’tje. Ik heb het al met mijn initialen, die ik ook meegaf aan mijn zoon, die ze op zijn beurt doorgaf aan zijn dochters, zodat vooralsnog mijn hele Nachwuchs MD heet.
Uit ijdelheid keek ik zojuist nog even of Google iets had met MD, of EmDee. En ja hoor, Emdee blijkt een merk te zijn voor elastisch verband en braces. Met als intrigerend credo (ongecorrigeerd): ‘Emdee behartigd ook de eeuwen oude zin, welke de draagbaarheid en kwaliteit behartigd.’ 
Yes!

maandag 28 november 2016

Een bukuring van 10000 euro

Als stukjesschrijvers over hun kleinkinderen beginnen, kun je beter snel doorbladeren. Alsof het een natuurwet betreft, bloezen zulke stukjes altijd over van schattigheid en vertedering en bestaan ze eigenlijk uit één langgerekt aaahhh... Daar moet je maar tegen kunnen, dus click gerust door naar iets substantiëlers.
Want – ik zeg het fluisterend – ik wou het voor één keer, en daarna nooit meer, heus, beloofd, hand op mijn hart, hebben over Madee, mijn zes jaar jonge kleindochter.
Toen zij van de week hier was, was ik zelf niet erg in vorm. Moe van niks, zoals je dat hebben kunt met sommige kwalen, hing ik zwijgend in een stoel en noteerde werktuiglijk toe hoe zij verderop in de kamer zat te spelen. Zij was politieagent en leidde de boel in goede banen, begreep ik nog net – de finesses ontgingen me.
Na een tijdje pakte ze een paar memovelletjes en begon van alles op te schrijven. Sinds ze kan lezen en schrijven, leest en schrijft ze met een hartstocht waarvan ik graag zou claimen dat die in haar genen zit, maar daar ben ik niet helemaal zeker van. Enfin, toen ze klaar was, kwam ze op me af en overhandigde me met een plechtig ‘alstublieft, meneer’ haar notities. ‘Bukuring’ stond er boven. De bekeuring was meteen ook als vermaning opgesteld, zo las ik: ‘Niet stil zijn. Dus praaten.’ En omdat ik me daar niet aan had gehouden, kreeg ik een boete die me mores zou leren: 10000 euro, nu betalen! De afronding was wel weer huiselijk: ‘Groetjes, politie.’
Een goede grap is behalve komisch ook een beetje tragisch: wekt een glimlach op en schuurt tegelijkertijd. Zo was het met Madees bukuring ook gesteld. Het was geestig dat een zesjarig meisje haar opa op de bon slingerde wegens verregaande ongezelligheid. En het was een beetje droef dat dit vergrijp voortvloeide uit een fysieke beperking en opa daarom niet voluit viel aan te rekenen. Maar opa voelde zich betrapt voelt op nalatigheid, en dat schuurde, wat het tragikomische effect compleet maakte.

Morgen komt ze weer. En dan verzamel ik al mijn energie en ga ik restaurantje spelen en opa was de kok / Bokkenwagen spelen met opa als de bok /In heel Europa, haar ouwe opa /Niemand zo aardig als hij!

zaterdag 26 november 2016

Alex Roeka en het lied van de kansen

Het is al twee dagen geleden en toch dansen er nog flarden van zijn songs door mijn hoofd, deinende strofes over de liefde en het leven en de lusten en de lasten, geschreven en gezongen door Alex Roeka, gehoord in het Eindhovense Parktheater.
Het is bepaald niet de eerste keer dat ik het over hem heb. Voor die eerste keer moeten we helemaal terug naar 1994, toen ik hem zag optreden tijdens een poëziefestival. Hij was nog nagenoeg onbekend, had nog geen CD en amper een programma, maar ik was verkocht. “Even onbekend als geweldig,” noteerde ik toen in HP/De Tijd. “Onthou die naam. Boek die man.”
Die eerste CD kwam en de volgende negen ook, tot en met het album ‘Voort!’, waarmee hij nu door het land trekt. Hij haalde er twee Edisons en de Annie M.G. Schmidtprijs mee, plus een hele stapel lovende recensies.
Hij is dus inmiddels behoorlijk bekend. En ik vind hem nog steeds geweldig. In zijn jongste werk lijkt hij beter dan ooit op dreef. Het ademt zijn oude fascinatie voor de zelfkant en ‘de schoonheid van de val’, maar kent ook tere momenten, en erupties van levensdrift: van ‘dansen op de kookplaat van de hel’.
In het Parktheater werd ik vooral gegrepen door het laatste nummer: Lied voor de komende tijd. Dat gaat, de titel ten spijt, vooral over het hier en nu, waarin het leven herboren wordt terwijl het vergaat: ‘Elk moment is van alles opnieuw het begin.’ Dat vond ik wel een montere gedachte. Als de ene dag eindigt, neemt de volgende alweer een aanvang, en morgen idem dito. ‘In dit moment,’ zong hij. ‘zul je mee moeten dansen / Op het lied van de kansen dat je steeds weer vergat.’
Er volgde een toegift waar ik het een beetje te kwaad mee kreeg, een wat ouder lied dat me altijd al aansprak, maar waarin ik deze avond het eb en vloed van mijn eigen recente tijd herkende, versterkt door de weemoedige cadans van de ballade en Alex z’n hese fluisterzang:
Gestreeld en gekrast door de liefde
Gestreeld en gekrast door de tijd
Gestreeld en gekrast door het leven
Dat speelt met je dromen
Gestreeld en gekrast
Zie zijn speellijst: http://www.alexroeka.nl/nl/speellijst


dinsdag 22 november 2016

Sylvana en het grote misnoegen

Lastig onderwerp: Sylvana Simons. Vooral sinds zij politiek actief is voor de op allochtonen gerichte partij DENK, wekt ze ongekende reacties los, oplopend van ergernis en woede tot regelrechte haat en racisme. De bronnen van al die boosheid variëren ook: van de aanhang van Zwarte Piet tot extreem rechts – zo extreem dat in die hoek zelfs de Ku Klux Klan te hulp wordt geroepen.
Wat ik lastig aan het onderwerp vind, is dat Sylvana me ook regelmatig irriteert, maar dat ik mezelf op dat punt niet helemaal vertrouw: ai, ben ik soms in het diepst van mijn gedachten niet zo politiek-correct?
De Volkskrant probeert de anti-Sylvana-stemming vandaag te duiden en stelt onder meer dat een felle vrouw zoals zij meer weerstand oproept dan een scherpe mannelijke debater. Een reactie die door de sociale media snel wordt verspreid. Daarbij behoort ze ook nog eens tot een (zwarte) minderheid, en dat helpt evenmin. In het AD wijst columnist Özkan Aykul erop dat zij een impopulaire boodschap combineert met een pedante uitstraling en een hang naar publiciteit: een recept voor brede aversie.
Zelf denk ik dat er ook nog iets anders speelt. De progressieve gemeente, die Sylvana als gelijkgestemde meenden te kennen, schrokken toen zij zich bekende tot DENK, een partijtje met niet zo progressieve opvattingen en bovendien een afsplitsing van de PvdA: afvalligen dus. Dat kostte haar veel sympathie ter linker zijde. Extreem-rechts had er met haar een nieuwe vijand bij. Bovendien wekte ze bij het midden antipathie door met gestrekt been te ageren tegen Zwarte Piet, belichaming van een gekoesterde vaderlandse traditie. En dan straalt ze ook nog eens een koele grimmigheid uit die niet wordt getemperd door humor of relativeringsvermogen, en ook dat kost haar punten.
Rond de mooie, kleine gestalte van Sylvana Simons hoopt zich zo een heleboel misnoegen op. Misnoegen over te geëmancipeerde vrouwen. Over allochtonen die almaar rechten opeisen. Over politieke overlopers. Over de bedreiging van het Nederlandse erfgoed. Over ijdele mediafiguren. Over drammerigheid.

Ik vrees dat ik iets herken in die ongenoegens. Ik voel me ook wel eens ongemakkelijk bij het tempo waarin Nederland multicultureel wordt. Maar ongemak en misnoegen opkloppen tot rabiate razernij gaat alle perken te buiten – ook en vooral die van de Nederlandse traditie. Wat dat betreft heeft de kritische Sylvana in al haar beheerstheid tot dusver meer klasse getoond dan haar critici.

zondag 20 november 2016

Foute boel

Daar zaten we dan, vijftig mannen van boven de vijftig met allemaal hetzelfde probleem: prostaatkanker. Plus een aantal echtgenotes die indirect met hetzelfde euvel kampten. Er was maar één aanwezige zonder die kanker en dat was de spreker, dr. Laurent Fossion, uroloog/oncoloog, gespecialiseerd in prostaatoperaties.
Ondersteund door een powerpointpresentatie gaf hij een exposé over de wijze waarop zijn ziekenhuis, het Máxima Medisch Centrum, de prostaatzorg had georganiseerd. Het leverde een geruststellend beeld op van moderniteit, kwaliteit en deskundigheid. Terwijl ik de passerende cijfers en beelden in me opnam, realiseerde ik me dat het zaaltje vol zat met de hoogstpersoonlijke ervaringen achter al die data, met de schok van de diagnose, de krater van onzekerheid, de angst, het verdriet, de aanhoudende onrust.
Rond deze tijd, vijf jaar geleden, werkte ik aan een egodocument voor het kerstnummer van HP/De Tijd, over hoe ik die zomer door prostaatkanker was overvallen. Het begon met onduidelijke klachten in, zeg maar, het vooronder. Het ging verder met een toucher en een dozijn biopten. En het mondde uit in de gevreesde diagnose: foute boel. Een paar weken later sneed genoemde dr. Fossion de foute boel uit mijn lichaam. Althans grotendeels – er bleken er een paar lymfeklieren besmet. Ik was behandeld maar niet genezen.
Over het vervolg konden de vijftig mannen in het zaaltje meepraten. De bijkomende schade van de operatieve prostaatverwijdering. De effecten van de hormoonkuren die de resterende kankercellen koest moesten houden. Zien te leven met ongemakken, beperkingen en verlies. Zien te overleven, van controle naar controle. Zien goede moed te houden. Bijvoorbeeld door inspiratie op te doen in gesprekken met lotgenoten. Want een aantal van de aanwezigen in het zaaltje kende ik al van maandelijkse bijeenkomsten in De Eik, een Eindhoven inloophuis voor mensen met kanker en hun naasten. Dat waren vaak mooie sessies. De één leefde al twaalf jaar op hormonen, de ander had goede ervaringen met een nieuw medicijn, een derde tipte een bijzondere specialist, een vierde was blij zijn verhaal eens kwijt te kunnen en weer een ander kwam voor het eerst en laafde zich aan alle nieuws.

In de pauze begroetten kennissen elkaar. “Leuk dat je er ook bent,” zei iemand me, “alles goed?” Ik knikte: “Het meeste wel.”

donderdag 17 november 2016

Ik ben de boze burger alweer beu

Sinds de onthutsende zege van Donald Trump gaat het in de media voortdurend over de boze burger die het establishment beu is en kiest voor een rouwdouwer die alles, believe me folks, he-le-maal anders gaat aanpakken.
Ja hoor, denk ik dan, we spreken elkaar wel weer over vier jaar, als deze rouwdouwer de vele scherven van zijn porseleinkast mag overdragen aan zijn opvolger.
In Nederland klinkt ook al de deemoed van omroepbonzen en andere duiders die menen dat de politiek en de media de burger eendrachtig in de kou hebben laten staan. Daar stond onze burger dan eenzaam te klappertanden in de kilte van de nieuwe tijd, onzeker over zijn plek tussen al die nieuwkomers van heinde en verre, onzeker over wankelende waarden en tradities, onzeker over baan en inkomen en zorg en toekomst, eenzaam en onzeker en daarom maar boos, want daar kon hij tenminste nog wat mee, de boze burger. Weg met de elite, weg met de politiekcorrecte kliek, weg ook met die buitenlanders, minder!, minder!
Maar ik ben hem alweer beu, die boze burger. Hij heeft groot gelijk dat we moeilijke tijden beleven, maar groot ongelijk als hij naar zondebokken en simpele oplossingen wijst. Het probleem van de immigratie is veel te complex om het met een oneliner af te doen. Zo stelt ook de vergrijzing ons voor maatregelen die lastig maar onontkoombaar zijn. De ecologie vergt durf en daadkracht in plaats van laksheid en ontkenning.
De boze burger denkt dat geopolitieke vraagstukken aan de toog van het buurtcafé kunnen worden opgelost en wel door de gast met de grootste mond en de mafste kuif en het motto dat alles de schuld van hullie is. Dan kun je die kuif wel een loze praatjesmaker vinden, maar het is de boze burger die de kuif tot koning kroont, of tot president van Amerika, of heremetijd tot premier van Nederland.

Koning Kuif. De boosheid aan de macht. De teleurstelling laat zich voorspellen. En dan krijgt de boze burger het pas echt moeilijk. 

zondag 13 november 2016

Een toost op de laatste heer

Foto Flickr (Javier Estraviz)
Waar we het ook eens over moeten hebben is het stille verscheiden van de heer. Ik bedoel niet de Heer, al gaat het Hem ook niet voor de wind, maar de menselijke variant, de welgemanierde, goed geklede, beschaafde man, internationaal bekend als gentleman.
Het viel me gisteren weer eens op in de schouwburg. De meeste vrouwen in het publiek hadden nog wel hun best gedaan op hun kledij, maar negen van de tien mannen staken in uitverkooptrui en afzakspijkerbroek. Veel mannen lijken het gevoel te hebben dat ze zich aanstellen als ze een mooi jasje of dasje dragen en trekken nog liever een juten zak dan een pak aan.
Het is een uitvloeisel van de informalisering van de samenleving, die heel wat normen en waarden snel heeft doen verouderen. Ook de omgangsvormen zijn in de loop van de tijd veel informeler geworden. Het heeft het sociale leven losser, soepeler, gemakkelijker gemaakt. Maar met het verdampen van oude principes en etiquettes zijn ook wel kwaliteiten teloor gegaan.
Zo is de heer aan het verdwijnen. Oh, hij is er nog wel, de man die zich met aandacht kleedt, zorgvuldig spreekt, met charmes strooit en de juiste manieren kent, denk aan Adriaan van Dis, maar hij is een exoot aan het worden, een amusante zonderling, een nar met een vlinderdasje en een handkus.
De enveloppen op mijn deurmat spreken me nooit meer aan met ‘weledele heer’, zelfs zelden nog met ‘dhr.’, maar beperken zich meestal tot mijn naam, wat ik toch wat kaal vind. De heer in het verkeer heeft plaatsgemaakt voor de bellende bumperklever en de toeterende aso. Ja, het gaat nog wel eens smalend over ‘hoge heren die hun zakken vullen’, maar dan draait het duidelijk niet om verfijning en beschaving. En ja, de oudeheer, die leeft ook nog, echter meer als vader dan als gentleman-op-leeftijd. Verder wordt de term ‘Heren’ bijna alleen nog gebruikt in de sport, als aanduiding van een mannenteam met niet per se goede manieren, en bij de toiletten. Waar ook wel eens een jongeheer wordt gesignaleerd.

Ik hef mijn glas op de laatste heren: de flaneur met zijn wandelstok, de éminence grise, de man met stijl, van klasse zonder opsmuk, de man die eenvoud aan allure paart, de man van de wereld, die niets hoeft hoog te houden omdat hij zelf niveau heeft. Santé, messieurs.

woensdag 9 november 2016

Niet over Trump

Nee, ik ga het niet hebben over de Amerikaanse verkiezingen. Het is ál te potsierlijk om als bloggertje te Eindhoven de nieuwe president van de Verenigde Staten de oren te wassen. Ik had wel een gebbetje over McDonald in gedachten, maar dat houd ik maar in de mouw.*
Neemt niet weg dat ik er al de hele dag mee bezig ben. Nu ik me aan een nieuw stukje zet, vallen potentiële onderwerpen één voor één af, omdat ze zo bleek afsteken tegen de sensationele zege van Donald Trump. Maar nee, heus, over hem ga ik het niet hebben, ik ken mijn plaats.
Maar mag ik dan wel iets mompelen, zo onder elkaar, zachtjes, niemand hoeft het te horen? Nou, wat me frappeert is dat Trumps triomf samenvalt met de aanhoudende en nog komende successen van rechts in Europa: Le Pen in Frankrijk, Pegida in Duitsland en Wilders bij ons. Kennelijk is het een mondiale trend dat een breed publiek zich miskend voelt door de zittende macht en lucht geeft aan zijn woede zodra de juiste politicus het ventiel opendraait. De progressieve elite met haar kosmopolitische agenda heeft het lang genoeg voor het zeggen gehad. En wat is het resultaat? Dat de wereld onveiliger en onherkenbaarder is geworden. Nu moet de slinger weer terug. Weg met al die immigranten en zachte maatregelen en nieuwlichterij.
Zoals het oude, conservatieve establishment ooit knarsetandend plaatsmaakte voor de progressieve beweging, zo zijn die progressieven op hun beurt de oude hap geworden en rijp voor aflossing door de volgende garde, met The Donald als kersverse leidsman. Het is alleen geen avant-garde, want ze wil niet vooruit maar terug: Let’s make our country great again. Terug naar een mythisch vroeger, toen alles nog goed en overzichtelijk was. Het is een heimwee dat zichzelf wel zal ontmaskeren.
Nou ben ik toch alweer de halve wereld aan het duiden als bloggertje te Eindhoven met anderhalve lezer (namelijk u en mijn kleinkind). Sorry, ik liet me even gaan. Volgende keer een kleiner onderwerp, gewoon iets over leven en dood, een simpel stukje – beloofd!

* Dat houd ik maar in de mouw’ zou Maurice de Hond met zijn pleidooi voor simpeler spellen willen veranderen in: ‘Dat haud ik maar in de mauw.’ Maar dat oogt toch wel erg faut.

zondag 6 november 2016

Adieu dokter Dirk de Munck

Zaterdag afscheid genomen van dr. Dirk de Munck, longarts bij het Máxima Medisch Centrum. Hij gaat met pensioen, dat wil zeggen: hij blijft achter de schermen nog wel actief voor het ziekenhuis, maar stopt met de directe patiëntenzorg.
Dat is voor ons nogal een moment. De Munck kwam twaalf jaar geleden in ons leven toen Ingrid met ernstige longklachten naar hem werd doorverwezen. Dat was een stormachtige entree, want de diagnose luidde: longkanker. De tumor was fors en levensgevaarlijk; er was maar een paar procent kans op overleving. “Maar,” bespiegelde De Munck, “de kans op een hoofdprijs in de Staatsloterij is ook maar klein, en toch zijn er altijd weer winnaars.”
Een zware tijd brak aan, met een operatie, bestralingen, chemokuren en allerlei gevolgen vandien, maar al tamelijk snel klaarde de hemel op, want de kanker smolt zienderogen. Sindsdien bracht elke halfjaarscontrole goed nieuws. Ingrid werd De Muncks paradepaardje, dat hij artsen-in-opleiding graag presenteerde. “En wat leren we hiervan, jonge dokter? Dat wij onze patiënten niet te gauw mogen opgeven.”
Mijn casus was niet zo’n successtory. Toen kort na Ingrid ook ik met longklachten bij De Munck terechtkwam, luidde de diagnose: ernstig COPD, ofwel chronische vernauwing van de luchtwegen, niet te genezen en in toenemende mate invaliderend. Wat dat inhield, bleek gaandeweg: van een volledige naar een parttime baan en vandaar naar de WIA. Van een gewone naar een elektrische fiets en vandaar naar de scootmobiel.
Ze waren, kortom, heftig, onze laatste twaalf jaren, en Dirk de Munck maakte er wezenlijk deel van uit. Al die spanningen rond de consulten, de meevallers, de decepties, de wanhoop, de hoop, de risico’s, de kansen: het grote op-en-neer van het leven. En hij stond bij al die kruispunten en haarspeldbochten en wees op besliste toon de weg, realistisch waar het moest, inlevend zodra het nodig was, geestig waar het kon.
Bij zijn afscheid in het Veldhovense theater De Schalm waren behalve tal van ziekenhuiscollega’s ook honderden patiënten aanwezig. Hij kreeg er een ovatie die hem hopelijk lang zal heugen. Dank, Dirk, adieu, het ga je goed.

vrijdag 4 november 2016

Do svidanya, Oleg Popov

Iedereen gaat maar dood tegenwoordig. Nu Oleg Popov weer. De wereldberoemde Russische clown is 86 geworden. Ik lees het en voel me ineens ook stokoud. In de prehistorie, in 1979 zie ik als ik het knipsel opzoek, heb ik hem eens geïnterviewd. Althans gesproken. Eventjes. Het was, geloof ik, het kortste persgesprek uit mijn loopbaan.
Ik trof hem na een optreden in Carré. Hij was pas half afgeschminkt en moe. En nors. En kortaf. Na de eerste vraag: “U hebt me toch net gezien? Noteert u dan wat u hebt waargenomen.” Hij staarde verveeld naar het plafond van de kleedkamer. Ik deed een nieuwe poging en formuleerde een lange vraag over humor en tragiek, de spanning daartussen en Popovs positie in dat geheel. “Interessant wat u zoal hebt waargenomen. Dat moet u maar eens opschrijven, dat zal de lezers interesseren.”
Zo ging het door. Over het verschil tussen Russische en westerse clowns: “U moet beide maar eens bekijken, dan ziet u het wel.” Of Popovs interpretatie van de clown typisch Russisch was? “Ik denk dat ik een Rus ben.” Waarom een optreden hem zo afmat? “Wie werkt, wordt wel eens moe.” Dan, dreigend: “Als dit interview langer dan twintig minuten duurt, haal ik de avond niet.”
Het interview was acht minuten oud. Ik antwoordde dat ik meneer Popov de avond graag gunde en ritste iets te nijdig mijn tas dicht. Popov sperde de ogen verbaasd open. Glimlachte. Nam me bij de schouders en gromde iets. De tolk, verbouwereerd: “Meneer Popov zegt dat u gevoel voor humor hebt. Hij zegt dat hij u mag.” Popov zat hevig knikkend op de punt van zijn stoel en straalde, helemaal ontdooid. Er volgden nog twee vriendelijke minuten. Toen nam hij met een gulle handdruk afscheid.
Zo ging het meestal, zei zijn tourneeleider later. Laatst had een tv-ploeg twee dagen achter hem aan gesjouwd. Hij keerde hen steeds de rug toe. En de beroemde tv-journalist Simon van Collem had vier uur moeten wachten en kreeg toen twee minuten. In die zin was ik nog royaal aan mijn trekken gekomen.
Woensdag jongstleden is hij aan zijn laatste nummer begonnen: de grote verdwijntruc. Dag, Oleg Popov, do svidanya.



maandag 31 oktober 2016

Alle bejaarden stinken

De eerste ergernis van de dag gold de Verschrikkelijke Buurman, die vanochtend om acht uur zijn schuurmachine aanzette en me met een langgerekt mwroewaakkrrrrwieieieiegghhrr de gordijnen injoeg – meer hoef ik de trouwe lezers van mijn feuilleton Huisje Godverdegodver niet te zeggen. En de tweede ergernis bezorgde Arthur van Amerongen me met zijn column in de Volkskrant.
Ik ben geen fan van Van Amerongen. Zijn taalvaardigheid is jaloersmakend, maar hij is me vaak te drollig. Vanochtend leefde hij zijn gevoel voor humor uit op bejaarden. Hij had zijn opa eens opgezocht in een bejaardentehuis ‘waar het, zoals het hoort, naar urine, kool, diarree en rijstepap stonk’. Hij noteerde hoe een ‘struise verpleegster’ grapte: ‘wat is 12 meter lang en stinkt naar pis?’ en meteen het antwoord leverde: ‘Een bus met bejaarden!’ Ze zei het kennelijk inclusief uitroepteken zodat we konden gaan dijenkletsen. Van Amerongen: ‘Later hoorde ik ook nog een andere variant: een polonaise van bejaarden.’
Nee maar, die is goed! Twee moppen over incontinente oude stinkers, het kan niet op! Het kon inderdaad niet op, want Van Amerongen verhaalde óók nog eens met smaak hoe opa tussen het schelden, vloeken en billenknijpen door midden in de conversatie zijn pantalon ‘vol scheet’ en een infantiel liedje aanhief, waarop de geachte columnist maakte dat hij wegkwam.
Het pies- en poepgenre vind ik toch al iets voor grappenmakers die het vak nog moeten leren. Maar grappen maken over incontinente oude en soms verwarde mensen is helemaal onder de maat. Niet dat ik me aangesproken voel, komaan, welnee, totaal niet, hoe verzin je het, ik moet er niet aan denken zeg. Maar ik kom wel eens in een verpleeghuis en ontmoet er wel eens een dementerende bejaarde en vind dat allesbehalve grappig. Het ruikt er trouwens ook niet naar rijstepap en dergelijke. Het enige waar een luchtje aan zit, is dat een gezond iemand (Van Amerongen: ‘Ik ben eigenlijk nooit ziek’) zich vrolijk maakt over gebreken van anderen.
Want dat is wat hij doet als hij zit te schuddebuiken om bejaarden die per definitie allemaal incontinent zijn en een uur in de wind walmen. Zo weet ik er nog wel een paar. Kijk die mankepoot eens met zijn silly walks, of dat lamme mens in d’r rolstoel, of die trage sukkel met zijn rollator: je lacht je een ongeluk.

Arthur van Amerongen is 56. Hij komt nog wel aan de beurt. De zeikstraal.

zondag 30 oktober 2016

Rectificatie

Een rectificatie. Met excuses. Dat is me in mijn lange carrière als blogger niet eerder overkomen. Maar ik kan er niet omheen: in mijn vorige stukje Herfsttroost zat ik er helemaal naast. Het spijt me zeer.
De overvloedige walnotenoogst in onze tuin had me een melancholiek stukje over het najaar in de pen gegeven. De jaarlijkse notenval markeert het aanbreken van de herfst, die op zijn beurt het einde van de zomer impliceert, en daar kon ik me maar moeilijk mee verzoenen. En die herfst verdringt niet alleen de zomer, maar kondigt ook nog eens de winter aan, een seizoen dat nergens voor deugt behalve voor kolenboeren en erwtensoepkraamhouders. Daarom barstte ik een paar dagen geleden uit in een droeve blues over de donkere maanden.
En dan sta ik op deze eerste ochtend van de wintertijd op, schuif de gordijnen open en word begroet door een uitbundige zon. Een ontbijt en een cryptogram later scoot ik met Zoef d’n Twidde over stille paden en wegen omzoomd door groen dat tot een heel palet verkleurt: steenrode struiken, bomen vol bladgoud, paarse heide, een bodem bedekt door okers en bruinen, en al die tinten eersteklas uitgelicht door een lage zon die door het dunner wordende lover glanst. Af en toe stop ik langs een pad om een stilleven in me op te nemen, de ene keer een statige beuk met de helft van zijn loof rondom zijn stam op de grond, dan een heel jong eikje, twijg nog, in vuur en vlam, of een partij grassen die steeds van kleur wisselen. En overal het ruisen van vallend blad. De lichtste blaadjes vallen niet, maar dwarrelen, dartelen, buitelen, dansen. Het is van een schoonheid die zich elk najaar vertoont maar nooit went, een stil spektakel over de cycli van het leven.
In mijn vorige stukje schreef ik dat de kleurentooi van de herfst een troostprijs was die het leed om de verloren zomer verzachtte. Dat moet ik dringend rechtzetten. De herfst is meer dan een troostprijs: het is een prachtseizoen.


donderdag 27 oktober 2016

Herfsttroost

Het zal wel de laatste van deze herfst zijn, de walnoot die Ingrid gisteren nog op het tuinpad vond. Ze voegde ‘m bij de rest die te drogen lag op de convector en zette een streepje op het blaadje waarop ze de oogst van 2016 bijhield: nu 1840 stuks. Imposant eigenlijk, zo’n enorm aantal (steen)vruchten van één boom. Als die zich allemaal tot boom zouden ontwikkelen, werd onze okkernoot vader of moeder van een heel bos, elk jaar opnieuw. Daar ben ik met mijn twee nazaten – of viereneenhalf, de kleinkids meegerekend – maar een broekenmannetje bij.
De overvloedige notenval is een van de troostprijzen waarmee het najaar de treurnis om de voorbije zomer probeert te verzachten. De warme kleuren van de herfst zijn ook al palliatief. Huiverend weggedoken in je kraag wijs je elkaar op al die nuances rood en geel en goud in de kronen van de bomen en roept tegen de wind in dat het najaar ook zijn goede kanten heeft. Met elke vlaag laat er blad los en dwarrelt naar beneden, duizend maal duizend keer, en vormt daar een zacht verend herfstkleed. Ja, het is mooi, maar je weet ook dat het maar even duurt, dat de kleuren snel valer worden, tot ze verdwijnen en de bomen alleen nog kale takken tellen die stakerig naar de einder wijzen. De zomertijd wijkt, de dagen korten, oktober maakt plaats voor november, de maand van dichter J.C. Bloem: ‘Altijd november, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd.’
Ik heb er totaal geen zin in en toch zal ik eraan moeten geloven, zoals elk jaar om deze tijd. Telkens weer neem ik node afscheid van de zomer, maar dit jaar extra. Dat komt doordat ik graag buiten ben, waar het allengs vochtiger en kouder wordt en dus lastiger voor longen die last hebben van vocht en kou. Minder tochten met mijn scootbolide, minder parken, minder bossen, minder lucht: meer minder dan meer. Wat biedt de winter nou helemaal aan meerwaarde? Sneeuw bevalt me maar een minuut of tien en ijspret vind ik een contradictio in terminis. Bij wintersport denk ik eerder aan sjoelen dan aan skiën of schaatsen. Het enige voordeel van de winter is dat het vroeg donker wordt zodat de gordijnen dicht kunnen en je er niets meer van ziet.

Ik ga maar eens googelen op winterslaap, dat lijkt me wel wat.

zaterdag 22 oktober 2016

Een bon voor minister Van der Steur

Bekeuring op de deurmat. Geflitst. Drie kilometer te hard gereden, een ‘sanctie’ van 33 euro. Drie kilometer, het is schandalig, ik weet het, mea culpa, ik zal boeten.

Het is een hele tijd geleden dat ik post van het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Veiligheid en Justitie kreeg, dus ik spel de bon. Feitcode van de beschikking: VA005. Fotofilmnummer: 3037116159. Zaaknummer: 9230045. Administratiekosten: 9 euro.

Administratiekosten? Krijgen opgepakte boeven dan ook een rekening voor hun arrestatie? Het is alsof je een belastingaanslag krijgt die vermeerderd is met een bedrag voor de postzegel, of bij verkiezingen moet betalen voor de stembiljetten en de koffie voor de vrijwilligers.

Nu wil ik er ook alles over weten. Ik vervoeg me bij de site van het CJIB en lees hongerig over de ins & outs van de ‘administratiekosten voor verwerking en inning van financiële straffen’. Die blijken per 1 januari jongstleden door minister Van der Steur te zijn verhoogd van 7 naar 9 euro. Dit onder meer omdat het CJIB duurder uit is door maatwerk bij het binnenhalen van de boetes en doordat het Bureau wat schrijfwerk van de politie heeft overgenomen. Wil ik het nog preciezer weten? Van mijn 9 euro gaat € 5,52 naar personeelskosten, € 2,53 naar ‘het apparaat’, € 0,59 naar het gerecht en € 0,36 naar rente en afschrijving. (En van die € 5,52 personeelskosten is waarschijnlijk € 0,02 opgegaan aan het uitrekenen van deze bedragen.)

Het is heerlijk om dat allemaal te weten, maar ik blijf toch zitten met het rare gevoel dat de overheid me laat betalen voor een betaling aan de overheid. Laten we wel wezen: de salarissen van het CJIB en Van der Steurs ministerie zijn al betaald uit de staatskas. Dat is een potje waarin behalve belastinginkomsten ook verkeersboetes vloeien. Met mijn bekeuring draag ik dus al twee keer bij aan die staatskas. Maar de minister van Veiligheid en Justitie doet er nog een schepje bovenop.


Het zij zo. Maar ik stuur hem zo dadelijk ook een rekening. Blogje over bekeuring: 350 woorden à € 0,50 = € 175 euro. Administratiekosten incluis.

maandag 17 oktober 2016

Mwah

De eenvoudigste vragen zijn soms de moeilijkste. Elke dag vraagt wel iemand hoe het met me gaat, en altijd aarzel ik over het antwoord. Ik kan er me vanaf maken met een luchtig ‘goed hoor’, maar dan zou ik liegen. ‘Beroerd’ is realistischer, maar daarmee breng ik de ander maar in verlegenheid. Dus mompel ik meestal varianten op ‘mwah’, ten teken dat mijn status quo niet overhoudt, maar nou ook weer niet alarmerend is. Het kon slechter. Het gaat. Zozo. Voor mijn doen. Naar omstandigheden. Mwah. Maar zo’n antwoord vind ik óók nogal mwah.

In de meeste vragen naar hoe het gaat klinkt de ingebakken hoop op een positieve reactie door. Dat geldt vooral voor de onuitroeibare klassieker ‘alles goed?’ Dat is een nogal belachelijke vraag aan iemand met het nodige malheur. ‘Of alles goed gaat? Het meeste wel,’ kaats ik steevast terug. Maar goed, die ingebakken hoop op een zonnig antwoord laat zich wel begrijpen. Als het goed met me gaat, is dat fijn voor mij, maar ook voor de ander, die geen narigheid te horen krijgt, waar hij ook weer moet reageren.

‘Hoe gaat het?’ is natuurlijk ook lang niet altijd een serieuze vraag naar ons medisch dossier, maar vooral een vriendelijke frase om een conversatie te openen, een bescheiden blijk van wellevendheid waar we niet te zwaar aan moeten tillen. En het is altijd nog prettiger dat iemand vraagt hoe het met ons gaat, dan wanneer dat niet gebeurt.

Maar ik blijf het een moeilijke vraag vinden – waarschijnlijk omdat ik het echte antwoord moeilijk vind. Het echte antwoord is dat mijn – progressieve – COPD me steeds meer energie kost. Dat er kwaadaardige cellen in me sluimeren, die weliswaar met medicijnen worden onderdrukt, maar dat die medicijnen op hun beurt spieren en gemoed belagen. Dat er diverse lymfeklieren en zenuwen zijn uitgevallen met allerlei stoornissen vandien. Zodat, kortom, de dagen aaneenhangen van ongemak en gedoe. Dus hoe het ècht gaat? Beroerd.

Maar dat zeg ik niet, ik zeg: ‘het kon slechter’.

Maar ai, het kon ook zoveel beter.


woensdag 12 oktober 2016

Kontkuskrengenland

Eigenlijk had ik een ander stukje in gedachten, een bekommerd blogje over mogelijkheden die van lieverlee verherfsten tot beperkingen, een variant op een thema dat ik wel vaker bezing, maar bij een verkeerslicht diende zich een dringender onderwerp aan: de achterruitslogan.

De achterruitslogan is net zoiets als de bumperklever. Op deze plek beschreef ik al eens mijn verbijstering over een bumper waarop de wijsheid ‘IK TANK DUS IK BEN’ stond geplakt. Dat iemand deze verbastering van Descartes’ beroemde uitspraak ‘Ik denk dus ik ben’ voor humor hield, was tot daar aan toe, maar dat deze tanker dag in dag uit dezelfde grap rondbumperde, begreep ik niet meer.

Maar nu stond er vóór me bij het verkeerslicht een heel klein, gedeukt autootje met op de achterruit twee teksten. De eerste hield het kernachtig bij ‘KISS MY ASS’, de tweede was wat wijdlopiger, maar niet minder uitgesproken: ‘WARNING: FROM ZERO TO BITCH IN 3 SECONDS.’

Met zoiets ben ik uren zoet, want ook al zijn de voorruitmotto’s niet mis te verstaan, ze roepen toch allerlei vragen op. Allereerst: waarom worden hier allemaal hoofdletters gebezigd? Zinnetjes in kapitalen beelden heftigheid uit. Acute crisis. Onverholen woede. Dreigend levensgevaar. Maar die heftigheid spreekt ook al uit de onderhavige teksten, want die maken zonneklaar dat de chauffeur, waarschijnlijk chauffeuse, schijt aan ons heeft, c.q. buitengewoon explosief van aard is. Dus de hoofdletters zijn dubbelop en werken alleen maar inflatoir, net zoals wanneer de exclamaties van zes uitroeptekens waren voorzien.

Een andere vraag is waarom iemand de behoefte voelt om tuffend door het land elke passant de vinger!!!!!! te geven. De meeste mensen willen een goede indruk op anderen maken. Ze hopen aardig gevonden worden, of slim, of succesvol. Maar deze automobiliste afficheerde zich als een grote bek in een klein autootje, een platvloerse aso met nog een kort lontje ook, en dat was toch een vreemde vorm van zelfpromotie. Wonderlijk ook dat zij in zichzelf zowel een nul als een kreng herkende en daar prat op ging. Nou, gefeliciteerd mevrouw, en een heel fijne dag nog.


Toen sprong het verkeerslicht op groen. Het boze autootje trok pruttelend op en verdween in de verte, naar kontkuskrengenland.  

donderdag 6 oktober 2016

Lul!

Een waarschuwing voor fijnbesnaarde lezers: dit stukje gaat over een, hoe zal ik het zeggen, heikel onderwerp: de lul.

Kan dat nou niet netter? hoor ik al protesteren. Mannelijk geslachtsdeel, penis, roede desnoods? Nee, dat kan niet, want het gaat nou net om dat lullige woordje ‘lul’. Het lid, de piemel, de fallus, ligt zo slecht in de markt dat ‘m vooral meewarigheid ten deel valt, een gevoel dat perfect wordt uitgedrukt in ‘lul’.

Ik kom erop nu ik lees dat het vrouwenblad Viva deze week focust op de vagina en allerlei ‘kutzooi’ daaromtrent. Ze doen maar, maar wie neemt het nu eens op voor de lul? Blogger dezes dan maar. Iemand moet het doen.

Onze goede oude jongeheer heeft een slechte pers. Sla er de Dikke Van Dale maar op na. Bij het lemma ‘lul’ vinden we natuurlijk ‘mannelijk lid’, maar meteen daarna ‘sul, sukkel’, ‘treuzelaar’ en ‘onaangename vent’. Lullig betekent: flauw, onnozel of mal, maar ook naar, vervelend en rot. Wie de lul is, is de pisang of de sigaar. Sta je voor lul, dan sta je voor schut. Een sullige man heet een lulhannes, een lulletje rozenwater of lulletje lampenkatoen. In samenstellingen die beginnen met ‘lul’ volgt meestal iets ‘dat geringschattend wordt gekwalificeerd als onbenullig’, zoals lulkoek of lulsmoes.

Het Puzzelwoordenboek verwijst bij ‘lul’ onder meer naar klootzak, naarling, schobbejak, schoelje, schoft en smeerlap. De Etymologiebank herinnert eraan dat we ook nog slappe lullen, boerenlullen, dooie lullen, droplullen en beschuitlullen kennen. En hondenlullen, bekend van voetbalstadions. En oetlullen. En oude lullen, die extra verlofdagen krijgen. En luldebehangers, ook en vooral buiten de behangerswereld te vinden.


De penis is duidelijk de jandoedel onder de mannelijke genitaliën. ‘Kloten’ klinkt veel krachtiger, net als ‘ballen’. Wie kloten heeft, toont lef en doorzettingsvermogen. Dat kan de slappe lul noch L. Rozenwater jr. van zichzelf zeggen. Dus laten we het voortaan hebben over de fallus, piemel, leuter, paal, pik, snikkel,  apparaat, zwengel, toverstaf, tampeloeres of voor mijn part opperwachtmeester, als we maar niet meer over lullen lullen.

donderdag 29 september 2016

Alles is eindig, behalve het einde

Veel dood in de krant, vandaag. Vele pagina’s over de raket die twee jaar geleden vlucht MH17 uit de lucht schoot en 298 mensen van het leven beroofde: indringend onderzoek, nieuwe feiten, blijvende vragen. En tussen al dat grote nieuws een kort bericht: Koopmans (33) overleden.

Koopmans (33)? Er rinkelt een bel, maar ik weet niet meteen welke. Als ik verder lees, wordt het duidelijk. Het gaat over Eveline Koopmans, kankerpatiënte, bekend van het televisieprogramma Over mijn lijk en van haar veelgelezen berichten op Facebook. Ze kreeg op haar 27ste baarmoederhalskanker. Chemo’s en bestralingen sloegen onvoldoende aan. Eind 2013 kreeg ze te horen dat ze nog hooguit een jaar te leven had; sindsdien leefde ze in reservetijd, en die leek niet op te kunnen. Tot afgelopen dinsdag, toen ze na een snelle verslechtering van haar gezondheid dan toch overleed.

De combinatie van het grote en kleine nieuws grijpt me aan. Twee jaar geleden zag ik vanuit een ziekenhuisbed een televisiebeeld van een stoet lijkwagens met resten van Nederlandse slachtoffers en draaide mijn hoofd om. Ik kampte met gevaarlijke vaatproblemen en kon niet aanzien hoe de dood daar op TV maar af en aan reed en al die verschrikkingen op mijn eigen angst stapelde. Weer een half jaar later las ik over Eveline Koopmans, die een brief had geschreven aan haar ‘lieve kanker’. Ze was dankbaar dat de ziekte haar veel kostbare, intense ervaringen had gebracht, daar kwam het op neer. Het gaf mij op mijn beurt een stukje in de pen, want hoezeer ik Eveliens inzicht ook begreep, zelf vond ik het bedreigde leven toch liever dan de dreigende dood. Die nu dus heeft toegeslagen.

Via haar Facebookpagina kom ik uit bij een mooi interview dat ze deze zomer nog gaf aan Psychologie Magazine. Ze legt daarin uit dat ze na haar fatale diagnose een jaar lang zo intens mogelijk had geleefd, om vervolgens in een donker dal te vallen. Van daaruit was ze opnieuw op zelfonderzoek gegaan en leerde ze geleidelijk aan de tijdelijkheid van het bestaan te aanvaarden. ‘Een leven loopt altijd anders dan je voorspelt. Hoe meer we ons vastklampen aan wat we hebben en verwachten, hoe moeilijker het is om te accepteren dat het anders gaat. Pijn en ongeluk, maar ook geluk en alles wat je hebt, is eindig.’


Alles is eindig: het is een even eenvoudig als moeilijk inzicht. Want het wrange is dat uitgerekend het einde voor eeuwig is.

dinsdag 27 september 2016

Het Land van Oink

Alweer zo’n cadeau van ‘n dag – de nazomer blijft op dreef. Opnieuw zoef ik over groenomzoomde paden naar de randen van de stad, lukraak, zonder route in het hoofd, mijn intuïtie achterna. Door de lanen waar de gemazzelden wonen, via een doordacht park met respectabele oude bomen, voorbij een vijver waar een paar dreadlocks luisteren naar reggae die uit een klein speakertje stroomt, langs een riviertje dat kalmpjes door zijn bedding kronkelt, tot bij een rimpelloze plas met een enkele mediterende hengelaar.

De fietsers die me tot dusver vergezelden, verdwijnen nu uit het zicht. Vóór me begint een verward landschap met nonchalant riet en gemaaide glooiingen waaruit enorme betonnen pilaren, tot twintig meter hoog, oprijzen: de stutten van de viaducten en fly-overs die als een spaghetti van asfalt twee grote autobanen met elkaar verbinden. Je ziet ze amper, maar je hoort ze des te meer, de duizenden auto’s die daarboven langsschichten en een bolognese van geluid over de asfaltspaghetti leggen.

Dit is een oord dat nou eens werkelijk the middle of nowhere mag heten. Ik stop op het aangestampte zandpad diep onder de fly-overs en voel me alsof ik in een verlaten filmset terecht ben gekomen, een vreemd decor dat groen met beton mengt en stilte met geraas en waar de wegen op stelten lopen. Bordjes melden dat de kunstwerken ’t Werdje I t/m VI heten, naar het gebied waar ze bovenuit torenen. Twintig meter hoge zuilen met troetelnaampjes.


En op alle pilaren prijkt graffiti, variërend van eenvoudige tags tot gecompliceerde pieces, geurvlaggen van een subcultuur met een hang naar publieke uitingen. Het is een bekend verschijnsel en toch frappeert het me nu, zoals hier op een dag een (vermoedelijke) jongen naar toe is gekomen om in mollige jarenzestigletters OINK op een pilaar te spuiten, kilometers buiten de stad, midden in het niets, dat wat hem betreft voortaan dus het Land van Oink heet. Zo probeert iedereen op zijn manier wat van het leven te maken.


Mooi is het hier allesbehalve, maar lelijk nu ook weer niet: het is vooral ongewoon, tegendraads, ondersteboven, achterstevoren, binnenstebuiten en andersom. ’t Werdje I t/m VI. Rafelrand. Hier ga ik terugkomen.

donderdag 22 september 2016

Wachtend op Ieniemienie

Het nieuws dat een mens het meest aanspreekt, staat niet in de krant. De tia van oma, het brandje bij de overburen, de zoekgeraakte poes, een sterfgeval in de vriendenkring: ze halen de krant niet, maar zijn in eigen huis wel het onderwerp van de dag. Zo ook de komst van Ieniemienie.

Het gaat nu even niet om de muis van Sesamstraat, want die is er al, maar om die van een nieuw mensje. Dochter Femke en haar vriend Tomas maakten het deze week wereldkundig: ‘Helemaal in de wolken, in april verwachten wij een kindje!’ En wij dus een kleinkind, mag ik daar glunderend aan toevoegen. Het derde. Werktitel: Ieniemienie.

Het verwekken van leven is, denk ik, het enige wonder waartoe de mens in staat is. Daarom reageren directbetrokkenen er ook zo heftig op. Weinig persoonlijk nieuws leidt tot zoveel ontroering en blijdschap als dat van een zwangerschap. Brekende vliezen zijn pas écht breaking news.

Gisteren kwam dochter langs met een filmpje van de twaalfwekenecho waarop het mirakel in beeld werd gebracht. Voor een leek is zo’n opname moeilijk te ontleden, maar met enige duiding van de verloskundige viel in de abstracte grijze contouren toch wat gespartel te herkennen en bleek er onmiskenbaar sprake van beginnend leven. Een overbekend verhaal, en toch telkens weer verbluffend.

Daar stond ik met al mijn 64 jaren te kijken naar de prilste bewegingen van een piepjong embryo: de herfst die het eerste teken van de lente ontwaart. En ook de vader van de dochter die moeder wordt. Zo geven de generaties elkaar al ontelbare jaren het leven door. Het imponerende getij van de tijden.


Nog een beetje confuus van de spartelecho ging ik een eindje toeren op de scoot, naar de zomen van de stad, waar het stil was en kalm. En groen, wou ik schrijven, maar dat groen vermengde zich al met de eerste gelen en bruinen van het najaar. Terwijl de zon de middag verwarmde als was het nog zomer, dwarrelde de herfstblaadjes volop neer. Ook hier was het een komen en gaan, net als in de levens van de mensen. De één reisde naar het einde, de ander naar het begin. Zo zong het een poosje in me voort. Heen en weer, eb en vloed, licht en donker, yin en yang. En ineens dacht ik: het lied van het leven is een duet.

zondag 18 september 2016

Naaldhakken, navels en sneue koppen

Ik ging een vriendin afhalen van het station, was te vroeg en vulde de vacante tijd met het observeren van de medemens, een oude liefhebberij die me in mijn journalistieke verleden nogal eens van pas is gekomen.

De eerste medemens die me opviel, was meteen een wufte mevrouw – daar slik ik medicijnen voor, maar die helpen wat dit betreft niet honderd procent. Ze schreed op naaldhakken bellend door de stationshal en haar lange haren dansten op haar rug. Ze deed me denken aan een Finse met net zulk haar in een hippe club in Helsinki, een sombere blondine die zei dat ze dronk tegen de somberheid, wat niet erg hielp, en die uiteindelijk zachtjes omviel. Maar zij van de naaldhakken was zo somber niet, ze lachte althans heel wat af tegen haar mobieltje.

Bij de ingang van het station stond een Brabantse indiaan, een wat verwilderde man met een lange veer in zijn haarband, iets te zoeken in een van zijn vele plastic tassen. Hij leek me niet op weg naar een trein, meer van ergens naar nergens. Het moest een hele klus zijn, te zwerven door de stad met al dat roerend goed. Maar hij had de tijd, dat was duidelijk.

Er passeerden veel meisjes en zeker de helft droeg een te heet gewassen truitje boven een knipogende meisjesnavel boven een krap kort spijkerbroekje of een hevig gescheurde jeans. Hoe speelden de modegoden het toch steeds weer klaar om mensen een trend te verkopen? En hoe wisten de leraren van die meisjes nog hoe ze moesten kijken met al die meisjesbenen en meisjesnavels in de klas?

Bij de jongens en jongensachtigen in de hal vielen vooral de belachelijke kapsels op. De slapen vooroorlogs geschoren en bovenop een eenzaam bedje krullen, liefst geblondeerd, of een gestileerd vet kuifje. De één zag eruit alsof hij een glimmende drol op zijn kale knikker droeg, de ander deed denken aan de sneue kop van Bert (van Ernie & Bert): een paasei met een toefje pluis.

Toen zag ik mezelf zitten met mijn zilveren manen in mijn scootmobiel, het hoofd schuddend over de jeugd van tegenwoordig, en werd het toch wel tijd dat Marja arriveerde. En guess what? Toen arriveerde ze.

woensdag 14 september 2016

Een schattig sieraad voor uw levenseinde

Nou hebben ze weer wat nieuws bedacht voor de zieke medemens: het pallialiefje. Ik kwam het woord tegen in het blad van zorgverzekeraar CZ en was op slag geërgerd. Wat is dat nou voor een misplaatste woordspeling, om palliatie te verbinden met iets schattigs?

Palliatieve zorg betekent het bijstaan van mensen met een ernstige ongeneeslijke aandoening in de laatste fase van hun leven. Dat is zowel voor de patiënten als voor hun omgeving een zware periode. Het helpt als mensen het probleem samen dragen. Dan moet men er wel open over kunnen praten en dat is voor velen nog moeilijk.

Welnu, om dat ‘taboe’ te doorbreken is het pallialiefje bedacht, een klein armsieraad ‘waarmee u laat zien dat u erover durft te praten’, aldus CZ. Op de site van de bedenkers, een Brabants netwerk van professionals en vrijwilligers in de palliatieve zorg, valt te lezen dat het gaat om een ‘trendy en sympathiek’ leren sieraad met bedeltje. ‘Het is in staat zonder woorden heel veel mensen aan te spreken.’ En dat voor slechts € 4,95.

Het is een beetje lastig, mensen met goede bedoelingen te kritiseren. Ze bedoelen het natuurlijk goed, de bedenkers. Maar een armbandje dragen om te laten zien dat je over je levenseinde durft te praten? Welke doodzieke patiënt gaat dat in ’s hemelsnaam doen? En wie zijn die héél vélen die het kleinood woordeloos aanspreekt? Denken die allemaal: jottem, een pallialiefje, we gaan eens een fijne boom opzetten? Of denken ze juist: jakkie, akelig, wegwezen? En is er nóg een raadsel. Volgens de site is het de bedoeling dat je het sieraad ‘onopvallend, maar wel altijd, bij je draagt’. Maar hoe valt anderen dan op dat je wilt praten? En waarom moet je het altijd bij je dragen als het toch niet opvalt?


Maar goed, van mij mag het, na al die armbandjes en lintjes tegen kanker, AIDS, hart- en vaatziektes, darmkwalen en wat al niet. Het wachten is nog op een stemmig hangertje om impotentie bespreekbaar te maken en een arty stropdas voor mensen die over hun COPD willen praten. Doe mij intussen maar een paar goede oordoppen. 

donderdag 8 september 2016

Linksom of rechtsom

Ik bedoelde het plagerig, en gelukkig begreep ze het, Ingrid, geliefde, anima, steun en toeverlaat, rots in mijn branding. Ik was weer eens iets vergeten waar zij natuurlijk wél aan had gedacht. “Als je mij toch niet had...,” zei ze hoofdschuddend. Waarop ik grijnsde: “Dan had ik wel een ander.”

Een riskante reactie, ik weet het. Er laat zich met gemak een filmscène schrijven die met dit dialoogje start en snel evolueert tot een grimmig relatiedrama met een bloederig einde. Maar het plagerijtje werd niet serieus genomen, het liep allemaal goed af.

Achteraf bedenk ik dat men zo’n wat-als-spelletje ook serieus kan benaderen: wat als het leven een heel andere loop had genomen? Wat als we elkaar nooit hadden ontmoet, of als we vermogend waren geworden, of beroemd, of crimineel? Dan hadden we een ander leven gekregen en daar waarschijnlijk ook wel onze draai in gevonden. Als je bij de volgende T-splitsing linksaf gaat in plaats van rechtsaf, bereik je uiteindelijk een heel andere bestemming. Maar of het daar mooier, lelijker, saaier of spannender is?

Ik werd vanmiddag geïnterviewd over gezondheid in opdracht van een farmaceutisch bedrijf dat meer wilde weten over gevoelens en ervaringen van patiënten. Ik zei dat ik bepaalde klachten te lang had genegeerd en uiteindelijk pas bij een specialist kwam toen er niet veel meer aan viel te doen. Wat als ik me eerder had gemeld? Dan waren me wellicht een hoop zorgen en ongemak bespaard gebleven. Maar misschien was ik dan met mijn supergezonde lijf tijdens een avontuurlijke bergtocht wel van een Alp gevallen met een dwarslaesie als gevolg. Of had ik me met al mijn fitheid wel een knaap van een burnout gewerkt. Ge wit oit noit nie, zoals ze dat in mijn contreien zo filosofisch zeggen.

De meeste mensen plooien hun leven naar hun omstandigheden. Leven is wat je overkomt terwijl je andere plannen maakte, zong John Lennon al. Dat ik nog eens door belommerde lanen zou scooten, zoals vanmiddag, had ik never nooit niet voorzien, en als ik het al gedroomd had, was het een nachtmerrie geweest. Maar het was een mooi tochtje en dat was het.


maandag 5 september 2016

Bogart met rollator

Weer eens een halve dag een hoed gedragen. Dat kwam door Charles Bergmans, een bevriend schoenontwerper en kunstenaar, die een feest gaf en alle gasten vroeg aan te treden met hoofddeksel: ‘feestmuts, pet, hoed, baret, mijter, fez, karpoes, sombrero, tulband, badmuts, sjtreimel of desnoods een zuidwester.’

Ik had een zwierige hoed, ooit gekregen van hoedenmaakster Caroline de Roy van Zuydewijn in ruil voor een lezing over hoeden, een onderwerp dat me al lang boeit. Maar het was een zwart exemplaar, te somber voor de mooie nazomerfeestavond, en dus schafte ik een witte variant aan, een panama, de beroemde hoed van filmlegende Humphrey Bogart.

Het spiegelbeeld feliciteerde me met mijn Bogartlook. Het volgende ogenblik realiseerde ik me dat de avond langer zou duren dan mijn benen wilden, zodat ik aangewezen was op mijn rollator. En Bogart met rollator, dat kon eigenlijk niet.

Maar als iets eigenlijk niet kan, kan het eigenlijk toch ook wél, en dus ging ik naar Charles z’n fuif met panama en rollator, en niemand die het mal leek te vinden. Zelf vond ik het al gauw ook niet meer mal, misschien juist door die panama, want zo’n hoed is goed voor je zelfvertrouwen. Ik zag het ook aan andere feestgangers. Er liepen kekke hoedjes rond, gekke hoedjes, een filmdivahoed, een berenmuts, caps, helmen, een hoedje van papier, een piratenhoofddoek, een hoed als een schaal met fruits de mer, een hoofdtooi als een tuintje, en allemaal straalden ze stijl uit.

Hoeden maken mensen. Charlie Chaplin en Buster Keaton zijn ondenkbaar zonder hun hoedjes. Máxima wordt pas echt koninklijk als ze een van haar galante kingsizehoeden draagt. Prinsjesdag krijgt allure doordat alle vrouwelijke Kamerleden dan naar de hoedenwinkel zijn geweest.

Geen kledingstuk zo dramatisch als een hoed, schreef ik al eens in HP/De Tijd. Weinig mensen worden gevoelig geraakt door een sok of een trui, maar met een hoed ligt het anders: die accentueert een (gedroomde) karaktertrek, kan van een kantoorman een Blues Brother maken en van een lerares Latijn een vamp. Dat komt doordat een hoed de aandacht naar de ogen leidt. Hij trekt een streep bij de wenkbrauwen en balt het gezicht samen tot blik. Clown, cowboy, maffiosi, diva of dandy: wie zijn of haar uitstraling wil versterken, draagt een hoed. Chapeau dus voor de hoed.

Maar of ik ‘m morgen weer opzet achter de rollator, weet ik toch nog niet zeker.