donderdag 26 december 2013

Een onbekende in de brievenbus


Ach, die Jea... Ik vertrouwde het al niet toen ze mijn laatste briefje niet beantwoordde. En nu vind ik op internet haar overlijdensbericht van alweer vier maanden geleden.

Ik kende Jea Kiers alleen via de brievenbus. Rond Kerstmis 2010 schreef ze me voor het eerst. Aanleiding was een verhaal uit HP/De Tijd, waarin ik uit de doeken had gedaan hoe ik, eerder dat jaar, aan een loopbaan als grootvader was begonnen. Een mooie reactie van een mij onbekende lezeres. Het artikel had haar opgebeurd tijdens een ‘allerchagrijnigste’ tijd van medisch malheur, schreef ze. “Precies wat ik nodig had om te beseffen: er zijn ook leuke dingen op de wereld!’ Daar voegde ze nog een aantal hartelijke woorden over mijn kleindochtertje aan toe.

Bij de eerste, tweede en derde verjaardag van Madee en rond de feestdagen bracht de postbode opnieuw brieven van Jea. Behalve origineel verwoorde gelukwensen waren er wat aanwijzingen over de afzendster. Er lichtte een silhouet op van een oudere, alleenstaande dame die ook in ‘het vak’ had gezeten en die plezier in schrijven paarde aan een aanstekelijke levenslust en een gezonde scepsis jegens mooipraters en betweters. Ze had heel wat ziekteperikelen meegemaakt, maar bleef daar monter onder. In de loop der jaren, schreef ze, was er zoveel aan en in haar ’gesneden en geknutseld’, dat je van wat er op operatietafels was achtergelaten een mens zou kunnen opbouwen. Het had haar beperkingen opgeleverd. ‘Maar wat zeur ik. Ik heb nog zoveel boeken waar ik nog nooit aan toekomen ben, of waarvan ik de inhoud straal ben vergeten.’

Haar laatste brief kwam uit een verpleeghuis, waar ze terecht was gekomen na een lelijke val in huis. Het was een oord ´van het soort dat ik altijd verfoeid heb´ maar dat in de praktijk nogal leek mee te vallen. Ze wenste me een leuke verjaardag met Madeetje toe en hoopte ´op een fotografie ter illustratie´. Ik stuurde haar het gevraagde prentje en sloot een begeleidend briefje af met: ‘Nou Jea, knap flink op zodat je je oude leven weer kunt hervatten.’


Daar kwam geen antwoord meer op. Op een vervolgbriefje evenmin. Twee maanden nadien is ze overleden, lees ik nu in de overlijdensadvertentie, in de lieve leeftijd van 85 jaar, ‘aan het eind van haar krachten, maar ongebroken van geest’. Dag, Jea, en bedankt, ook namens Madee en haar ouders.

zaterdag 21 december 2013

Als God een vrouw was...


Er schiet me een kop voor een kerststukje te binnen: “Als God een vrouw was...” Een prikkelende kop, vind ik, maar wat voor stukje schrijf ik erbij? Mijn goddelijkheid kent z’n beperkingen, mijn vrouwelijkheid nog méér, zodat ik het antwoord niet direct bij de hand heb.

Even piekeren. Vooropgesteld dat we het hier natuurlijk hebben over de God der rooms-katholieken, zoals bekend de enige ware, zou in het geval van een vrouwelijke God de hele clerus van pausin tot kapelanes ook tot het vrouwelijke geslacht behoren. Dan was de kerkgeschiedenis niet zo doordesemd geweest van testosteron. Het zou heel wat door kerkheren aangemoedigde oorlogen hebben gescheeld. Ook de vervolging van ketters zou naar valt aan te nemen zachtmoediger zijn uitgevallen als de Inquisitie door vrouwen was geleid. En het seksueel misbruik was beperkt gebleven tot ongewenst knuffelen.

Als God een vrouw was, was Jezus er uiteraard ook één. Het lijkt me sterk de vraag of God de Moeder haar Dochter een kruisdood had gegund. Vrouwen denken bij een kruis namelijk eerder aan voortplanting dan aan fatale martelingen. De Dochter had zich waarschijnlijk niet een gevaarlijke provo getoond, zoals Jesus Christ Superstar, maar was uitgegroeid tot een icoon á la Evita Peron of Lady Di, en dan met een spirituele dimensie. Misschien was ze net als Jezus ook wel dramatisch aan haar eind gekomen, maar dan had ze de kerken in elk geval al die akelige kruisbeelden bespaard. (Dit brengt in herinnering hoe ik eens met mijn zesjarig zoontje door het buitengebied fietste. Toen we een kruisbeeld passeerden, vroeg ik hem of hij wist wie dat was. “Ja hoor,” zei hij, “de broer van Vincent van Gogh.”)

En als God een vrouw was, had haar kerk veel meer aandacht gehad voor natuur en welzijn – begrippen die dichter bij het vrouwelijke dan bij het mannelijke principe liggen. Het is moeilijk voorstelbaar hoe dat de geschiedenis zou hebben beïnvloed, maar het zou goed kunnen hebben geleid tot drie keer zoveel bossen, vogels en schone lucht, plus een hogere gezelligheidcoëfficiënt. Een serieus nadeel: feminiene kathedralen zouden vermoedelijk flink hebben ingeboet aan praal en luister vergeleken met de imposante topkerken die nu tot het werelderfgoed behoren.

Met Kerstmis had er een meisje in de kribbe gelegen. Jezusmina.

Foto: Jana Martish (Flickr)

zondag 15 december 2013

Van de wieg tot het graf


Lieve H, als dat ene fatale moment er niet tussen was gekomen, zou je vandaag jarig zijn geweest. Zes voet onder de grond vier je je geboortedag niet meer, dat begrijp ik, en toch zoek ik je even op. Voor de zoveelste keer 47 geworden, gefeliciteerd.

Soms op haar sterfdag, soms op haar verjaardag en ook wel eens tussendoor: van tijd tot tijd ga ik het graf groeten van de vrouw met wie ik lang was getrouwd, maar niet lang genoeg om haar weduwnaar te worden, want we waren al jaren uit elkaar toen zij plotseling overleed. Haar heengaan kerfde een litteken in mijn leven – en niet alleen het mijne –, zoals het leven wel vaker een moet uitdeelt. Met de herinneringen als pleisters.

Het is nog een hele tippel naar haar plekje aan een rand van het kerkhof, zodat ik de rollator te hulp roep. Terwijl ik traag naar het graf schuifel, bedenk ik dat ik zo een metafoor voor het leven loop uit te beelden. Per slot van rekening schuifelen we allemaal op den duur naar het graf, zij het in verschillende tempi. Om met J.C. Bloem te spreken: ‘En het voorbestemde doel van ’t paren / Is niet minder dan de wieg het graf.’ (Uit Insomnia.)

Aan Bloems graf had ik ook al eens gestaan. Dat was beroepshalve en in het kader van een portret naar aanleiding van zijn 25ste sterfdag. De dichter bleek een begraafplaatsje in het Overijsselse Paasloo te hebben uitgezocht, een aardige plek om de eeuwigheid door te brengen, met oude bomen die elkaar ruisend van vroeger verhaalden en een nog ouder, beeldschoon boerderijkerkje en om Bloem heen namen die even Hollands klonken als de zijne: Pit, Los, Lok, Pen, Poepjes.


“Dat schreef ik in 1991,” zeg ik tegen H, “toen leefde jij nog volop en waren we nog volop getrouwd.” Ze zwijgt, natuurlijk, maar het is toch net alsof ik haar stem hoor tussen de dorre bladeren op de grond en alsof ze zachtjes zegt: “Little did we know.”

donderdag 12 december 2013

Rituelen in een onttoverde tijd


De woningbouwvereniging heeft een metersgrote kerstwens op haar gevel gehangen. De binnenstad hangt vol lampjes, slingers en Kerstmanmutsen. De betere restaurants mailen hun kerstdiners rond. De eerste kerstkaart, met Maria en goddelijk baby’tje, is binnen.

Geen maand is zo opgetuigd met klassieke rituelen als december met zijn Sinterklaasfeest, Kerstmis en Oud & Nieuw. Dat is een opmerkelijk nostalgisch vertoon in een tijd die toch vooral in het teken staat van onttovering en scepsis. Je zou zeggen dat met de grote trends van secularisering, democratisering en informalisering ook de oude behoefte aan rituelen en symbolen was afgenomen.

Inderdaad heeft de moderne samenleving niet veel meer op met mythe, magie, traditie en plechtige gebruiken. Belangrijke momenten als geboorte, toetreding tot een kerk of de universiteit, huwelijk, jubilea en overlijden worden veel soberder en nuchterder gevierd – zo ze al gevierd worden – dan pakweg een halve eeuw geleden. Al worden we op zo’n Kroningsdag wel even geraakt door de luisterrijke rites van de hoogste adel.

Toch blijkt de samenleving niet zonder rituelen te kunnen. Zoals in de tijd van de verzuiling elke gezindte haar eigen gebruiken koesterde, zo ontstonden daarna een ontelbaar aantal minizuiltjes met allemaal hun eigen mores en riten. Ze hanteren vaak een jargon dat aan de kerk doet denken. Zoals de gelovige zich richt tot de Allerhoogste, zo peilt de spirituele zoeker naar zijn Diepste Kern en zoeken beiden naar vervulling en bezieling. In duistere danshallen komen mensen bijeen om in een sfeer van licht en rook en geholpen door de hostie (peppillen) en de kelk (energydrinks) naar de zevende hemel te springen. En in het fitnesscenter wordt de mythe van de eeuwige jeugd bewierookt in een devote eredienst aan het gezonde lichaam, waarbij via zware inspanningen boete wordt gedaan voor de zonden van gisteren: bier, sigaretten en bitterballen. Vervolgens is er ruimte voor vergeving en wordt dat lichaam gestreeld, gewiegd, gekneed, geolied, gereinigd en met geuren besprenkeld in het wellnesscenter.

Eigentijdse rituelen zijn wellicht bescheidener en genuanceerder dan die van vorige generaties, maar het draait er nog steeds om stil te staan bij belangrijke momenten en ieders positie in de maatschappij te markeren: zo zijn wij, zo doen wij dat. Rituelen geven houvast, ritme, rust, geborgenheid en saamhorigheid.

Op het moment dat ik dit tik, loopt de vrijdagmiddag ten einde. In tal van kantoren spoedt men zich nu naar het café voor de vrijmibo, de vrijdagmiddagborrel. Ik bedoel maar.


zaterdag 7 december 2013

Gezocht: een lieve vrouw om mee te zijn


Contactadvertenties – ik bezong ze al eerder – zijn een bron van inspiratie voor wie de verbeelding graag laat spreken. In een paar regels worden hele levens opgeroepen. Neem nou deze: geb., volsl. vrouw, 49 regio zuid, zkt ‘verwen-minnaar/vriend’, 35-55 j, +1.80 m, lich. en fin. prettig bedeeld. Daar valt met gemak een smeuïge novelle bij te bedenken.

Soms lichten in contactadvertenties ook levensbeschouwingen op. Vanochtend lees ik: man, 51, jong van geest, mvhl, zoekt vrolijke, lieve vrouw om mee te zijn. Vooral die laatste vier woorden deden ertoe. Om mee te zijn! Hij zoekt een vrouw om mee te zijn! Ik probeer me een voorstelling van dat ‘zijn’ te maken. Waarschijnlijk komen er waxinelichtjes en wierookstokjes aan te pas, gebreide truien, chakra’s, gesprekken over het innerlijk kind, kussens, gluten, Boeddhabeeldjes, bloesemremedies en dwarsfluiten. En dat alles met een vrolijke, lieve vrouw.

Er is iets raars met ‘zijn’. Het is helemaal gekaapt door wat ik maar de Zachte Beweging zal noemen: dat veelkleurige amalgaam van individuen en groepen die in de ban zijn van alles wat naar spiritualiteit zweemt. Tik ‘zijn’ in op Google en de zoekresultaten bevestigen het. Een van de eerste hits is zijn.org, ‘een samenwerkingsverband van mensen die werken aan bewustwording en groei van zichzelf en die dat willen delen met anderen’. Bijvoorbeeld via workshops tantra, emotioneel lichaamswerk en ont-moet-en, of door met een Mannenkring aan het houthakken te gaan

Een andere prominente hit van Google is een Wikipedia-pagina over Zijn. Wie die gemaakt heeft, blijft onduidelijk, het is in elk geval een liefhebber van stevige kost. ‘Het zijn is de meest eenvoudige staat van alles en iedereen,’ bespiegelt deze Wiki. ‘Het is de ultieme eigenheid die alle onderscheiden begrippen gemeen hebben, wanneer men een abstractie maakt van al hun verdere eigenschappen. Daarom wordt het ook als de ultieme bestaansgrond beschouwd, waarin alles en iedereen verenigd is, in en uit voortkomt.’ – Ik lees het nog eens, maar het staat er echt: het zijn is (-) de ultieme bestaansgrond waarin alles en iedereen in en uit voortkomt. Wat een grandioze formulering!

En dan is er nog zijnenworden.nl, een trainingscentrum ‘met de ambitie om mensen die midden in het leven willen staan te inspireren en te begeleiden om het spel van levenskunst te spelen. (-) Ook jij kunt dit leren!’ Bijvoorbeeld door een training Zijnsoriëntatie, waarin je je ‘natuurlijke staat’ leert hervinden: ‘Het gaat om het leren in contact te zijn met wat er is.’


Lees een paar van zulke tekstjes en je krijgt vanzelf zin in een andere vorm van zijn: wegwezen!

Foto: Flickr (dbnunley)

zondag 1 december 2013

Zal ik ook opstaan tegen kanker?


Zij stond in het duister, maar ik zag haar huiveren in de kou, de collectante van KWF Kankerbestrijding. Of ik ook wilde opstaan tegen kanker middels een donatie. Ik knikte en aarzelde tegelijk. Geld voor onderzoek, prima, maar opstaan tegen kanker?

Dat motto is me ál te opgewekt. Het stelt kanker voor als een lastpost die we al te lang zijn gang hebben laten gaan; maar nu is het welletjes geweest en pikken we het niet meer, basta! We zamelen een berg geld in, financieren daarmee een regiment wetenschappers en reduceren kanker tot een ziekte die niemand meer fataal hoeft te zijn. Ja hoor, ooit hopelijk, maar voorlopig zijn de successen van de kankerbestrijding bescheiden en gaat de helft van de kankerpatiënten nog altijd dood.

‘Opstaan tegen kanker’ past bij de sfeer van positivisme en strijdbaarheid die al jaren rond het onderwerp hangt. Je kunt bijna geen verhaal over kanker lezen zonder dat een betrokkene verkondigt dat het zaak is positief te blijven, keihard te vechten en nooit op te geven. De onuitgesproken boodschap daaronder is dat het je eigen schuld is als je je kanker niet overleeft. Had je maar meer ‘positieve energie’ naar je tumor moeten sturen, had je maar meer ‘in je kracht’ moeten staan.

Het is een donquichotterie die patiënten loze hoop biedt of aanzet tot behandelingen waar ze vooral zieker van worden. Gelukkig beginnen er ook andere stemmen te klinken. In het KWF-blad Kracht verzet toponcoloog Prof. Han van Krieken zich tegen de strijdtaal rond kanker. “Vechten hoort niet bij mensen met kanker,” zegt hij. “Vechten hoort bij dokters, onderzoekers en verpleegkundigen. Dié kunnen knokken voor een nog betere medische zorg. Strijdtaal (-) geeft het valse idee dat als je maar hard genoeg vecht, het dan allemaal goed komt.”

En in de Volkskrant zegt de gewezen longarts-oncoloog Mariska Koster dat die strijdtaal haar boos maakt. “Het is geen strijd, het is pure pech. Of je doodgaat aan kanker staat in de sterren geschreven – daaraan kun jij zelf helemaal niets doen. Als strijdlust doorslaggevend was, zouden heel wat meer mensen genezen.”

Ik denk dat het zinniger is je vechtlust in te zetten voor de kwaliteit van je leven, zeker als dat leven in het ongerede is geraakt. Dan wordt vechtlust levenslust: de wil je rotziekte moreel de baas te blijven en te focussen op het goede en het mooie dat het leven óók te bieden heeft.

Foto: Flickr

maandag 25 november 2013

In memoriam Gerrit Krol: “Schrijven is roeren in je ziel”


Naarmate je ouder wordt, komen er meer doden in je leven. Dat geldt ook voor het beroepsleven. Bij het vorderen van mijn jaren in de journalistiek lees ik vaker een overlijdensbericht van iemand die ik beroepshalve heb ontmoet. Zoals Gerrit Krol, die gisteren aan de beurt was.

Gerrit Krol (1934-2013) interviewde ik in de nazomer van 2006 naar aanleiding van het verschijnen van Rondo veneziano, een kleine roman, en Laatst met een vrouw, een bundeling van zijn columns. De schrijver bleek even aangenaam en eigenzinnig als ik me via zijn boeken had voorgesteld. Wel werd het gesprek bemoeilijkt doordat hij bijna onverstaanbaar sprak, waarschijnlijk een gevolg van de ziekte Parkinson, die hem toen al had getroffen.

In Rondo veneziano converseren de hoofdpersonen wonderlijk genoeg met overleden dichters en filosofen als Brodsky en Pythagoras. ‘Als je overledenen citeert, doe je niet anders dan hen alsnog aan het woord te laten,’ verduidelijkte Krol. Daarom, als in memoriam, hier enkele fragmenten uit het destijds in HP/De Tijd gepubliceerde interview.

Luiaard van nature
Terwijl zijn vrouw Janna een rijke garnalensoep offreerde, citeerde Gerrit Krol zichzelf over het waarom van schrijven: ‘Om het wak open te houden. Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht.’ (Uit: In dienst van de ‘Koninklijke’.)

Hij vond het zelf wel mooi geformuleerd. “Ik hoor niet bij de luilakken,” lichtte hij toe. En na een peinzende pauze: “Hoewel ik van nature eigenlijk een luiaard ben. Ik kom maar moeilijk op gang en moet mezelf daarbij een handje helpen. Als ik dat niet doe, ben ik verloren. Een dag zonder schrijven is een verloren dag. Ik heb wel eens mensen de deur uitgezet om aan het werk te kunnen. Elke avond van zeven tot tien zit ik achter mijn pen. Het zijn piketten in het ijs. Een opgelegde, niet een neurotische werkzaamheid. Ik ben zo gemakkelijk afgeleid – als ik zou doen waar ik zin in had, nou, dan gebeurde er niet veel.”

Het was voor Krols doen een heel verhaal. Vaak beantwoordde hij een vraag met ‘jazeker’, of ‘zo is dat’, of ‘soms wel, ja’, om pas als de bezoeker met een vragende blik bleef zwijgen een – ook weer bondig – antwoord op te graven.
“Weet je wat het met schrijven is?” vervolgde hij. “Het kan morgen ook. Geen hond die om een roman vraagt. Als ik het niet doe, wie dan wel? Nog elke avond ben ik benieuwd wat ik ervan bakken zal. Ik heb het gevoel dat ik op jacht ga. Meestal kom ik met buit terug, soms zonder, maar dan wil ik dat morgen inhalen. De volgende avond begin ik dan uiterst geladen om met een jong hert of een flinke haas over de schouder terug te keren.”

Lachen is heel merkwaardig
Over de lach ging het ook. Als de mens lacht van vreugde, schrijft Krol ergens, waarom heeft hij dan de aanblik van een verscheurend dier? “Dat komt door die tandenrij,” reageerde hij nu. “De lach is een heel merkwaardige uiting. Bij een dierenbioloog heb ik eens gelezen dat je tegenover apen nooit moet lachen. Wat voor ons een bewijs van vriendelijkheid is, is voor die dieren, hoewel ze vlakbij ons staan, een teken van agressie. Je tanden laten zien.”

De glimlach was hem liever. “Er moet af en toe geglimlacht worden. Ik lach niet zo gauw, maar een boek waar ik niet nu en dan om moet glimlachen en soms even moet schateren, daar heb ik moeite mee. Ik heb wat boeken van Coetzee. Die zijn buitengewoon ernstig. Zo’n boek lees ik niet zo snel uit. (-)  Simon Vestdijk is een van de schrijvers bij wie ik regelmatig moet glimlachen. Mijn vriendschappen, schreef hij ook, worden bepaald door lachen; een vriendschap die niet wordt gevoed door het wentelen in leunstoelen, bloedt dood. Wentelen in leunstoelen! Over een afscheid, waarbij mensen elkaar uitwuiven, merkt hij op: dat was geen wuiven, dat was meer klutsen van lucht. Ik kom altijd op voor Vestdijk. Dat werk beklijft bij mij.”

Peinzen
Hij mocht graag een beetje voor zich uit peinzen, vertelde hij ten slot. Als het meezat, welde er een klein inzicht op. Zoals dit, over het lezen van de krant: ‘Want er gebeurt elke dag wel iets. Er gebeurt elke dag wel iets wat niet elke dag gebeurt. Het belangrijkste is dat wat elke dag gebeurt. Maar dat staat niet in de krant.’

“De gedachte van vandaag,” rondde hij af, “is morgen weer verleden tijd. Niet verdwenen, maar bouwsteen geworden. En daar bouw je een wereldbeeld mee op. In mijn geval een heel eenvoudig wereldbeeld. Mijn wereldbeeld is al jarenlang: de hoogste wijsheid is het dagelijkse leven. Nou, zegt een ander dan, had je me dat niet direct kunnen vertellen?”

Foto: Flickr/janGlas




donderdag 21 november 2013

Gerard van Maasakkers, Youp van ’t Hek en het vurige leven


Het is een populair inzicht: carpe diem, pluk de dag, stel het leven niet uit tot morgen. Je weet namelijk maar nooit of je straks wordt geschept door een auto of een dodelijke ziekte. Dus, om een beroemd lied van Youp van ’t Hek te citeren, moeten we dansen en moeten we vrijen / Moeten we lachen en drinken vol vuur / (-) Leef toch je leven als je allerlaatste uur.

In zijn nieuwe programma Allez allez, een ode aan de levenslust, varieert Gerard van Maasakkers op dat thema: ‘Verleg vur mijn part al oew grenzen, / laot de regen op oe plenzen. / Bouw ’n huis van afvalhout, zoek ’n lief, word samen oud. / Doe wa ge altijd al woudt. Straks is ‘t te laat.’

Innemende oproepen, maar ook een beetje loos. Niemand kan het vuur in zichzelf voortdurend oppoken zonder op te branden. Elke dag quasi je laatste glas drinken en je laatste omhelzing aangaan? Die ultieme energie laat zich niet dag in dag uit vinden en aanboren, en al helemaal niet wanneer je werkelijk een dodelijke ziekte hebt en je gestel en gemoed wankelen. Je zal trouwens je kanker verdorie maar overleven – bezwijk je vervolgens aan de uitputting van permanent leven in fortissimo.

Hier thuis kunnen we over een en ander meepraten. Negen jaar geleden kreeg mijn Ingrid de diagnose longkanker. De statistieken gaven haar slechts vijf procent kans op overleving. Aan dansen en lachen vol vuur kwamen we niet toe door de belastende behandelingen. De ernst van levensbedreiging liet zich niet wegfeesten.

Wel gingen we er vaker dan ooit op uit om plezierige, mooie en inspirerende ervaringen op te zoeken. We waren ervan overtuigd dat de rauwheid van het bestaan alleen te verteren valt als je die combineert met de tere, zachte, warme, dwaze en ontroerende aspecten die het leven óók in petto heeft: verspreid over musea, theaters, restaurants, pleinen in avondschemer en stille kronkelwegen door een leeg groen land. We ondervonden ook dat al die goede ervaringen de dagen lichter en inspirerender maakten.


Ingrid bleek tot de uitzonderlijke overlevers te behoren. Vervolgens kwamen er nieuwe witte jassen langs, nu bij mij, en opnieuw met bedreigende diagnoses. En ook nu dansen we niet lachend op de rand van de vulkaan. Maar die cruciale diagnoses maken een mens wel scherp. Ze openen de zintuigen voor kleuren, geuren, klanken, smaken, schoonheid, sfeer: belevingen van het nu die des te meer laten verlangen naar morgen. 

zondag 17 november 2013

Geen zorgen voor morgen


Wat lees ik nu weer in de Volkskrant? ‘Onderzoek maakt duidelijk dat 85 procent van de dingen waarover we ons zorgen maken zich nooit voordoet.’

Het is zo’n zin die een waaier aan gedachten oproept. Meteen zie ik die onderzoeker voor me, een oude geleerde met een bleek gezicht en wallen onder de ogen, gebogen over stapels papieren vol statistieken. Jaren en jaren heeft hij navorsingen gedaan, want doé het maar eens, controleer maar eens welke zorgelijke ideeën er daadwerkelijk uitkomen en welke niet. Tellen alle zorgen, van licht tot zwaar? Zijn er verschillen tussen rijk en arm, man en vrouw, blank en gekleurd? Hoe de casus te beoordelen van iemand die denkt dat hij aan de longen heeft maar te horen krijgt dat het een hartkwaal is? Een hels karwei, maar op een dag heeft onze geleerde het geklaard en presenteert hij trots het resultaat: de meeste zorgen worden geen werkelijkheid.

Je kunt je dus wel wat afvragen over dit onderzoek, maar het onderstreept weer eens dat piekeren over de dag van morgen een zinloos tijdverdrijf is. Je kunt net zo goed in een glazen bol turen in de hoop dat zich daar de toekomst zal ontvouwen. Het enige dat er met zekerheid over de toekomst valt te zeggen, is dat ze nukkig is. We schrijven plannen in agenda’s, maar wie weet, glijden we straks uit over een bananenschil en breken we een ledemaat en krijgen we een heel andere agenda.

Hetzelfde geldt voor kopzorgen. O, o, als het beoordelingsgesprek met mijn baas maar goed afloopt. Als die fietsvakantie maar niet verregent. Als er maar niets mis is nu X al zo lang niet van zich heeft laten horen. Goede kans dat zulke zaken anders uitpakken dan gevreesd. En zoniet, dan reageer je er wellicht anders op dan je vandaag vermoedt.

Dat malen is onzinnig, iedereen weet het, maar niemand kan het laten. Dat vind ik dan wel weer ontroerend. Het hoofd weet het allemaal zo goed, maar de buik voelt er het zijne over: die wil vrijuit hopen en vrezen, dromen en tobben, stralen en miezeren, wikken en wegen wat de dag van morgen zal brengen. In die zin is zorgelijkheid de antipode van de voorpret en vormen ze allebei een zijde van dezelfde medaille.

Nu nog een bleke professor om de voorpret te ontmaskeren door te bewijzen dat van alle zaken die ons voorbarig plezieren 85 procent zich nooit voordoet.

Foto: Jeffrey Veen (Flickr)

donderdag 14 november 2013

Kunst contra kanker: Paul en Menno de Nooijer in het Natlab


In het Natlab is een kleine zaal naar hen vernoemd. Maar de jongste productie van Paul en Menno de Nooijer, Lux, speelt zich af in de podiumzaal van het net geopende, Eindhovense cultuurhuis.

Lux is een multimediaschouwspel. Op diverse doeken verschijnen doorlopend beelden, er klinkt zowel opgenomen als live gespeelde muziek en op het toneel spreken vader en zoon teksten uit en spelen ze scènes.

De voorgedragen teksten komen me bekend voor. Sterker nog: ik heb ze voor een groot deel zelf geschreven. Op deze plek beschreef ik al eerder hoe onze wegen elkaar kruisten: eerst in een oud herenhuis in de Eindhovense Tramstraat en later in het duistere spookrijk Carcinomië. Dat onze zonen ook nog eens dezelfde namen dragen, maakt de krachten van het toeval nog magischer.

In een ver verleden had ik Paul de Nooijer twee keer geïnterviewd. Lang daarna bleken we beiden betrapt op prostaatkanker, een gemene aandoening, vooralsnog met gemene medicijnen klein gehouden. We troffen elkaar opnieuw en bij die gelegenheid vertelde hij over zijn plan voor een film met ons carcinoom als kern. Wilde ik mijn prostaatbelevenissen niet eens opschrijven? Wellicht dat hij die kon verwerken in zijn project. Uiteindelijk nam hij de notities integraal in het script op.

En zo zit ik op 12 november wat beduusd naar mijn eigen woorden te luisteren, uitgesproken door Paul en omlijst door intrigerende beelden en de ijle klanken van een fluit en een gitaar. Ook al herken ik de woorden allemaal, toch klinken ze akelig. Over puncties en pijnscheuten. Over voelende vingers in het rectum. Over de voorlopige conclusie. ‘De uroloog loopt naar de computer op een tafel die drie meter verderop staat en begint, half van MAN afgekeerd, zwijgend gegevens in te voeren. MAN weet niet of er nog iets volgt en wacht half ontbloot op het onderzoekbed af, met aan het hoofdeinde de verpleegster. Dan zegt de uroloog met de blik strak op het computerscherm en dus nog steeds half van MAN afgekeerd: “Ik heb twee knobbeltjes gevoeld. Met 70 procent zekerheid hebt u prostaatkanker. Als ik de biopten heb bekeken, is er zekerheid, maar ga er maar vanuit dat het een tumor is.” Hij geeft een hand en verdwijnt. MAN staat op en wankelt. De verpleegster reikt hem een glas water aan.’

Een carillon klingelt zachtjes Lou Reeds Perfect Day. Filmbeelden verhalen over een geboorte en jeugdige schoonheid, over bloed en brandende ziekte, over aftakeling en eindigheid. Een naakte man loopt door een lange, besneeuwde notenbomenlaan tot hij in het wit vervaagt en zoals hij zal hebben gehuiverd in die kilte, zo huivert nu iedere toeschouwer, in elk geval deze.

Maar na afloop in de foyer dient de gloed van het leven zich weer aan in warme woorden vol wil en animo. Kunst contra kanker, de lelijkheid met schoonheid bestrijden, daar moet op gedronken worden.





zaterdag 9 november 2013

Mannen zijn plurken en sjappietouwers


Dat mannen niet deugen is algemeen bekend. Toch blijft het schrikken als die waarheid onverbloemd staat opgeschreven. Bijvoorbeeld in een synoniemenboek. Daar wordt de argeloze mannelijke lezer onthaald op de verschrikkelijkste verwensingen. Plurk! Graftak! Sjappietouwer!

Dat schreef ik bijna 25 jaar geleden in weekblad De Tijd. In het synoniemenboek van Wolters-Noordhoff was ik per toeval gestuit op een lange trits ellendige omschrijvingen voor ons kerels. Om een kleine greep te doen: onderdeur, lijs, rund, engerd, ribbemoos, stumperd, jansalie, voetveeg, beroerling, brulboei, schlemiel, gladjanus, stoethaspel, pummel, lummer, knuppel, fluim, gnoom, uilskuiken, kletsmeier, schooier, klerelijer, sijsjeslijmer, dooievisjeseter, hufter, druiloor en schertsfiguur. Toen ik, enigszins wraakzuchtig geworden door die scheldpartij, opzocht wat het boekje over de vrouw te melden had, bleek de samensteller zich aan dat trefwoord niet had gewaagd. De hansworst.

Maar goed, dat was 1989, een kwart eeuw later zal het toch wel wat beter gesteld zijn met het manbeeld? Steeds meer vrouwen werken buitenshuis en steeds meer mannen participeren in het huishouden en de opvoeding, om maar eens wat te noemen. Kan zijn, maar in de taal geldt meneer onverminderd als windbuil, eikel of lulhannes en kan mevrouw geen kwaad doen.

Synoniemennet.nl doet de man van tegenwoordig af als bink, pief, gast, kadee, heerschap, snuiter, kinkel, kereltje, basserool, knul en baasje; bij vrouw komt de site niet veel verder dan gade, juffrouw en dame. Woordenboek.nu noemt de man onder meer kleerkast, schwants, snorrefrits en wollen-sok, maar weet ook wel raad met de vrouw: taart, serpent, snol, kenau, kakmadam en – voor de troost – diva. En op synoniem.info heet de man sujet, lomperd, loer,kwibus, bok en zelfs gedrocht. Gedrocht!

Een man een man, een woord een woord, kennelijk. 


Het synoniem ‘sjappietouwer’ – volgens Van Dale ‘een ruwe klant, iem. zonder manieren of beschaving, iem. die er verlopen of schunnig uitziet’ – staat er niet meer bij. Maar of het echte vooruitgang is, betwijfel ik. 

zondag 3 november 2013

Snorrenmaand Movember? Deze jongen blijft een No Mo Bro

 

Vanochtend heb ik me geschoren. Gisteren ook. De rest van november zal het niet anders zijn.

Waarom ik dit opschrijf? Omdat het weer Movember is, de maand waarin allerlei mannen hun ‘mo’ (van moustache, ofwel snor) laten staan. Als Mo Bro wil men op die manier aandacht vragen voor prostaat- en teelbalkanker en geld inzamelen voor onderzoek naar die ziektes. Over prostaatkanker kan ik sinds 2011 helaas meepraten, maar wat Movember betreft druk ik mijn snor. Zoals ik een jaar geleden ook al schreef: Deze jongen is een No Mo Bro.

Geen kwaad woord over alle goede bedoelingen van de Snorren. Wereldwijd zou Movember vorig jaar bijna honderd miljoen euro opgehaald hebben. En het is niet niks als er alleen al in Nederland deze maand tienduizend mensen voor je opkomen. Als ik maar niet mee hoef te doen. Ik heb nu eenmaal een allergie voor groepsverbanden. Zo kan ik ook niet achter spandoeken aan lopen, of me via petjes, lintjes of speldjes tot deze of gene schare bekennen.

Nou sloot ik me van de week wel aan bij een paar honderd mensen met dezelfde makke, prostaatkanker, deelnemers aan een symposium over die grootste mannenziekte. Ingevoerde sprekers roerden allerlei nare onderwerpen aan, zoals lustverlies, incontinentie, pijn, botafbraak en medicijnen die maar tijdelijk hielpen. Je zou van minder depressief worden, maar opmerkelijk genoeg was de stemming eerder opgewekt dan mismoedig. Hoewel de zwaarte van kanker zich wel liet voelen, waren er ook de lichte toetsen van wetenschappelijke vooruitgang, voortschrijdende inzichten, kansen en hoop. En hoe eenzaam kanker ook kan maken, het had toch ook een element van troost zoals honderden lotgenoten hier samen naar nieuwe perspectieven zochten.

Maar ik was wel blij dat we geen petje, lintje of speldje op hoefden.


donderdag 31 oktober 2013

Vreemdgaan per auto


Aangezien mijn auto toch niet kan lezen, loop ik geen risico als ik het beken: ik ga regelmatig vreemd met een andere wagen. Virtueel vreemd, wel te verstaan, want het blijft bij verlangend fantaseren, maar ik voel me er toch een beetje schuldig over.

Het hoort namelijk niet. Zoals gij niet zult begeren uws naasten vrouw, zo zult gij ook niet geilen op uws naasten auto. Niet dat buurman dit erg vindt, want diens ego groeit alleen maar als zijn auto – en trouwens ook zijn vrouw – bewonderd wordt. Maar het hoort niet. Het is onkuisheid. Hebzucht. Beide ondeugden gelden als hoofdzonden. Ik moet me schamen.

Maar het vlees is zwak, zeggen mannen dan. Vandaag gebeurde het me weer. Ik fietste naar een afspraak en mijn oog viel op een geparkeerde beauty, knalrood en glanzend en goedgevormd. Een paar seconden waande ik me achter het stuur, zoevend door een Toscanesk landschap met een bijpassende zonnebril op de neus en iets van Vivaldi in de oren – toen was het alweer over.

Het kan een fonkelende Porsche Panamera zijn, maar ik heb het ook wel eens met een bestofte occasion van eenvoudige komaf, of met een praktische en toch elegante ‘middenklasser’ (een term die gek genoeg alleen voor auto’s geldt en niet voor koelkasten, bankstellen of vliegtuigen). De ene keer is het de droom van de onbereikbare diva, dan de roep van een bevallige lijn of van twee amandelvormige koplampen die me net te lang aankijken. En soms zijn het er wel zeven op één middag.

Het hoort niet, en niet alleen omdat het niet netjes is, maar ook omdat materiële begeerte iets banaals heeft. Bovendien vind ik het sneu voor mijn oude, trouwe Citroën met zijn 180 duizend kilometer op de teller en zijn deuk in het bestuurdersportier en zijn verbogen bumperstrip. Hij doet het altijd, veert zo fijn, rijdt zo lekker, past me zo goed. Hij heeft het echt nergens aan verdiend dat ik stiekem over andere auto’s fantaseer. Ik zal hem morgen eens op een fijn ritje trakteren, oui?

zondag 27 oktober 2013

Overal een ode aan de doden


De KRO brengt deze week elke avond weer een Ode aan de Doden. Met deze kleine reeks herdenkingen haakt de omroep in op Allerzielen (2 november).

Op menige straathoek word ik daarop geattendeerd door reclameborden met KRO-coryfeeën als Anita Witzier en Gijs Staverman. Of het helpt dat ze zo trouwhartig in de lens kijken, wie weet, maar het onderwerp spreekt me aan. Ik houd van rituelen en een collectief saluut aan onze ontslapenen vind ik een mooi ritueel.

Allerzielen mag dan een katholieke uitvinding zijn, maar het idee op deze dag de doden te gedenken valt niet alleen bij de KRO zogezegd in goede aarde. Het lijkt wel of er elk jaar meer initiatieven komen.

In het Overijsselse Lochem organiseert de Stichting Levende Namen een herdenking met muziek, rituelen, kunst, licht, zang, spel en poëzie. Zo worden er rond een vuurcirkel doden bezongen en gedichten voorgedragen. Ook is er speciale aandacht voor oorlogsslachtoffers en doden uit de islamitische gemeenschap.

In Amsterdam heeft een kunstenaarscollectief via crowdfunding  geld opgehaald voor een theatrale Nacht van de Doden in het water bij de NSDM-werf. Een veerman brengt deelnemers naar een Vuureiland, waarbij het water tot leven komt en een Fluisterwolk hen omhult met namen. Men kan dan een kaarsje branden en zich verenigen met de geesten van overledenen. Rouwkost en troostdrank zijn voorhanden tot het ochtendgloren.

Ook in Amsterdam wordt op 2 november stilgestaan bij onbekende, soms zelfs anonieme doden: vluchtelingen die tijdens hun reis naar Europa zijn ongekomen, zoals de honderden Afrikanen die onlangs bij Lampedusa verdronken.

Voor het vijfde jaar vindt er in Velsen een herdenking plaats, waarin behalve voor verdriet en gemis ook ruimte is voor blijdschap. ‘Wij kunnen de dood ook vieren,’ schrijft de organisatie, ‘en laten zien hoeveel we van ze hielden en hoeveel betekenis en inspiratie ze voor ons hadden.’ Daarbij wordt veel licht, vuur, klank en kunst ingezet. Laatste keer trok de bijeenkomst duizend bezoekers.

In Rotterdam en Lochem worden de doden herdacht tijdens een speciaal requiem. Met de instrumentalisten van Holland Baroque Orchestra brengt Capella Amsterdam troostende afscheidsmuziek uit de zeventiende en de twintigste eeuw, variërend van Händel en Bach tot Lennon en Vloeimans. In Arnhem organiseert het Toon Hermans Huis een workshop waarin de namen van overledenen worden gezongen opdat zij voortleven. En op allerlei plaatsen in het land vinden kunstzinnige herdenkingen plaats onder de noemer Allerzielen Alom.

Prof. Christiane Berkvens-Stevelinck (Radboud) zegt op de site Zinweb, dat er sprake is van een hausse aan particuliere alternatieven voor Allerzielen. Ze denkt dat naarmate het geloof in hereniging met de doden in het hiernamaals afneemt, er behoefte groeit aan een nauwere omgang met de overledenen in het hier en nu. ‘Het hiernamaals,’ zegt ze, ‘is op aarde neergedaald.’


Een mooie gedachte. Alleen: merkten we er maar wat meer van.

donderdag 24 oktober 2013

Pieke Bergmans en de Dutch Design Week

Eindhoven beleeft eens per jaar een week die negen dagen duurt en die de hele stad laat wervelen: de Dutch Design Week, dit jaar van 19 tot en met 27 oktober.

Alleen al de speciale, gratis taxi’s die tussen de vele hotspots heen en weer crossen, Mini’s met allemaal een andere kunststellage op het dak, vullen de straten met feestelijke beelden. De drukte op Strijp S, het centrum van het evenement, doet dat gebied met zijn vele nog lege plekken ook goed en laat het dynamische potentieel ervan zien. Het designpubliek levert een eigen bijdrage aan de feestvreugde door zich net wat kleurrijker, modieuzer of maffer dan de familie Doorsnee te kleden. En dan natuurlijk de tomeloos vele vondsten, vernieuwingen en vernuftigheden die op duizend-en-een locaties in de stad worden gepresenteerd.

Ik licht er één naam uit: Pieke Bergmans. In een verre uithoek van industrieterrein Strijp T, voor de argeloze voetganger een lange tippel, is zij met een trits objecten neergestreken in het Pompgebouw. De industriële setting levert een fraai decor voor haar nieuwe project Vapor, zes meter hoge, witte lichtobjecten die ijl en geheimzinnig boven de blauwe pompen zweven. Ze zijn gemaakt van plastic, dat onder hoge temperaturen als het ware is geëxplodeerd tot een groot volume dat massief begint, steeds zachter en fijner wordt en uiteindelijk vervaagt tot een ragdun vlies. Fascinerend en nog nooit gezien: twee belangrijke kenmerken van sterke vormgeving.

Die kenmerken gaan ook op voor een andere verse vondst van Pieke Bergmans. Eenvoudig ogende, maar met groot vakmanschap gemaakte houten tafels heeft ze bewerkt met complexe, geprinte patronen, die de rechte vlakken beweging en diepte geven. Het zijn kijktafels geworden, al zouden al die golvende, kringelende lijnen bij het diner wel eens voor moeilijkheden kunnen zorgen. Een idee van al wat oudere datum is haar ‘virus’, mondgeblazen luchtbellen van kristal die zich om meubelstukken lijken te draperen, een verrukkelijk idee waarmee zij letterlijk van hier tot Tokio bekendheid verwierf.

Er is iets magnetisch met de naam ‘Bergmans’. Heel wat jaren geleden leerde ik Piekes vader Charles Bergmans kennen, succesvol schoenontwerper en zoon van een andere succesvolle schoenontwerper, Koos Bergmans. Eerst vroeg Charles me om een tekst over zijn vak. Toen schreef ik een tekst over de schilderliefde van vader Koos. Vervolgens kwam ik in contact met broer Joep, een ook al succesvol grafisch ontwerper die voor zijn tweede loopbaan in de schilderkunst eveneens een tekst nodig had. En nu sta ik te kijken naar Piekes werk en denk: stukje.





zaterdag 19 oktober 2013

Oliver’s Cinema: een avond puur geluk


Vooropgesteld: ik ben geen kenner van muziek, slechts een liefhebber. Wat hier volgt is dan ook geen recensie, maar een poging te beschrijven hoe een concert je dusdanig kan overrompelen dat het hart er van danst en al je zenuwen tintelen en dat je alleen maar wou dat je meer oren had.

Het gebeurde deze week in Neerpelt, waar podium JazzCase het trio Oliver’s Cinema had uitgenodigd. Die naam is een anagram van Eric Vloeimans, meester-trompettist en initiator van het trio. Hij wilde al langer op muzikaal avontuur met een accordeon, en vond de ideale bespeler in de Vlaming Tuur Florizoone. De Duitse cellist Jörg Brinkmann completeerde de kleine formatie.

Oliver’s Cinema maakt filmische muziek, zei Eric Vloeimans eens, en dat bleek een rake omschrijving. Vanaf de eerste tonen roepen de muzikanten een sfeer op waar je zelf de beelden bij droomt: een stil park in de herfst, straten in het duister van de nacht, een volks café waar men klinkt op het leven, dan weer een serene foyer, een bruiloft in Havanna, een paar dat traag door een ballroom danst. Klassieke klanken vermengen zich heel naturel met jazzy strofes en flarden volksmuziek, net zoals melancholie heel vanzelfsprekend overvloeit in monterheid en dan weer in ontroering.


“Dit is muziek voor de ziel,” fluistert mijn Ingrid me in het oor, en ook dat is een rake omschrijving. Het is alsof deze tonen niet alleen het gehoor, maar alle zintuigen beroeren. Je ziet er filmbeelden bij, proeft smaken uit vreemde landen, ruikt geuren uit verre oorden en voelt hoe de klanken zich diep in je nestelen. Op elk gezicht om me heen staat een glimlach, ook op het mijne. Dit is niet zomaar een fijn concert – dit is zo’n avond waarop een paar topmusici geluk, puur geluk, uit hun instrumenten toveren.

Foto: Axesjazzpower
Zie ook: http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=vPDcE4XYg14

woensdag 16 oktober 2013

Ziek worden van de dokter


Zelfbenoemde genezers en therapeuten uit het alternatieve circuit schermen vaak met wondermiddelen die hun pretenties niet waarmaken. Hun cliënten en patiënten blijven daardoor in feite onbehandeld met alle risico’s vandien. Maar de critici van de alternatieve zorg vergeten doorgaans dat de reguliere zorg misschien nog wel riskanter is.

Onlangs werkte de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich in de schijnwerpers door vijf grote zorgverzekeraars te bedenken met de Meester Kackadorisprijs. De verzekeraars kregen die kwakzalversprijs omdat zij alternatieve therapeuten een cursus aanboden die hun medische en psychosociale kennis kon vergroten en de veiligheid van hun clientèle kon verbeteren.

Daar lijkt me niet zoveel mis mee, maar je kunt argumenteren dat de geitenwollensokkendokter zo ten onrechte meer salonfähig wordt gemaakt en dat CZ, Achmea etc. daarvoor een tik op de vingers verdienen. Maar het lijkt me zinniger te kijken naar de echte fouten in de zorg. Jaar in, jaar uit sterven in Nederlandse ziekenhuizen 1500 tot 2000 mensen onnodig ten gevolge van fout medisch handelen. En 30.000 patiënten lopen door dezelfde reden fysieke of psychische schade op. (Bron: Emgo/Nivel-studie, 2007.)

Neem patiënt Cees van der Bent. In december jongstleden kreeg hij te horen dat hij prostaatkanker had en dat het besmette orgaan moest worden verwijderd. Van der Bent stemde in met de operatie, ook al zou die hem incontinent en impotent maken. Een paar weken later bleek dat zijn weefsel met dat van een naamgenoot was verwisseld, zodat hij onnodig was verminkt en de kanker van een ander vrij spel had. Medische knoeierij waar menig kruidengenezer of holistisch heler een puntje aan kan zuigen.

En dan gaat het alleen nog over ziekenhuizen. In apotheken, huisartsenpraktijken, verpleeghuizen en kleine behandelcentra gaat ook veel mis. Jaarlijks belanden ruim 40.000 mensen in het ziekenhuis ten gevolge van problemen met medicijnen. De helft van die gevallen was vermijdbaar geweest, bleek uit een zogeheten HARM-studie.

Niemand is zonder fouten, van hooggeleerde specialist tot blablatherapeut met een avondcursus als bagage. Maar wie zich ergert aan de alternatieve zorg, zou zich eens moeten afvragen of die niet vooral wordt gevoed door frustraties over de tekortkomingen van de reguliere zorg.



zaterdag 12 oktober 2013

De kluns is echter dan de held


Al heel lang niets meer gehoord over klunzen, stoethaspels en stuntels. Voor de ouderen onder ons: dat zijn in vergetelheid rakende benamingen voor zeer onhandige personen.

De kluns is bijna nergens goed in. Wat hem nog wel eens wil lukken is een potje breken en in zeven sloten tegelijk lopen, maar laat hem niet timmeren, koken of een computer installeren, want dan hamert hij zijn vingers blauw, vliegt de keuken in brand en doet de pc het alleen maar in het Chinees. Hij heeft twee linkerhanden, struikelgrage benen en is dyslectisch voor gebruiksaanwijzingen. Als hardnekkige mislukkeling is hij een grote inspiratiebron voor circusclowns en tv-sukkel Mr. Bean.

Maar waar is hij in het echt gebleven, deze ridder van de droevige figuur? Iets niet kunnen is een taboe geworden. Een beetje man tovert vijfgangendiners voor elkaar, een beetje vrouw weet raad met hamerboor en slijpmachine en niemand onder de 75 die durft toe te geven dat hij zijn smartphone of tablet niet snapt. De doe-het-zelfzaken liggen vol artikelen die vroeger alleen door vaklieden werden gebruikt – nu is ‘iedereen’ handig.

Op het werk is het meer dan ooit zaak, je kundiger voor te doen dan je bent en je zwakke kanten te verdoezelen, want de baanonzekerheid is groot. De profielen die leden van het netwerk LinkedIn op internet zetten, galmen dan ook van de competenties en vaardigheden. Trouwens, ook op dat andere sociale medium, Facebook, wordt uitsluitend rondgebazuind hoe geweldig iedereen het voor mekaar heeft.

De politiek gaat eveneens op die toer, want allerlei nieuwe maatregelen verordonneren zelfredzaamheid en initiatief. Burgers moeten eerst zelf hun zorg zien te regelen voordat zij bij de overheid kunnen aankloppen. Instellingen krijgen minder subsidie omdat ze worden geacht de ontbrekende gelden zelf te kunnen genereren. Ook de overheid gaat dus uit van het idee-fixe dat vrijwel iedereen sterk is; de resterende zwakkeren hoeven alleen nog te worden aangemoedigd ook hun kracht te ontdekken.

Alleen de formidabele komiek Wim Helsen durfde het nog op te nemen voor de mislukkeling, onderwerp van zijn vorige voorstelling Het uur van de prutser. Maar ja, Wim Helsen is een absurdist en als de absurdisten je liefhebben, ben je voorwaar een marginale figuur. De kluns verdient beter. Hij is levensechter dan de poseur die doet alsof hij alles kan. De kluns, de stoethaspel, de stuntel verzinnebeeldt het menselijke lot. In feite struikelen we allemaal maar wat raak door het leven, nemen een verkeerde afslag, stoten onze kop, vallen door een mand, vechten tegen een windmolen, proberen zus en zo, hopen er allemaal het beste van. Maar liever waren we helden. Yes, we can!



woensdag 9 oktober 2013

Ben ik soms in de overgang?


Het lijkt wel of ik in de overgang ben. Als man en zestiger is dat niet heel waarschijnlijk, maar de overgang is wel het thema van deze week.

Het begon met een Afrikaanse kunstbeurs in het Máxima Medisch Centrum, waarvan de opbrengst ten goede komt van Madamfo, een stichting die medische, sociale en educatieve projecten in Ghana uitvoert. We vielen voor een klein, krachtig beeldje uit Ivoorkust, een zogeheten paspoortmaskertje. Zulke beeldjes zijn miniatuurversies van grote maskers die spirituele voorgangers gebruiken om te transcenderen van de wereld van de mensen naar die van de geesten. De maskers vervullen ook een rol bij initiatierituelen. Attributen dus van de overgang.

Een dag met een rollator op stap beleefde ik ook als een overgang. We wilden met het kleinkind naar de dierentuin, voorzagen dat mijn lastige longen zouden protesteren tegen zo’n lange tocht langs stokstaartjes, wolven, bevers en olifanten en namen daarom op de proef een rollator. Proef geslaagd, want op die manier bleek het parcours goed te doen. Terwijl ik daar gisteren zo rondscharrelde, kreeg ik het idee dat de rollator een overgang vormde tussen de vanzelfsprekende vitaliteit van ooit en het minder vanzelfsprekende leven van nu en straks. Zeg maar: van rock ‘n’ roll naar sjok & rol.

En vandaag komt een verpleegkundige me een dure spuit geven. Dertig gram leuproreline-acetaat, een hormoongoedje tegen prostaatkanker. Het blokkeert de aanmaak van testosteron, waar prostaatkanker zich mee voedt, en legt zo de tumorvorming stil. Maar zonder testosteron raak je in een soort mannelijke overgang. Je krijgt opvliegers, verliest lichaamsbeharing, wordt molliger en krijgt stemmingswisselingen. Pechvogels worden er zelfs totaal lusteloos en/of depressief van.

De eerste injectie, november 2011, vond ik de akeligste van mijn leven. Ik was bang dat de spuit me ging veranderen in een halfzacht watje, een snottergrage eunuch uit een naar sprookje waar nooit meer de zon scheen. Maar de zon bleef schijnen, de lust verkleurde wel maar verdween niet en de verwatting viel, geloof ik, mee. Wél hield de kanker zich stil en daar was het om te doen. Liefst dat die overgang nou ‘s mooi nooit meer overging.


zondag 6 oktober 2013

S. Carmiggelt en de antiheld


Morgen, 7 oktober 2013, zou hij honderd geworden zijn: S. Carmiggelt, stukjesschrijver. Goede aanleiding om postuum mijn hoed voor hem af te nemen.

Zijn laatste cursiefjes dateren alweer van dertig jaar geleden en sindsdien heb ik hem weinig herlezen, maar nu hij wegens die denkbeeldige eeuwdag weer even in het nieuws is, blader ik nog eens door zijn Kronkels en geniet van zijn formuleringen. ‘In het glazen oventje van het buffet lagen twee saucijzenbroodjes zwetend te sterven.’ ‘De communistische penningmeester bleek ’s avonds neer te komen op een gepensioneerde onderwijzer, die nog slechts één levensideaal koesterde: met zijn vrouw de VARA-studio te mogen bezichtigen.’

Ik zat goed drie jaar in het vak toen ik hem mocht interviewen naar aanleiding van zijn 65ste verjaardag. Ik herinner me hoe hij een smakelijke anekdote afsloot met een lach die zijn schouders liet schokken en hoe die uitbundige lach me verbaasde. Als Simon Carmiggelt de VARA-avond afsloot met een Kronkel, keek hij altijd naar de camera met zo’n droeve hondenblik, dat ik hem voor een echte melancholicus hield, bij wie er niet meer dan een glimlach in zat. Dat dachten mensen wel vaker, reageerde hij. “Maar het is geen treurnis wat men ziet, maar mijn gezicht in ruste.”

Nee, treurnis stralen zijn stukjes ook niet uit, eerder een lichte weemoed, een gerijpt inzicht in het betrekkelijke en het vergeefse en het gedoe van de mens. ‘Meneer Geurt is bij de bank. Hij doet al jaren iets heel stils in een hoekje.’ Of: ‘Te Brussel zat ik in een lang, zakelijk café dat geheel gevuld was met textielhandelaren, die minachtend aan elkaars lapjes voelden.’

Met stille genegenheid zet Carmiggelt de underdog in de schijnwerper, de antiheld, niet toevallig vaak Vaalders of Van Balen geheten. Godfried Bomans verwoordde dat eens eloquent: ‘Carmiggelt heeft de mythe van de weemoedige flapdrol geschapen, de jongen die het niet gehaald heeft, maar op de ruïne van zijn leven nog wat herfstbloemen kweekt, kortom de eigenaardige geslaagdheid van de sociaal mislukte.’

Iets van die antiheld is ook aan Carmiggelt blijven plakken. Op schrijversinfo.nl, een site van een literatuurliefhebber, lees ik dat het dorpje De Steeg, waar Carmiggelt graag vakanties doorbracht, hem herdenkt met een beeld en een straatnaam. Het beeld gaat grotendeels schuil achter een heg en de Simon Carmiggelthof is een smal, stil straatje dat bovendien doodloopt. Ik heb een vermoeden welke blik beeld en hofje hem zouden hebben ontlokt.

woensdag 2 oktober 2013

Urbanlotus en de waarzeggers


Ik weet het, je moet oppassen met de knipperende advertenties op internetpagina’s, voordat je er erg in hebt is je startpagina of zoekmachine veranderd of word je de rest van je leven gebombardeerd met reclames voor Turkse hotels met zeven zwembaden, ik weet het, en ik pas meestal ook op – maar soms niet dus. 

Hoe ik vandaag op de site Urbanlotus terechtkwam, geen idee, maar ineens had ik mijn ‘daghoroscoop’ voor mijn neus. Wat een feest! Ik wreef mijn ogen uit bij wat ik las: “Je weet vandaag met één snelle schijnbeweging al je tegenstanders op het verkeerde been te zetten en gaat er vervolgens met de buit vandoor. Trek je niets aan van die protesten!”

Al mijn tegenstanders... Ik probeerde ze me voor de geest te halen, die talloze vijanden van me, maar dat wilde niet zo vlotten. Niettemin vond ik het wel een lekker idee dat ik die hele horde met één virtuoze truc te slim af was en er ook nog eens met de buit vandoor ging. Wat zou dat voor een buit zijn? Een jute zak vol glanzende juwelen? De mooiste meid van Brabant? Allicht dat mijn vijanden dan moord en brand schreeuwden. Maar mooi dat ik me daar niks van aantrok.

Gebiologeerd las ik de rest van het tekstje. “Je zult versteld staan van wat je allemaal overkomt. Laat je vandaag gewoonweg verbazen door alles wat er op je pad komt. Lekker, eens zo’n verrassende dag!” Nou was de dag al een heel eind op gang zonder dat er veel verrassends was voorgevallen, maar alla, dat lag kennelijk allemaal nog in het verschiet. Hoewel – bij nader inzien was dit toch maar een slappe voorspelling. Je raadpleegt een sterrenwichelaar om te weten wat er gaat gebeuren en niet om te horen dat er verrassingen op komst zijn. Wát voor verrassingen dan? Een beetje horoscoop sluit verrassingen juist uit.

Ik kon ook nog doorklikken naar de ‘gratis weekhoroscoop’. Die bleek naar paragnostenlive.nl te leiden, een site waar allerlei helderzienden hun telefonische diensten aanboden vanaf 90 eurocent per minuut, wat me nu ook weer niet helemaal gratis leek. Zoals Miranda, naar eigen zeggen paragnoste, medium vanaf haar geboorte en tevens life coach. “Ik gebruik ook de Lenormandkaarten, Engelenkaarten, Zigeunerkaarten, Aartsengel Orakelkaarten, Het Orakel van de Liefde en de Pendel. Ik ben een zeer sterk medium en al ruim 28 jaar gespecialiseerd in liefde en relaties in het algemeen op nationaal en internationaal niveau. Het heeft geen geheim voor mij.”


Zo stond ik toch eventjes versteld van wat er vandaag op mijn pad was gekomen.

Foto: Flickr, Raquel Van Nice

zaterdag 28 september 2013

Bevestigt de uitzondering echt de regel?


Als herfstbladeren met de wind, zo komen gedachten soms aanwaaien. Je weet niet van welke boom ze zijn weggedwarreld en evenmin waarom ze nu voor jouw voeten vallen, maar daar zijn ze dan.
  
Vandaag heb ik het met een zegswijze. Zonder aanwijsbare aanleiding zit ik ineens opgescheept met het zinnetje: ‘Dat is de uitzondering die de regel bevestigt.’ Nu ik er even over nadenk, begin ik dat een vervelende uitdrukking te vinden. Zit je in een flink gesprek, ben je verwoed bezig een samenhangende mening te formuleren, komt je gesprekspartner met de dooddoener: ‘Dat is de uitzondering die de regel bevestigt.’ Waarmee hij eigenlijk bedoelt te zeggen dat jouw onbenullige inbreng onverlet laat dat hij gelijk heeft.

Voorbeeld. Meneer A stelt dat mannen gekker zijn op auto’s dan vrouwen. Dat is in huize B precies andersom, brengt meneer B in het midden. Waarop A de conversatie bederft met de schouderophalende mededeling dat mevrouw B de uitzondering is die etc.

Trouwens, wat zegt die spreuk in feite? Telt werkelijk elke regel uitzonderingen? Als dat klopt, dan bestaan er ook uitzonderingen op die regel, namelijk regels zonder uitzonderingen, regels dus die niet worden bevestigd door uitzonderingen. Waarmee de stelling zichzelf onderuithaalt. Je kunt dus maar beter niet naar deze zegswijze grijpen – uitzonderingen daargelaten, uiteraard.

O, die eeuwige nuances… Want nu realiseer ik me weer dat zo'n spreuk niet voor niets is ontstaan. Vrijwel iedereen heeft de neiging een opinie te illustreren met voorbeelden uit eigen waarneming. Als drie collega’s in Tibet zijn gaan wandelen, noemen we wandelen in Tibet hip. Als enkele kennissen een abonnement op Trouw nemen, menen we dat het weer beter gaat met de kwaliteitspers. En gaat zoon of dochter niet meer naar houseparty’s, dan geloven we dat house zijn beste tijd heeft gehad.

Dat is in feite casuïstiek: een poging om een these te bewijzen aan de hand van een steekproef die veel te klein is en bovendien persoonlijk gekleurd. De gevallen uit zo’n steekproefje kunnen uitzonderlijk zijn, bevestigen niet per se een regel en geven daarmee voeding aan de zegswijze over regels en uitzonderingen.


Waarmee deze spreuk weer verder mag dwarrelen – veel plezier ermee.