maandag 18 september 2017

Als de muren gaan praten

Het lijkt op een omschrijving voor een cryptogram, het raadselachtige zinnetje dat sinds een poosje prijkt op een grote blinde muur die ik regelmatig passeer. In royale oranje letters staat het op een wit vlak: ‘niet persoonlijk opvatten’. Daarnaast ook al in oranje-wit een ruitvormig symbool dat ik niet zo gauw thuis kan brengen.
De blinde muur lijkt de achterkant van een loods. Zo’n groot, loos oppervlak vult zich gewoonlijk vanzelf met de kleursporen die de graffiticultuur al zo lang in de openbare ruimte achterlaat en die overal maar blijven opduiken omdat die cultuur niet uitgewoed raakt. De eigenaar van deze muur wilde kennelijk ál te veel anarchie voorkomen en nodigde een spuitbusartiest uit om dan maar iets verantwoord-kunstzinnigs op de wand te spuiten, een verschijnsel dat steeds vaker opduikt en dat de steden opfleurt met kleurige eigentijdse street art.
Dit exemplaar prikkelt me al vanaf de eerste keer dat ik het zag. ‘Niet persoonlijk opvatten,’ roept de muur me toe, alsof ik ergens hevig door geraakt ben en alsof die muur dat weet en me wil troosten: komaan, trek het je niet aan, jij kon het ook niet helpen, je deed alleen maar je best. En die muur roept dat niet alleen tegen mij, maar tegen alle passanten, en dat zijn er nogal wat op dit drukke kruispunt. Hier komen duizenden mensen langs op een dag, tienduizenden in een week, misschien heeft de muur al een miljoen mensen aangeraden hun miljoen dingen niet persoonlijk op te vatten. Dat vind ik een poëtisch idee. Een muur van dode stenen die zich in het gevoelsleven van anonieme voorbijgangers mengt zonder dat ook maar één van hen zich daar iets aan gelegen laat liggen.
Toch is het een wijze les die de muur de wereld leert. Bekijk niet alles vanuit je navel, denk niet dat het altijd over jou gaat, denk niet dat jij het centrum van het heelal bent. Als iemand op een muur schrijft dat jij je niet alles zo moet aantrekken, dan kun je dat best negeren. Wat weet zo’n kladderaar nou over jouw wel en wee? Ga daar maar aan voorbij, sta er niet bij stil, vat het niet persoonlijk op.

Ik wil maar zeggen: je komt oren tekort als de muren gaan praten.

maandag 11 september 2017

Breekbaarheid en hoop

Shit! Vergeef me de wat vulgaire krachtterm, maar wat moet, dat moet. Bovendien speelt dit stukje zich af in de wereld van de urologie en die is heel vertrouwd met het onderhavige begrip, zodat het nog een functionele verwensing is óók.
Shit, dus. Een foute uitslag. Daar had ik niet op gerekend. Ten onrechte natuurlijk, want (prostaat)kanker is een grillige ziekte en elke controle kan goed of fout uitpakken. Sinds ik er zes jaar geleden bekend mee raakte, ben ik wel eens blij en wel eens teleurgesteld uit de spreekkamer van de uroloog gekomen. Vandaag is het dus weer eens mis.
Ik wil van dit blog geen medisch communiqué maken en zal de lezer de details besparen, maar het komt erop neer dat de hormoonspuit die het prostaatcarcinoom koest moet houden, onvoldoende werkt. De kanker groeit. Vervolgonderzoek moet het beeld preciseren, maar waarschijnlijk moet ik naar een nieuwer, krachtiger medicijn toe.
Dit zwaardere geschut was een paar jaar geleden nog helemaal niet in beeld. Voor wie toen ongevoelig werd voor de hormoonspuiten, restte alleen nog de chemo, die doorgaans maar een paar maanden soelaas bood – and that’s it. Inmiddels is het perspectief minder donker. De hormonen mogen nu uitgewerkt zijn, ik heb ze wel lang genoeg kunnen gebruiken om in aanmerking te komen voor een generatie middelen die intussen op de markt is gekomen.
Maar ja, maar ja, het was me natuurlijk veel liever geweest als de kanker stil was gebleven en ik de alternatieven in reserve had kunnen houden. Lieverkoekjes worden niet gebakken, zegt het gezonde verstand dan, maar dat wil ik niet altijd horen. Zoals een schram tijd nodig heeft om te helen, zo heeft een teleurstelling tijd nodig om weg te ebben.

In de hal van het ziekenhuis trakteren we onszelf maar op een espresso en een cappuccino. Om ons heen rollators en krukken en rolstoelen en stramme ledematen en bleke gezichten, soms ernstig, meestal neutraal, behalve dan van een oud stel dat met een lach om de mond naar de uitgang loopt – mensen krijgen hier ook weleens goéd nieuws. Zo wemelt het hier van de stille verhalen over breekbaarheid en hoop. Ik heb ze hier zelf wel eens opgeschreven, die verhalen, in ditzelfde ziekenhuis. Maar nu heb ik even genoeg aan mijn eigen verhaal. Over breekbaarheid. En over hoop. 

woensdag 6 september 2017

Vraagstuk Bril

Heel wat mensen maken zich druk over de herziene haarcoupe van Matthijs van Nieuwkerk. Ik niet. Er zijn wel belangrijker vraagstukken, zeg. Mijn nieuwe bril, bijvoorbeeld.
Onlangs moest ik van mezelf naar de opticien. Mijn brillenglazen leken me niet meer accuraat. En als ik toch een andere sterkte nodig had, kon ik net zo goed meteen omzien naar een nieuw montuur, want dat kreeg je er zowat gratis bij. Tot zover het gemakkelijke deel van Vraagstuk Bril.
Want de oogmeting was nog maar amper begonnen, of de twijfel sloeg al toe. ‘Ziet u beter door dit glas, of door dat?’ Ik wist het niet zeker, vroeg om een herhaling, aarzelde nog altijd en redde me eruit door een lichte voorkeur voor de tweede optie uit te spreken. Dat vond de juffrouw van de oogmeting ‘uitstekend’. Volgde een tweede ronde ditten of datten, en zelfs een zesde en zevende, ‘nu voor de cilinder’, tot mijn ogen traanden en ik vooral mist en miezer zag. Dit of dat? vroeg de ogenjuf. Dát, antwoordde ik moedeloos. Mijn stem werd zwakker en in mijn hoofd bonkte het zachtjes ‘Uitstekend. Dan gaan we nu naar de monturen kijken.’
Blij dat ik van de meting af was, wees ik een kek montuur aan, strak maar niet té, kalm-modern, een bril voor mannen met een fijn gevoel voor het eigentijdse maar zonder de behoefte zich aan te stellen. Ik kreeg het ding heel secuur op de neus gezet, keek in de spiegel en zag een hoofd dat op het mijne leek, maar dan getooid met een bril van een uitslover die amechtig probeerde de eigen tijd bij te houden. Een tweede montuur trok mijn gezicht uit model, een derde was te licht, een vierde te professoraal, een zevende te gewoon, een elfde te gek, maar dan letterlijk.
Had ik de fysieke uitputtingsslag van de oogmeting net overleefd, kreeg ik nu te kampen met de kunst van het kiezen, door de Duitsers treffend aangemerkt als die Qual der Wahl. In principe kan zulke keuzestress je ook overvallen bij de bakker of de Blokker, die immers ook vaak bulken van de diversiteit, maar bij de opticien slaat het kiezen ook nog eens terug op je zelfbeeld. Je denkt dat die ene designbril goed past bij jouw man-van-de-wereld-kop, maar de spiegel lacht je vierkant uit. Al geldt een uitzondering op die regel voor de zonnebril, want die is nou juist bedoeld om je uitstraling een kontje te geven en je een slag mondainer/verleidelijker/zelfverzekerder te tonen dan je in feite bent.

Ideetje voor Lucky TV: Matthijs van Nieuwkerk bij de opticien. Gaat viraal!

zondag 20 augustus 2017

Studie flierefluiten

Een paar lege uren. Eens kijken of er nog een blogje uit de pen wil. In het oudestukjesmagazijn op mijn PC heb ik ze genummerd. Dit wordt aflevering 499, bijna een jubileum. Bij nummertje 500 komt de fanfare langs, denk ik, met als het meezit een stel majorettes. In dit stukje alvast een voorschot op de feestelijkheden.
Het begon eigenlijk uit verlegenheid. Toen een jaar of vijf geleden mijn productieve krachten afnamen, sprak ik met mijn werkgever HP/De Tijd af dat ik mijn vaste genre van de grote reportage zou inruilen voor de doenlijker categorie van de (internet)column. Jammer van de lange verhalen, maar spannend door de vraag of ik ook op de korte baan mijn draai zou vinden.
Mijn eerste stukje, gedateerd 25 april 2012, heette ‘Het versletenbezemsbos’ en beschreef hoe een braakliggend bouwlandje voorlopig was toebedeeld aan crossfietsers en skateboarders. Uitstekend idee, vond ik; waarom niet overal in de stad nieuw dode plekken tot leven wekken door er tijdelijke initiatieven toe te staan? Ik fantaseerde er meteen op los en zag er amateurcircussen verschijnen, vliegerfestijnen, een wekelijkse superpolonaise, een camping voor stadsnomaden, of een bos van versleten bezems en schrobbers; tussendoor kon het dan dienen als toogvlakte voor heel fijne idealen.
Zo volgden er nog 488 ideeën, bespiegelingen en commentaren. De onderwerpen bleven aanwaaien, en anders werden ze wel aangereikt door behulpzame specialisten en andere witte jassen, want mijn belevenissen in de gezondheidszorg bleken goed voor een heleboel anekdotes en overpeinzingen. Ik heb kersverse kleinkinderen verwelkomd en gesneefde oude bekenden uitgeluid. Zong de lof van de stad, maar verloor me ook graag in de natuur. Struikelde over vreemde woorden en hardnekkige clichés, dankte de kunst voor al haar inspiratie en kruiste nu en dan de degens. Allemaal goed voor het gemoed.

Maar allez, het lijkt wel alsof ik hier een epiloog bij mijn verzamelde werken zit te tikken. Terwijl ik nog bepaald niet aan een epiloog toe ben, want er vallen voorlopig nog heel wat appeltjes te schillen en knopen te ontwarren. Maar eerst ga ik er even tussenuit voor een korte studie flierefluiten. In september meld ik me wel weer eens.

dinsdag 15 augustus 2017

De vrouw aan het water

Op een oever van het riviertje dat door het parkje nabij mijn huis stroomt, ligt een jonge vrouw in het gras een boek te lezen. Het is een kleurig tafereel: witte bloes, rood rokje, lange blote bruine benen, en dat allemaal op een groen bedje. Het beeld laat me niet los, het wil nog even bekeken worden. Zo vaak ziet men het niet, een jonge vrouw, alleen in het park, languit met een boek.
Welk boek, wil ik weten. Of nee, dat wil ik niet weten, ik wil dat het mijn boek is dat ze leest, niet het boek van een ander. En ik zou willen dat een bepaalde zin een glimlach op haar lippen brengt en dat dat precies de zin is waarvan ik hoop dat die iemand doet glimlachen, bij voorkeur iemand die met lange bruine vrouwenbenen op de oever van een riviertje een boek zit te lezen, míjn boek wel te verstaan, De man voor het raam heet het, een vuistdikke turf die twee zomers geleden verscheen en waar de mensen nóg over praten.
Ik overdrijf weer eens. Mijn droom over de lezeres in het gras is in werkelijkheid maar een minidroompje, waarin ik het een mooi toeval zou vinden als ze uitgerekend De man voor het raam ligt te lezen, en dat eindigt met ‘maar ja’, zoals zoveel halve en hele wensen. Ik scoot verder en denk niet meer aan de oevervrouw, maar aan een computerprobleem dat ik nog moet oplossen en aan een deuntje dat bij het ontwaken in mijn hoofd zat en sindsdien niet meer van wijken wil weten en aan cd’s die ik nog wil digitaliseren en allerlei bijzaken waarover men zich beter niet druk kan maken en het toch doet.
Het is een hele drukte in mijn hoofd zonder dat het ergens toe leidt en ik verbaas me over al dat onnutte geritsel tussen de oren. Een flard van dit, een zweem van dat, een flits, een associatie, ontkiemende en meteen verdampende invallen, scherven van herinneringen, snuifjes hoop, vage verlangens, de TV van gisteren, de krant van vanochtend, die ene ballade van jaren geleden.

Dan kijk ik om en zie de vrouw aan het water alleen nog als stip. Nog even en ze zal oplossen in de namiddag. Maar ik vermoed dat iemand nog eens een stukje over haar zal schrijven en het oevermoment voor altijd zal vastleggen.

dinsdag 8 augustus 2017

Bro's on the road

Dat hadden we een paar jaar geleden nooit vermoed: dat we nog eens samen door Eindhoven en omstreken zouden toeren, broer Leo en ik op onze scootmobielen, broer Joep op zijn stroomfiets.
En toch deden we dat gisteren. Leo, op rollend vervoer aangewezen sinds hij door een verstopte ader een been verloor, had een aanhangertje aangeschaft zodat hij zijn scoot ook mee kon nemen naar perifere locaties. Daar had hij dan wel wat hulp bij nodig en daarom was Joep meegereisd, die ook wel zin had in dit tochtje.
Three Bro’s On The Road.  De vierde broer, Sjraar, ook al een scoot-bro, was helaas door fysiek ongemak verhinderd, anders hadden we een swingend kwartet gevormd. Maar ik vond het toch ook al onalledaags hoe we nu gedrieën het park om de hoek in rolden, op weg naar een volgend park, door beloverde lanen, langs een plas met een reiger die daar zo roerloos stond alsof hij geschilderd was, onder hoge viaducten door, over een luxueus pad dat een kilometerslange streep door de bossen trok, voorbij vennen en akkers en weilanden, om te pauzeren in een uitgestrekt gebied waar tussen paarse heide en dunne berken strakke, stille gebouwen vol beeldschermen oprezen: de slimme vierkante kilometer van de High Tech Campus.
We dronken er koffie op een terras aan een weidse vijver met duizend waterlelies en zeiden tegen elkaar dat natuur en economie hier zo mooi samen opgingen. En ik zag ons daar zitten, drie mannen die er samen al dik tweehonderd jaar op hadden zitten tussen gebouwen die vol waren van de toekomst, en vond dat op de een of andere manier ook wel harmonisch. Misschien werd daarginds achter die glazen gevel wel een revolutionaire beenprothese ontwikkeld, of een chip die lamme longblaasjes nieuw leven inblies, of een allereenvoudigst toverdrankje waarmee boswachters zieke bomen konden redden.

Toen we drieëneenhalf uur na het vertrek weer terug waren op het uitgangspunt, waren we het erover eens dat we onszelf een plezier hadden gedaan met dit tripje. Voor herhaling vatbaar. Wordt aan gewerkt.

donderdag 3 augustus 2017

Minder is meer

Soms blijf ik zomaar aan een woord haken. Ik had het laatst met ‘oorwurm’. Ik lees zo’n woord en verdwaal prompt in fantasieën over het doen en laten van dit schepseltje. Gisteren nog startte met het woord ‘topoverleg’ in mijn hoofd een film met silhouetten achter kantoorramen die onverstaanbare vergadertaal mompelen. Vandaag wil het woord ‘beperking’ ineens aandacht. Is goed, ik ben de kwaadste niet, we gaan het erover hebben.
‘Beperking’ heeft een slechte reputatie. Het heeft de gevoelswaarde van schraal, karig, arm, sneu en onvolkomen. Iemand met beperkte middelen kan zich minder veroorloven dan hij of zij zou wensen. Een verstandelijke beperking betekent dat het brein maar gedeeltelijk functioneert. Bij beperkt zicht vertroebelt mist, regen of een vuile bril de blik op de omgeving. Een beperkte visie kan zich ook bij goed weer en schone brillen voordoen; het schort de betrokkene dan echter aan verbeelding en/of denkvermogen. Jammer maar helaas.
Een veelgenoemde categorie is die van ‘mensen met beperkingen’. Het gaat hier om mensen die door fysieke of geestelijke hindernissen – een ontbrekend been, een spierziekte, een verlamming, een gemankeerd brein – minder kunnen dan zij zouden willen. Zulke handicaps zijn gaandeweg van ‘handicaps’ gepromoveerd tot ‘beperkingen’ en ‘uitdagingen’, maar die eufemismes verhullen niet dat de samenleving ze problematisch vindt.
Dat zíjn ze ook; toch laat het probleem zich relativeren. Punt één is dat beperkingen doodgewoon zijn. Het hele bestaan begint en eindigt ermee: zowel het opgroeiend kind als de aftakelende senior is een toonbeeld van onvolkomenheid. Daarnaast is wat de één als beperking beleeft, rijkdom voor een ander. Een ontheemde vluchteling voor oorlog of honger zou denkelijk zó willen ruilen met een welvarende westerling in een rolstoel, terwijl het omgekeerde minder voor de hand ligt.
Een voordeel van beperkingen is dat ze het gevoel voor essentie en kwaliteit versterken, wat van overvloed niet kan worden beweerd. Kijk maar naar de kunsten, waar de Meister zich toont in de Beschränkung, een nocturne voor piano niet per se onderdoet voor een zwaar opgetuigde symfonie en ingetogen stromingen zoals Minimal Art of Less is More minstens zo interessante werken hebben opgeleverd als de barok.

Gezien het onderwerp moet ik het hier helaas bij laten.

donderdag 27 juli 2017

Deze dag kan niet meer stuk

Er zijn van die dagen dat ik mezelf niet goed begrijp. Vandaag bijvoorbeeld. Ik word wakker met een hoofd vol gisteren, toen het lichaam overal nee op zei, als een bokkige puber die nergens zin in heeft. De benen zijn nog steeds van lood, merk ik als ik opsta. Geen beste start.
Ik ga naar beneden en zet me werktuiglijk aan de rituelen van de ochtend: kranten van de deurmat, koffie in de filter, water in de kan, nieuw brood aansnijden. En dan gebeurt het. Elke keer als ik de eerste snee van een vers, zelfgebakken brood proef, is er die kleine sensatie van hoe lekker een doodgewone boterham kan zijn. Al helemaal met verrukkelijke rosbief en koninklijke kaas en hemelse marmelade, zodat elke beet een feestje wordt. De koffie besluit mee te doen door precies zo geurig en sterk te zijn als ik ideaal vind. En dan wenkt er ook nog eens een verleidelijke wilde perzik met fluwelen huid en sensueel, zoet vruchtvlees. Nee, deze dag kan niet meer stuk.
Ik zeg het ook hardop: “Deze dag kan niet meer stuk.” En dan verbaas ik me toch over mezelf. Ik heb een paar invaliderende kwalen tegelijkertijd, zodat ik dag in dag uit met de tong op de schoenen achter mezelf aan hijg, een recept eigenlijk voor een hoop teleurstellingen en frustraties waaraan een medisch psycholoog de handen vol zou hebben – en ik ben al blij te maken met een simpele boterham?
Het zou mooi zijn als ik die blijdschap wist toe te schrijven aan een effectvolle studie mindfulness, die me afdoend geleerd had in het hier en nu te leven. Nou heb ik wel eens verdiept in dat onderwerp en ben ik er ook van overtuigd dat concentratie goed is voor de mens, maar ontbijtsensaties heb ik er niet aan overgehouden. Nee, ik denk dat het meer geluk dan wijsheid is dat ik mijn stemming niet duurzaam laat bederven door mijn mankementen en beperkingen. Kennelijk heb ik geen groot talent voor zwaarmoedigheid. Daar kan ik wel mee leven, zogezegd.

Fijn ontbijtje dus. Sla ik op in het fijne-ervaringen-archief, dat ik koester als tegenwicht voor alle mineurmomenten die het leven in petto heeft. “Deze dag kan niet meer stuk.” En morgen hopelijk dito. 

zondag 23 juli 2017

Ineens is het overmorgen

Dat was nog niet zo’n slecht idee: het Longfonds een recent stukje sturen over hoe ik als zuurstofgebruiker ‘uit de kast kwam’. Daar zullen onze leden zich in herkennen, reageerde het fonds, en of ze het op hun Facebookpagina mochten plaatsen. Dat mocht, en de herkenning was massaal. Het stukje kreeg binnen de kortste keren duizenden clicks en honderden reacties, variërend van duimpjes en hartjes tot emotionele ontboezemingen.
Een gedeelde ervaring kan steun bieden. Dat had ik al eens ondervonden tijdens bijeenkomsten van lotgenoten die ervaringen en tips uitwisselden; het bleek ook nu ik deelde hoe lastig ik het vond, me in het openbaar te vertonen met een zuurstofslangetje in de neus. Het troost als je merkt dat je niet alleen staat met jouw probleem. En het helpt als iemand met dezelfde makke vertelt hoe hij daarmee omgaat, zowel in praktische als in mentale zin.
Voornoemd stukje mondde uit in een aarzelende conclusie. Ik zag wel in dat ik bij inspanning beter naar het slangetje kon grijpen, maar deinsde er ook voor terug. Op een dag zou ik er wel aan beginnen, ooit, ‘overmorgen misschien.’ Dat was onbedoeld profetisch. Want kort nadat ik de blog publiceerde, kreeg ik een flinke longaanval. Plus het advies van de specialist om voortaan dagelijks zuurstof te gaan gebruiken. Het was ineens ‘overmorgen’ geworden.
En dus zit ik nu me met slangetje te typen, deed ik onlang met slangetje een muziekfestijn aan en ga ik morgen met slangetje op bezoek bij vrienden. Als iemand vraagt wat het me doet, zeg ik schouderophalend: “Het is niet anders,” of: “Jammer, maar het is wel beter.”Dat klinkt iets opgewekter dan ik me voel, want in feite is die hele zuurstofmikmak natuurlijk een nieuwe stap naar de grote duisternis.
Maar dat na andere hulpmiddelen nu ook de zuurstof zijn entree heeft gemaakt, stemt me toch minder donker dan ik gedacht had. Ik herinner me dat ik voor het eerst in een longrevalidatiekliniek kwam en daar mismoedig werd van al die rollators, scootmobielen en zuurstofflessen. Was dat mijn voorland? Inmiddels heb ik dat land bereikt en vind ik toch minder onherbergzaam dan ik vermoedde. Het is lastig, onrustig en onveilig, en de TomTom werkt er niet, maar er valt te leven, niet tegen de klippen op, wel tussen de klippen door. Boeiend, maar vermoeiend. En andersom.


vrijdag 14 juli 2017

Lonneke met haar akelige spuit

Als de telefoon rinkelt, denk ik steeds dat het de speciale apotheek is. Maar nee. Niet dat ik er reikhalzend naar uitkijk, integendeel, ik moet er juist niets van hebben, maar er valt niet aan te ontkomen: een afspraak voor een hernieuwde hormoneninjectie.
Het verhaal dat ik zes jaar geleden in HP/De Tijd schreef over mijn kennismaking met prostaatkanker begon op eenzelfde manier: hoe ik ijsberend door mijn woonkamer de komst van Lonneke afwachtte, een gespecialiseerde verpleegkundige die me mijn eerste hormoonprik kwam geven, ‘de akeligste injectie van mijn leven’.
Amper bekomen van de schrik dat kanker mijn lijf belaagde, kreeg ik destijds ook nog eens kippenvel van het idee dat een hormoonspuit mijn gemoed ging ondermijnen. Zo’n spuit stopt de productie van testosteron, voedingsstof van prostaatkanker. De kanker kan daardoor niet groeien. Maar testosteron is tevens het stofje dat mannen temperament, daadkracht en libido geeft. Een man zonder testosteron leek me als een auto met een snorfietsmotortje. Vandaar dat ik ijzend liep te ijsberen in afwachting van Lonneke met haar spuit.
Inderdaad beroofde de hormoonprik me van heel wat pit en puf. De tegenprestatie was dat de kanker zich gedeisd hield. Na een paar jaar kon ik zelfs een hormoonpauze nemen, waar ik van opveerde. Eind 2015 verried een bloedwaarde dat het opnieuw begon te rommelen in het vooronder. Voorlopig boden hormoonpillen – minder heftig dan spuiten – soelaas. Maar inmiddels concludeert de uroloog uit nieuwe gegevens dat de kanker er duidelijk zin in krijgt en dat het tijd wordt terug te grijpen naar de injecties. “U wordt gebeld.”
Een lelijke tegenvaller. Toch raak ik er niet van in mineur. Gisteren zag ik een eerder opgenomen Vlaamse film over een man met Multiple Sclerose. Daar bleef me een zinnetje van bij, dat meer mensen met chronische mankementen zullen herkennen: ‘Ziek zijn moet je leren.’ Door een blijvende aandoening loop je schrammen en deuken op die je in een volgende fase van pas kunnen komen. Ze leveren bijvoorbeeld nuttige ervaringen en herinneringen op, verscherpen de blik of verdiepen gevoelens. Een verschil tussen de vorige Lonneke en de volgende is dat ik nu weet wat me te wachten staat en dat zulks nou ook weer niet de hel is. Een rustiger besef dan de diffuse vrees voor vage misère, die me vorige keer beving.

Neemt niet weg dat ik toch heel graag met de Bevoegde Autoriteiten zou afspreken dat het nu even welletjes is geweest. Een mikmakloze zomer, valt dat te regelen?

maandag 10 juli 2017

Benauwd avontuur (2)

Ik kom er net pas achter dat ik mezelf leuk vind. Vijfenzestig jaar heb ik erover gedaan, vijfenzestig lange, volle jaren, en nu pas zie ik het in, geef ik het toe, kom ik er rond voor uit: ik vind mezelf leuk. Jottem!
Excuseer de malle aanhef, maar het ziet er dan ook mal uit: ik zie zojuist pas dat ik op Facebook een duimpje heb opgestoken bij mijn laatste stukje, ‘Benauwd avontuur’. Dat zou wel érg koket zijn, zo’n compliment aan mijn eigen voortreffelijkheid. Het betrof dan ook een vergissing. Mijn duimpje was bedoeld voor een reactie op mijn stukje, maar kwam per ongeluk onder het stukje zelf.
Nu ik erachter kom, vind ik het ook wel komisch. Schrijf ik op ernstige toon over een hachelijke aflevering van mijn medische avonturen, rond ik dat olijk af met een opgestoken duim. Op de Eerste Hulp beland met je lamentabele longen: goed gedaan, jochie! Leuk!
In werkelijkheid was het natuurlijk niet zozeer leuk en vooral confronterend. Dat COPD periodiek opflakkert, had ik vaker ervaren, maar dat zo’n longaanval tot ziekenhuisopname kan leiden, wist ik tot dusver alleen uit de boekjes. En nu leek ik toch aan de beurt te komen. Uiteindelijk kwam ik alsnog met de schrik – en extra medicatie – vrij.
Hoe het verder ging? De krachtpillen doen hun werk: de ademnood is afgenomen, de crisis geluwd, de toestand wordt stukje bij beetje normaler. Dus onderhand zou ik wél een duimpje kunnen opsteken over het verloop van het benauwde avontuur. Maar daar ben ik toch terughoudend in. Men moet de goden niet verzoeken, zegt het bijgeloof. En men moet de dag niet prijzen voordat het avond is, zegt de ervaring.
Hoewel... Ik verzoek de goden toch of ik alvast de middag mag prijzen nu het nog middag is en de middag me goed gezind is. Dan zien we vanavond wel weer verder.



vrijdag 7 juli 2017

Benauwd avontuur

De kranten staan, zoals elke dag deze zomer, vol advertenties van reisbureaus die lome zwembadvakanties voor een habbekrats beloven, of juist dynamische trips vol avontuur in Verweggistan. Ik hoef ze geen van alle. De eerste hebben me nooit gelegen en van al die dynamiek krijg ik het bij voorbaat benauwd.
Bovendien hoef ik voor het avontuur niet ver van huis. Zo zat ik gisteren tot mijn eigen verbazing ineens bij Spoedeisende Hulp, een ziekenhuisafdeling met een naam die op acute hulpeloosheid duidt. In mijn geval ging het om toenemende benauwdheid. Met weinig adem ben ik als COPD-patiënt wel vertrouwd, maar de laatste dagen werd de nood wel nijpend. Toen een pepkuur onvoldoende hielp, werd ik doorverwezen naar de eerstehulppost. Om daar een paar uur later en na diverse onderzoeken te horen dat de dienstdoende longarts me wilde opnemen. Een periodieke longaanval, eigen aan COPD, maar nu in XL-formaat.
O nee, dacht ik, niet wéér, de laatste keer dat ik in het ziekenhuis belandde, kwam ik er pas na zes weken en diverse beperkingen rijker weer uit, om meteen door te reizen naar een revalidatiecentrum dat me nog eens een poos van de straat hield. O nee, niet wéér, dat is vragen om een depressie. Goed, zei de arts na een flink gesprek, dan maar naar huis, zij het met een heleboel extra medicatie en een vervolgafspraak. En een feestelijk flesje wijn, maar dat zei de dokter er niet bij, dat besliste ik die avond.
Waarom schrijf ik dit op? Ik ben gewoonlijk terughoudend over mijn medische akkefietjes. Daar is mijn privacy noch de lezer bij gebaat. Ik vind zulke fysieke feiten eigenlijk alleen ter zake, als ik er een gedachte aan kan vastknopen die mezelf verder helpt of waar een ander wat aan zou kunnen hebben. Over de balans tussen willen en kunnen, bijvoorbeeld, of over de perceptie van ziekte en gezondheid.

Wat denk ik vandaag, mijn eerste ziekenhuisspijbeldag, tussen de pillen en de inhalaties en de vernevelingen door? Dat het goed was mijn longen volop aandacht te geven en tegelijkertijd op mijn gemoed te letten. Ik was waarschijnlijk ongelukkig en gestrest geworden van een verblijf in het hospitaal, met alle gehannes vandien en allerlei beperkingen en allemaal andere zieken om me heen. Mijn eigen huis en mijn eigen lief en mijn eigen feestelijke flesje werken curatiever. Vooralsnog, maar toch.

dinsdag 4 juli 2017

Hoe lullig is de scootmobiel?

Hoe lullig is de scootmobiel? Zelf zou ik die vraag niet gauw bedacht hebben, maar hij werd me aangereikt door de Volkskrant. In de rubriek Gadgetdesk bespreekt Bard van de Weijer een nieuw type scoot, dat drastisch afwijkt van de gangbare ‘lullige karretjes’.
Die meewarige kwalificatie trof me vol in het gemoed. Dus zó worden scootmobilisten bezien: als berijders van voertuigen die zo onnozel ogen dat ze de berijders zelf ook tot sukkels maken. In het AD heette het eerder ook al dat de gewone scootmobiel de boodschap ‘invalide en hulpeloos’ uitzendt en mensen stigmatiseert.
Het is een soort berichten dat me irriteert. Ja, het nogal wiedes dat mensen een scootmobiel berijden omdat ze niet goed ter been zijn. En ja, de vormgeving van de gangbare scoot kan praktischer en vlotter. Maar is het daarom een lullig karretje dat zijn gebruikers als meelijwekkend bestempelt? De termen zeggen eerder iets over degenen die ze bezigen dan over wie het betreft.

De gesignaleerde nieuwe scoot betreft de zogeheten Scoozy, die nog op de markt moet komen. Het moet gezegd, die Scoozy is een lekker ding. En hij lijkt ook nog eens doordachter, veiliger en comfortabeler dan de conventionele scootmobiel. Maar de aangekondigde verkoopprijs is een regelrechte afknapper: ruim 8500 euro, twee tot drie keer zo duur als goede gangbare exemplaren en daarmee onbetaalbaar voor de doorsnee gebruiker. Komt er eens een fijne scoot, is-ie alleen voor de happy few. Dat is nou écht lullig.

woensdag 28 juni 2017

Niets te verliezen

Nou ben ik het zat. Ik zit al uren zomaar wat voor me uit te chagrijnen, dat moet nu maar eens afgelopen zijn. Of... chagrijnen is het niet precies, het is eerder een vaag soort somberen, tobben zonder onderwerp, droogmiezeren, sikkeneuren, korzelen, binnensmonds mopperen op niets in het bijzonder, een wrevelloze wreveligheid die zich niet laat duiden.
Van tijd tot tijd is het hierbinnen zoals het momenteel hierbuiten oogt: bewolkt zonder dat ook maar één wolk valt te herkennen. Ik schat dat het de rekening is die ik gaandeweg de rit betaal voor de hordes die ik al passeerde, voor al die momenten van te weinig lucht en te veel kruim, al die momenten van mis en moeilijk waar ik niet bij wou stilstaan maar die toch hun prijs hebben. Dan komt er een dag dat de kassa ineens blijft rinkelen voor de nog niet voldane rekeningetjes.
Mensen winnen zó graag, dat ze niet goed leren hoe te verliezen. En dat terwijl verliezen veel gebruikelijker is dan winnen. Niet alleen kent (behalve bij remises) elke wedstrijd noodzakelijkerwijs maar één winnaar, ook verliest iedereen maar dan ook ie-der-een zijn belangrijkste ronde, namelijk de laatste. Wie weet, valt de spreekwoordelijke berusting van oudere mensen wel te verklaren uit het troostende inzicht, dat er naarmate de levensavond vordert steeds minder te verliezen valt. Kracht, vitaliteit, energie, tempo, ambitie: stuk voor stuk klinken ze gaandeweg in om – als het een beetje meezit – plaats te maken voor bezonkenheid en rust. Een houding die boeddhisten op hun manier ook nastreven.
Het is misschien wel zoals Janis Joplin het zo meeslepend zong: ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose.’ Als je niets meer te verliezen hebt, dan ben je pas echt vrij. Het blijft doodzonde dat zij dat stadium al op haar 27ste bereikte, maar er spreekt een onthechtheid uit, die me elke keer treft als ik zinnetje ergens tegenkom. Wat verliezen we precies met het vorderen van de jaren? Ongekende mogelijkheden, natuurlijk. Maar ook aanstaande teleurstellingen. Verrassende verrukkingen. Maar ook onbekend verdriet. We verliezen in elk geval verwachtingen. Maar dat verlies kun je ook zien als winst, of zoals Joplin zei, als vrijheid.

Buien is het nog steeds wolkeloos bewolkt, zie ik. Maar ik geloof dat het binnen nu toch ietsje lichter wordt. 

donderdag 22 juni 2017

De kracht van de verbazing

Er zijn van die dagen dat ik me voortdurend verbaas. Niet omdat er overal duveltjes uit doosjes springen, de koning aftreedt, de formatie rond is of Donald Trump een nieuw kapsel heeft, nee, omdat het leven van alledag ineens ongewoner lijkt dan gewoonlijk.
Gisteren zit ik in de wachtkamer van een centrum voor diagnostiek om een prik te halen. Ik kan die ruimte dromen, zo vaak kom ik er, en toch kijk ik weer aandachtig rond. Ik zie niets nieuws, maar ik voel iets ouds: het natrillen van geschiedenissen die hier begonnen met grafiekjes en cijfers die me weer naar andere wachtkamers brachten, operatiekamers, intensive cares – een lange reis vol spookverhalen die nooit wennen.
Ik scoot daar weg, de zomerwarmte in, die getemperd wordt door een zoele wind. Het weer went ook nooit, we hebben het er elke dag onnieuw over. Aan de overkant van een doorgaande weg wenkt een lommerrijk park. In de verte zie ik een auto, maar die is nog op veilige afstand, ik kan gerust de zebra over. Ik ben amper aan gene zijde, of de wagen scheurt achter me langs, hij rijdt veel te hard. Een nijdige claxon snerpt me om de oren. Een foetertoeter.
Ook verbazend. Wat bezielt zo’n bestuurder? Hij is een jaar of vijfentwintig, zie ik nog net, en hij heet Wesley, of Kevin, denk ik. Voor 700 euro heeft Wesley/Kevin de metallic-grijze middenklasser gekocht, en daar is hij nu mee aan het gassen, yes, met 70 door de bocht, lekker man. Shit, krijg nou wat, een bejaarde op een scootmobiel, steekt nog over óók, denkt zeker dat ik afrem, nou mooi niet, ouwe gek, ttúúúúúúhhhh, dat zal ‘m leren, die halve zool met z’n sloommobiel – de straat is van mensen die van tempo maken houden.
In het park nemen de vogels het over van de woedende claxons. De vogels, plus de bomen-van-de-vele-blaadjes, die kunnen ruisen als een beste zee. Een meisje loopt op blote voeten over het plantsoen, haar schoenen houdt ze in een hand, de andere veegt de lange haren weg die voor haar ogen dansen. Het is het oerbeeld van de sixties, langharig meisje op blote voeten in het gras, ik ken het al zo lang en toch frappeert het me. “Lekker?” wil ik vragen, maar dat doe ik niet, het antwoord ligt voor de hand.

Verbazing is een mooie kracht. Ze blaast het stof weg van de geschiedenis, die daar die weer glans van krijgt, toont die ene nog niet geziene kant, de andere dimensie, een nieuw perspectief. Goed blijven oefenen, Matt.

maandag 19 juni 2017

Waar we het eigenlijk ook eens over moeten hebben

Waar we het eigenlijk ook eens over moeten hebben, is het woord ‘eigenlijk’. We gebruiken het om de haverklap, maar staan er nooit zo bij stil. Behalve nu dan even.
‘Eigenlijk’ klinkt als een stoplap, een hol woord dat zelf niet veel betekent en vooral dient om een adempauze te verschaffen als we niet gauw genoeg een antwoord weten of op de juiste woorden komen. “Nog een wijntje?” “Eh, eigenlijk wou ik naar huis.” Hoe vond je de voorstelling?” ”Best interessant, eigenlijk.”
Zo zien we al meteen dat een holle term toch vol betekenis kan zijn. Het woord ‘eigenlijk’ schminkt onze onzekerheid voor een moment weg. Dat laatste wijntje lusten we wát graag, maar ja, morgenochtend roept het werk weer, dus we aarzelen tussen twee belangen, plicht en plezier, en geven onszelf nog een paar tellen bedenktijd. Of het theater had ons een moeilijk stuk voorgeschoteld, waar we niet eentweedrie raad mee weten, maar dat wel voor belangrijk doorgaat, zodat we – om niet voor culturele lichtgewicht door te gaan – naar een ontwijkend antwoord zoeken.
Op die manier gebruikt, kan ‘eigenlijk’ ook suggereren dat we iets doen of laten in het besef dat we het beter kunnen laten c.q. doen. “Eigenlijk moet ik meer sporten.” “Eigenlijk ben ik te veel met mijn werk bezig.” Of de onthulling: “Eigenlijk ben ik monogaam.” Het zijn zinnetjes waarvan de tweede helft ontbreekt. Ik moet meer sporten, maar ben daar te lui voor. Ik ben een workaholic, want het werk geeft me veel voldoening. En ik mag dan wel monogaam zijn, voor jou dreig ik een uitzondering te maken.
Behalve onzekerheid licht er ook wel een bepaalde diepte achter het woord ‘eigenlijk’ op. Een vraag naar achtergronden, verscholen bedoelingen en onuitgesproken intenties. “Wat bedoel je eigenlijk?” “Hou je eigenlijk nog wel van mij?” ”Eigenlijk heeft de regering de kluit belazerd.” Hier heeft ‘eigenlijk’ de betekenis van ‘in werkelijkheid’, ‘welbeschouwd’ ‘au fond’ of ‘in essentie’. Met een beetje bravoure zou je kunnen stellen dat achter ons eenvoudige woordje de grootste vragen van de existentie opduiken. Uiteindelijk zouden we allemaal wel willen weten wat schijn is en wat wezen, hoe de werkelijkheid nu echt in elkaar steekt, wat toch de kern is van ons raadselachtige bestaan.

Ik sla op hol, merk ik. Tropenkolder waarschijnlijk. Het is 31 graden. Geen weer voor moeilijke stukjes, eigenlijk.

dinsdag 13 juni 2017

Even nahijgen

Kennelijk stond er een goeie kop boven mijn vorige stukje. En dan doel ik niet zozeer op de illustratie: een foto van schrijver dezes met zomerhoed en zuurstofslangetje. Nee, ik bedoel het opschrift ‘Een hijger komt uit de kast’. Hoe dan ook, het stukje trok nogal de aandacht.

Via Facebook kwam ook een hele trits reacties los, veelal afgerond met een bemoedigend ‘sterkte!’. Allereerst: mijn dank daarvoor. Vervolgens moet ik er toch nog even over nahijgen.
Dit weblog gaat over van alles dat me opvalt, invalt en overvalt, en dat is méér dan alleen mijn medische mikmak. En als ik over die mikmak rep, beperk ik me ook weer. Ik schrijf niet graag en niet vaak over de nare, donkere, pijnlijke, verdrietige kanten van fysiek malheur. Zulk proza wordt me al gauw te klagerig en te melodramatisch. Als vanzelf, van de weeromstuit misschien, zoeken mijn stukjes juist het licht op, de hoop, de kansen.
Maar nu en dan geef ik mezelf toestemming voor een moeilijk blogje en probeer ik scherp te krijgen hoe ziektes een mens kunnen bezeren en bezwaren en beperken. Er zijn van die uren dat de vloek zich beter laat vinden dan de lach en de dofheid sneller dan de gloed. Ze vallen niet te ontkennen, die bewolkte momenten, ze horen erbij. Je kunt de spoken van het leven beter in de lelijke smoel kijken, dan proberen ze weg te wuiven.
Dat had ik in gedachten toen ik schreef dat mijn longaandoening me net zo benauwt als het idee dat ik publiekelijk aan het slangetje moet, aan de zuurstof, met de Z van Zichtbaar Zwak en Ziek. Het is in theorie maar een hulpmiddel, net als een rollator of een wandelstok, maar bij zuurstof gaat het om iets essentieels, iets existentieels, iets waar het leven mee staat of valt. Je kunt niet zonder. Met een Z.
Maar ik hoef ook niet Zonder. Dan maar een slangetje, Zonodig. En zo Zwak is het nou ook weer niet om te laten zien dat je jezelf een handje helpt. Het luchtte zelfs een beetje op toen ik mezelf met slangetje (en hoed) terugzag op internet. Maar die bemoedigende reacties deden me stiekem toch wel goed.


zondag 4 juni 2017

Een hijger komt uit de kast

Het weer zat alvast mee: droog, tamelijk zonnig en niet te warm. Welgemoed chauffeerde ik eega en kleindochtertje naar Bergeijk, waar ze een lang weekeinde gingen kamperen. Getweeën, zonder mij, want voor het tentleven heb ik het gestel niet meer.
De gereserveerde plek onder de bomen was mooi en ruim bemeten. Ik klapte een stoeltje uit en keek toe hoe de twee aan het werk gingen met stokken, scheerlijnen, haringen en tentdoek, wat nog een hele klus is voor een één volwassene en een zevenjarig kind. Met elke hamerslag op een haring daalde mijn stemming en steeg mijn gêne, want ik zag mezelf daar zitten als een pasja die met de armen over elkaar neerkeek op zijn werkvolk.
Die stemming werd nog donkerder toen ik op weg naar het toiletgebouw stuitte op allerlei hobbels en hellinkjes die niemand opvielen maar die voor mij uitpakten als één lange hindernisbaan ten koste van zoveel adem en kracht in de benen dat ik twee keer moest stoppen om bij te komen.
Met de tong op de schoenen terug bij het tentje, bleek de auto niet meer te starten. Onoplettendheid, accu leeg. Een uur later was dat probleem verholpen en reed ik in mijn eentje terug naar huis, in een stemming die laveerde tussen ergernis, vermoeidheid en frustratie. Niet meer kunnen wat je wilt: hoe vaak had ik dat al ervaren? En toch wende het maar niet.
Onderweg kreeg ik een verschijning. Het was mijn fysiotherapeute Anne-Marie, die me altijd aanraadt bij inspanningen extra zuurstof te gebruiken. Dat doe ik wel in de beslotenheid van de fysiopraktijk, maar niet in het openbaar. “Had je op die camping zuurstof gebruikt, dan was het vast beter gegaan.”
Ik was toch ook al eerder uitgekomen voor mijn beperkingen en me gaan tooien met wandelstok, rollator en scootmobiel, allemaal illustraties van het feit dat ik gaandeweg slechter ter been was geworden. Waarom dan niet nu uit de kast komen als hijger? Er is toch geen principieel verschil tussen een neusbril en een leesbril, tussen het ene hulpmiddel en het andere?
Toch wel. Zo’n slangetje in je neus oogt als een bijna-dood-verklaring. Wanneer in een film een acteur moet spelen dat hij ernstig ziek is, tooien ze hem met een zuurstofslangetje. Maar ja, zou Anne-Marie zeggen, liever zuurstof dan frustratie. Moest ik er dan toch maar aan geloven? Misschien kon ik er het best mijn witte zomerhoed bij opzetten. Weinig lucht maar air genoeg.

Ooit. Op een dag. Misschien overmorgen.

donderdag 25 mei 2017

De hemel bestaat wel degelijk

Goed, dan niet. Geen punt hoor. Even goede vrienden. Ik zit er echt niet mee. Maar slim is anders.
Had ik vorig jaar op deze plek zo’n mooi alternatief voor Hemelvaart bedacht, heeft niemand daar oren naar. Als het bijtijds was overgenomen, hadden we dit jaar al de eerste Nationale Hemelse Dag kunnen vieren, een happening voor gelovigen en ongelovigen met een motto dat iedereen aanspreekt: de fijnste feestdag van het jaar. De hele wereld had ons erom benijd, tv-stations van heinde en verre waren erop afgekomen, de talkshows kwamen er niet over uitgepraat en in verspreide metropolen gingen massa’s de straat op om in navolging van Nederland óók een Hemelse Dag op te eisen. Had allemaal gekund, is allemaal niet gebeurd. Soit.
Ik ben dus maar in mijn eentje Hemelse Dag gaan vieren. Echt in mijn eentje, want mijn geliefde had het te druk met dringender zaken. Ik dus op mijn scoot de zomerwarmte in om me te verlustigen aan de bermflora, die her en der stond te bloeien alsof het allemaal niks kostte, wat nog waar was ook. De zon streelde mijn kruin, de heerlijkste bloemengeuren dreven voorbij, vogels floten er passende sonates bij en ik neuriede mijn oude held Ray Davies na, ‘lazing on a sunny afternoon,’ luierend op een zonnige middag.
Ik stopte ergens aan het water waar een paar bomen en een ranke fietsbrug perspectief aan het landschap gaven en mijmerde een tijdje over de hemel. Wie wist daar nog wat van, sinds de secularisering met het geloof ook het hiernamaals tot iets van vroeger had gemaakt? Als katholiek misdienaartje kon ik me nog wel een voorstelling van de hemel maken. Niet al te concreet, maar dat het er aangenaam was, wist ik zeker: een geheime plek in de wolken waar de doden elke dag goede zin hadden. Gaandeweg taande die zekerheid om plaats te maken voor het idee dat het menselijke voortbestaan zich beperkte tot de herinnering en de geschiedenis: een echo van ooit, die ijler en ijler werd en oploste in de abstractie. Maar ja, daar maak je niet eentweedrie een nationale feestdag van.
Zo zat ik daar aan het water te peinzen, tot ik het ineens zag. Die hemel bestaat wel degelijk. In ons hoofd. Op de plek waar de verbeelding woont. Nergens zijn we gelukzaliger dan in onze dromen, nergens zijn de mensen mooier en liever, is de natuur weergalozer, zijn verrukkingen verrukkelijker en sensaties sensationeler. We dromen met gemak een hele zevende hemel vol, en een achtste toe.

Enfin, daar was ik wel even zoet mee, ik werd er helemaal loom van, lazing on this sunny afternoon. “Fijn tochtje?” vroeg de geliefde. Ik knikte: “Het was nog een hele trip.” 

vrijdag 19 mei 2017

Idylle met rouwrand

Menno (l) en Paul (r) de Nooijer
Voor de tweede keer ‘Het laatste Kunstje’ bekeken, een documentaire over de kunstenaars Paul en Menno de Nooijer, gisteravond uitgezonden in Het uur van de Wolf.
De eerste keer was september 2016, toen de film van Jacomien Kodde tijdens een festival in Vlissingen in première ging. Daar wou ik bij zijn omdat ik nogal bij vader en zoon De Nooijer betrokken was geraakt. Dat begon met een interview met Paul, lang geleden in weekblad De Tijd, het vervolgde met een tweegesprek voor HP/De Tijd en het mondde uit in bijdrages aan hun multimediaproject Half the Horizon, hier al vaker beschreven.
De documentaire scharniert rond de prostaatkanker die Paul de Nooijer getroffen heeft, maar waaiert uit over de hele loopbaan van het duo in de avant-gardefilm en –fotografie. Er worden nogal wat constantes zichtbaar. Ze grijpen graag naar surrealistische elementen. De schminkdoos is nooit ver weg. Kleren zijn theatraal, of juist afwezig. Starre blikken in de camera en statische poses worden afgewisseld met versnelde filmbeelden die samen een sfeer van vervreemding oproepen. En hoewel er zelden wordt gelachen, valt er regelmatig te grinniken.
Die grinnik is tegelijkertijd interessant en lastig. Valt er met kanker eigenlijk wel te lachen? Niet heus, zou je zeggen, want kanker leidt nogal eens tot de dood. Maar als Menno alvast een doodskist voor de zieke Paul timmert en hem die trots presenteert: – “Hij is klaar!” – heeft dat toch wel iets komieks. Hetzelfde geldt voor de scène waarin een hondje likkebaardend een hapje prostaat verorbert. De lach die dan opwelt, maakt de zwaarte van het onderwerp licht en werpt een zonnestraal door het donker heen.
We zien vader, moeder, zoon, schoondochter en de drie kleinkinderen rondscharrelen op hun prachtige Zeeuwse landgoed, kalm doende met de walnoten- of tomatenoogst, een klusje of een filmshot, en in de volgende scène dient de kanker zich weer aan om de idylle van de grootfamilie-in-het-groen van een zwarte rouwrand te voorzien. That’s life, lijkt de film te zeggen: zó loop je rond, zó lig je in je kist, je kunt erom huilen, je kunt er ook iets van zien te maken – al is het je laatste kunstje.

Maar op het laatste kunstje dat Half the Horizon leek te worden, volgden er nog een paar, want Paul vond onverhoopt baat bij een nieuw medicijn – Enzalutamide – dat zich net op tijd aandiende. Toen ik hem zojuist aan de telefoon had, klonk hij energieker dan ooit. Dit weekeinde nieuwe opnames in Goes, zei hij vergenoegd. Ik hoorde hem in zijn handen wrijven. 

donderdag 18 mei 2017

Geluk is knielen op een bed violen

Nou hebben ze weer uitgevonden dat Ede de gelukkigste gemeente van het land is en Rotterdam de ongelukkigste. Gereformeerd Ede, in het holst van de Veluwe met z’n zwarte kousen! En bruisend Rotterdam, dat vorige week nog massaal stond te feesten met Feyenoord!
Het staat in de nieuwe Atlas voor Gemeenten, die dit jaar het geluk als thema heeft. Een onzinnig thema, wat alleen al blijkt uit de uitkomst dat 87 procent van alle Nederlanders gelukkig zou zijn. Zulke cijfers slaan natuurlijk op gemiddeldes, terwijl nou juist geluk een individuele emotie is die niet in moyennes past.
Het gaat in zulke onderzoeken ook helemaal niet om geluk, maar om globale tevredenheid, een alledaagse gemoedsstemming die gevoed wordt door onder andere rust, groen en werkgelegenheid. Ik ben de laatste om zulke onderwerpen te bagatelliseren, maar content zijn met je huisje, boompje en beestje is echt wat anders, oppervlakkiger vooral, dan geluk.
Statistieken zijn fijn voor sociologen, maar in het volle leven heb je er niet veel aan. Ongeveer twee procent van de Nederlandse bevolking heeft de longaandoening COPD, ofwel 98 procent niet. Is COPD dus maar een klein probleem? Moet je me eens vragen als ik trappen loop. Gereformeerd Ede de gelukkigste gemeente? Lees Jan Siebelings Knielen op een bed violen en huiver.
Toch moest ik weten hoe mijn stad Eindhoven scoorde op de geluksindex van de 50 grootste gemeenten. Niet zo slim eigenlijk, want waarom belang hechten aan nietszeggende cijfers? Gelukkig was het resultaat veelzeggend. ‘Wij’ staan op de 38ste plaats, ruim achter gelukkiger Helmond en vóór ongelukkiger Maastricht. Kijk twee minuten rond in Helmond c.q. Maastricht en je weet wat zulke percentages zeggen over de kwaliteit van de respectieve steden.

Ik denk dat ik zelf maar eens een onderzoek ga houden naar de gemiddelde Nederlander. Ik heb al een vermoeden van de slotconclusie: de gemiddelde Nederlander komt in werkelijkheid niet voor. 

donderdag 11 mei 2017

Spetters in het gras

Let ik even niet op, hebben ze overal madeliefjes en boterbloemen neergezet, duizend-en-een witte en gele spetters in het gras, dat moet nog een heel werk zijn geweest.
De paardenbloemen had ik wèl gesignaleerd. Die zijn inmiddels goeddeels uitgebloeid en getransformeerd tot pluis. Ik heb nu toch al een paar lentes meegemaakt, maar dat pluis verveelt me nooit. Als je het zou moeten maken van je baas, kreeg je het niet voor elkaar, zo’n tere, hoogst gecompliceerde constructie. En de natuur strooit het in miljoenenvoud rond alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dat is het qua oplage ook wel, maar kijk drie seconden naar zo’n paardenbloempluis en je krijgt religieuze neigingen.
Ik zoefde op mijn scoot, Zoef d’n Twidde, door het lenteweer en deed me tegoed aan al die bermen en plantsoenen vol vers elan. Het was een tochtje dat ik wel vaker maak. Eerst door het opgeknapte park om de hoek, waar het meanderende stroompje voor mooie perspectieven zorgde. Via een tweede park en een kleurrijke woonwijk naar een natuurgebied dat weer overging in de High Tech Campus, een met smaakvolle kantoren gestoffeerd heidelandschap van een vierkante kilometer waar zo’n tienduizend bèta’s sleutelden aan de wereld van morgen, met hoogtechnische varianten op het paardenbloempluis van een weiland verderop. Een paar van die uitvinders stonden peinzend te roken tussen iele berkjes, een ander liep broedend op een onmogelijke formule over een vlonder naast een plas waar een zwaan nuffig ronddreef met in haar kielzog een roedel dommige eenden. En dan ging het de Campus weer af, het bos in, over een oude spoorbaan die tot snelfietspad is gepromoveerd, met af en toe een doorkijkje naar een ven of een kapitale villa van een eigenaar met meer geld dan smaak.

Het ging zoals het vaker gaat: ik vertrok in een bewolkte stemming, moe van het gedoe van een onwillig lijf, en klaarde gaandeweg wat op, met dank aan de madeliefjes en het toverpluis en de parken en ook de formules van de ingenieurs: ik begreep er geen jota van, maar ze hadden zin in de toekomst en dat deed me goed. Ik kreeg meteen zin in woorden. Thuis dook ik achter de pc en tikte: ‘Let ik even niet op, hebben ze overal madeliefjes en boterbloemen neergezet.’

zaterdag 6 mei 2017

Een zoen van nu en toen

De tijdperken vliegen voorbij waar je bij staat. Hier in huis nadert momenteel de era van de CD haar einde. Ik ben de muziekcollectie aan het digitaliseren. Voortaan gaan de concerten via de laptop naar de versterker. Kost geen ruimte en biedt veel meer vindgemak.
Is de CD bijna antiek, de muziekcassette is dat helemaal. Ik had al zó lang geen cassettes meer gedraaid, dat de bijbehorende recorder vergeten was hoe het moest. Ik bood ‘m voor een habbekrats aan op internet, een Nakamichi, top of the bill toen ik die in de jaren tachtig kocht - niemand die ‘m hoefde.
Het was ook te merken aan een op CD’s en cassettes ingericht dressoir, een woestgroot meubel waar ik vanaf wilde. Gratis af te halen, meldde ik op Marktplaats. Niet één reactie. Uiteindelijk kwam een kringloopwinkel de kast ophalen. Zo heb ik ook nog twee analoge fotocamera’s, al jaren in onbruik. En een cassetterecordertje voor interviews, dat zo ongeveer van de middeleeuwen dateert. (Ik heb zelfs nog een gouden vulpen, maar dat gelooft niemand.)
En toch weet je het maar nooit. Toen de CD opkwam, leek het tijdperk van de grammofoonplaat voorgoed voorbij: groot, kwetsbaar en omslachtig. Maar zie, terwijl de CD uit de gratie raakt, raakt het vinyl weer in. Ander voorbeeld. Laatst kochten we per ongeluk koffie van een grove maling, minder geschikt voor een snelfilterapparaat. Geen nood, want we hadden nog een prehistorisch elektrisch maalmachientje dat zijn lange levensduur opgewekt trotseerde en voor een lekkerder bakkie bleek te zorgen, zodat we sinds de verkeerde aankoop qua koffie met genoegen malende zijn gebleven.
We hebben de CD’s dan ook maar op zolder gestald en niet het huis uit gestuurd, dat krijgen we nog niet over ons hart. Maar nog even en we draaien ons eerste digitale plaatje. Ik denk momenteel aan The times they’re a-changin’. Zetten we er een bakje überanaloge koffie bij, hebben we Nu en Toen toch maar mooi met elkaar verzoend.


dinsdag 2 mei 2017

You Tarzan, me Jane

Nu ga ik toch al een hele poos mee, maar nog steeds heb ik mezelf niet helemaal door. Zo overschat ik mezelf nog regelmatig. Dan heb ik het niet alleen over mijn fantastische literaire kwaliteiten – gisteren verkeek ik me weer eens op mijn fysieke vermogens.
Dat die niet overhouden, weet ik wel: bijwerking van een paar chronische euvels en de medicijnen daarvoor. Inspannen wordt moeilijker als de krachten afnemen, ervaar ik dagelijks. Een deuk slaan in een pakje zachte boter lukt nog nèt, twee deuken wordt al lastiger.
Maar de meubels in de woonkamer verzetten, dat zou ik toch nog wel kunnen, dacht ik. Letten op mijn adem, tillen vanuit de benen en hoppa. Niet dus. Wat ik ook probeerde, ik kreeg de bank amper van de grond. Laat mij maar, gebaarde mijn vrouw; ze zette haar tanden op elkaar, wierp een vlammende blik op de bank en sjorde aan het meubel totdat het stond waar we het wilde hebben. “You Tarzan, me Jane,” mompelde ik.
Een lach om een traan te voorkomen: in moeilijke situaties kan humor een handje helpen. Zoals onlangs, toen ik met mijn broer, die nog niet zo lang geleden een been verloor, ervaringen op de scootmobiel uitwisselde. Ik zei dat op een scoot bij slecht weer de kou zo in je benen trok. Hij, droog: “Ik weet zeker dat ik daar 50 procent minder last van heb dan jij.” We grinnikten, blij dat we konden lachen om zijn verloren been. Zo hielp de Jane in me te lachen om de verloren Tarzan.
Grappen raken het meest als ze ons ergens op betrappen, een zwakke plek, een verzwegen vraag, een onzekerheid, een taboe, iets waar we niet gemakkelijk over praten, zodat een lach bevrijdend kan werken. Ik heb het er niet graag over hoe mijn medisch gedoe gestel en gemoed belaagt, dus wanneer de lach me een ventiel aanreikt, lucht dat wel op. Het is als een zonnestraal die door een wolkenlucht prikt: een opklaring.
 Neemt niet weg dat het nooit went, zo’n confrontatie met beperkingen en onmogelijkheden. Het was maar goed dat ik na het gehannes met de zwaartekracht naar buiten kon om me te laven aan andere natuurkrachten die de bomen het blad teruggaven en miljoenen bermbloemen lieten bloeien en de lange jonge twijgen van de wilgen lieten dansen in de wind. De natuur, dacht ik, went ook nooit.

zaterdag 29 april 2017

Spiritueel zevenblad

In de Volkskrant veegt Jacq. Veldman vandaag de vloer aan met de wijsneuzige spreuken die je vroeger wel op keukentegeltjes aantrof en die nu vooral in de social media zo in zwang zijn. Stijlbloempjes als The sky is not the limit, of Je kunt alleen tijd verspillen als je vergeet ervan te genieten. Bondige tips voor een gelukkig leven, hier of daar opgepikt en vervolgens links en rechts doorgegeven, zodat ze zich als een soort spiritueel zevenblad verspreiden.
Net als de scribente krijg ik snel kriebels van die ongevraagde hints. Ik kan al niet goed tegen boekjes die de kortste weg naar totale wijsheid en levensvervulling beloven te weten, en nog minder tegen lijstjes die deze weg bekorten tot vijf handige adviezen, allemaal uit de koker van ongediplomeerde voelhetzelvers die hun inzichten danken aan een halve avondcursus of een heel verdiepingsweekeinde, gegeven door andere zelfbenoemde goeroes met vergelijkbare papieren. De nieuwe tegeltjeswijsheden zijn nog korter van stof en brengen de geschiedenis van het denken terug tot één hapklaar zinnetje: Pluk de dag zolang het mag.
Het leven is nu eenmaal te gecompliceerd voor vingerknipoplossingen. Wàs het maar zo simpel, wou ik bijna schrijven, maar dat geloof ik eigenlijk ook niet. Het is juist mooi en fascinerend, hoe rijkgeschakeerd het bestaan is. Je blijft aan het zoeken, ontdekken, tasten, ervaren, leren, ondergaan en beleven. Dat gaat soms met pijn en moeite, dan weer met plezier en gemak, wel eens tegen heug en meug, een andere keer met smaak en vervoering: die hele encyclopedie van hoofd, hart, ziel en zintuigen.

Af en toe komt er ook in mijn (digitale) omgeving zo’n frase voorbij die een kennis of vriend aansprekend genoeg vond om die rond te sturen. Ik begrijp wel dat in iemand spontaan een uitroepteken kan opspringen bij een rake zinsnede of treffend inzicht. Ik zal zelf ook wel eens zo’n gevleugeld citaat hebben doorgebriefd. Maar lees zoiets –tig keer en het verliest zijn kruidigheid en wordt flauw. Voor bij u aan de muur daarom ter afsluiting deze wijze wenk: Pas op met spreuken. Ze gaan snel jeuken. 

woensdag 26 april 2017

Van alles over iets

Ik wou het maar eens over iets hebben. Natuurlijk heb ik het altijd wel over iets, anders zou ik stukjes van niks schrijven, wat me geen goed idee lijkt, maar zo bedoel ik het niet – ik wou het over het woord ‘iets’ hebben. Want dat is, hoe vertrouwd het ook klinkt, toch wel een vreemd geval.
Ik kom erop via mijn kleindochtertje Madee, die gisteren op bezoek was en aankondigde dat ze ‘iets’ ging tekenen. “Dat is nog best moeilijk,” zei ik, in een mengeling van plagerij en levensbeschouwelijke vorming. “Want hoe ziet ‘iets’ er eigenlijk uit? Is het een tafel, een dier, een mens, een wolk? Nee, want die heten tafel, dier, mens en wolk. Maar iets? Het kan niet eens lucht zijn, want dan heette het wel lucht. Lastig hoor.”
Ze keek me hoofdschuddend aan en begon te tekenen aan wat haar antwoord op Picasso bleek te worden. Speels improviserend had ze het problematische begrip ‘iets’ gedefinieerd als een kleurrijke abstractie, wat ik voor een zevenjarige wel een filosofische prestatie vond.
In de taalwetenschap geldt ‘iets’ als een onbepaald voornaamwoord, van eenzelfde kaliber als niets, iemand, niemand, alles en iedereen, een woord dat verwijst naar vage dingen of personen. Iets kan op niets duiden, maar evengoed op alles, en vice versa, zodat het een eenvoudig mens al snel gaat duizelen. Het is ook een kei-analoge denkoefening, want in de digitale wereld kan 1 (iets) gewoonweg niet gelijk zijn aan 0 (niets). Al net zo problematisch is de oude wijsheid ‘beter iets dan niets’. Als we niet echt weten wat iets is, en ook niet wat niets is, hoe kunnen we dan met droge ogen beweren dat het een beter is dan het andere?
‘Iets’ is te vergelijken met ‘ergens’ – ook zo’n ergerlijk mistwoord. Het betekent: op een of andere plaats, hier of daar, ginds zou ook kunnen, of links, rechts, boven, beneden, voor, achter en wie weet wel tussen. Het kan ook staan voor: op de een of andere manier, in zekere zin, tot op (on)bepaalde hoogte, min of meer. Ga er maar aan staan.

Iets zegt me dat ik het de volgende keer beter ergens anders over kan hebben.

zaterdag 22 april 2017

Beeldschone vrouw zoekt MAN

Contactadvertenties in kranten zijn curiosa geworden. Mensen die via media een partner zoeken, wenden zich eerder tot websites als Tinder. De spaarzame papieren oproepen mag ik graag lezen. Niet omdat ik de veelwijverij ben toegedaan, maar omdat ze weleens intrigerende inkijkjes in anderluis leven bieden.
In de Volkskrant van vandaag staat weer een fraai exemplaar in de categorie ‘vrouw zoekt man’. Het begin is meteen al een voltreffer: “Het beeldschoon zijn gaf mij stagnatie in het congruent worden. Laat het mij gelukt zijn!” Hier is duidelijk een zeer zelfbewuste dame aan het woord. Ze komt er rond voor uit dat ze er goed uitziet. Wat heet? Haar schoonheid is werkelijk monumentaal. Ze is zelfs zó mooi dat ze er wel eens last van heeft. Bij het congruent worden, bijvoorbeeld. Maar dat is haar toch maar mooi gelukt!
Het is even gissen wat mevrouw hier precies bedoelt. Congruentie betekent overeenstemming of gelijkvormigheid. Er zijn dus twee grootheden voor nodig. Heeft zij haar overrompelende uiterlijk verenigd met haar innerlijk? Dan moet zij wel een rijk geestelijk leven hebben.
Het vervolg van de advertentie wijst daar ook op: “Welke MAN (rond 75) is gevoelig voor dit menswaardige proces?” Bij ‘proces’ gaat het natuurlijk over het in evenwicht brengen van uiterlijke en innerlijke schoonheid. Een ontwikkeling die zij blijkens het adjectief ‘menswaardig’ aan iedereen gunt. Dat is dan wel weer sympathiek.
Zij zoekt dus een oudere (±75) heer, enerzijds gevoelig voor genoemd proces en anderzijds een echte kerel (MAN). En dan rondt ze af: “Er is aan het Licht gekomen waardoor het zo moeilijk was de ware te vinden.” De hoofdletter in ‘Licht’ duidt op Verlichting. Haar geest, die net zo beeldschoon is geworden als haar lichaam, heeft het Duister achter zich gelaten en zich eindelijk opengesteld voor de ware.

Kortom: een heldere, wervende annonce. Ik zou eigenlijk alleen nog willen weten of de adverteerster bevallige dameskousen bezit. Want als dit het geval is, zou ze iets kunnen hebben aan deze adverteerder: “Man, creatief, kunstzinnig, goed in liefhebben, 65, zoekt ranke LAT-vriendin met roze naadnylons.” Congruentie valt niet uit te sluiten.

dinsdag 18 april 2017

Kwiek ziek

Op een armlengte van mijn bureau bevindt zich een plank met mijn verzamelde werken: een paar boeken en een rij ordners met stukken uit De Tijd en HP/De Tijd. Het is nogal ijdel, zo’n egoplank, maar ook de neerslag van jaren vol ijver en animo, dus alla. En soms komt-ie van pas.
Vandaag schoot me te binnen dat ik eens een artikel had geschreven over de vraag hoe chronisch zieken het leven met continue beperkingen ervaren. Mijn plank vertelde me dat ik het stuk schreef in 2006, niet zo lang nadat ik zelf op een chronisch longprobleem was betrapt. Dat is een voordeel van de journalistiek: je kunt allerlei deskundigheid inschakelen om je eigen fascinaties te onderzoeken.
Ik pakte het artikel erbij. ‘Kwiek ziek,’ stond er boven, en dat was gepast, want het beschreef hoe mensen de tegenspoed van ernstige fysieke problemen verwerkten. Een ongeluk of kwaal had hun leven voorgoed veranderd, maar daarom was het niet minder waard geworden. Volgens Jacqueline Kool, een publicist met een progressieve spierziekte, ging het erom een balans tussen kunnen en willen te vinden. En in te zien dat geluk en drama niet tegenover elkaar staan, maar allebei bij het leven horen.
Dat vond ook collega-publicist Marja Morskieft, bekend met MS (multiple sclerose): “Ik ben niet boos op het noodlot. Dat hoort bij het leven. We moeten niet alleen vooruitgang, maar ook achteruitgang erkennen. Bovendien heeft mijn makke me ook veel waardevolle belevenissen en nieuwe vrienden bezorgd.” – Als om de daad bij het woord te voegen werden Marja en ik prompt bevriend.
Giesbert Nijhuis, die door een ongeval bijna volledig verlamd raakte, vertelde dat hij wel zijn boze en angstige momenten kende, maar óók een plezierig probleem had: “Er is nog altijd te veel wat ik wèl kan.” Wat je noemt kwiek ziek.
Ik herlas het allemaal met instemming en herkenning en toch schuurde er ook iets. Ook ik probeer me niet te laten overschaduwen door mijn royale medisch dossier; van tijd tot tijd laten de donkere wolken zich echter niet wegblazen. Die horen er ook bij, houd ik mezelf dan voor. Zonder de wolken zouden we de zon niet waarderen, zomin als de mazzel zonder de pech of het genot zonder de walging.

Ik weet het, maar vergeet het vaak: het is de eeuwige schommel van op en neer, van eb en vloed, van yin en yang. Mooi en vertroostend. Ik moest er maar een mantra van maken.

donderdag 13 april 2017

Zenuwmoment bij de specialist

Voor de tweede keer in korte tijd in het Eindhovense Catharina Ziekenhuis. De vorige keer op de elfde verdieping, ditmaal op de tweede, toen voor een geboorte, nu voor een kankercontrole: hoe mooi het leven kan zijn en hoe kwetsbaar het ook is.
Acht dagen geleden vierden we elf hoog, wat je noemt in de wolken, de komst van kleindochtertje Seija. Vanmiddag, twee hoog, meer down to earth, bracht de uroloog de uitslag van het jongste bloedonderzoek. Het PSA, het stofje dat verklapt hoe het met mijn prostaatkanker staat, bleek licht gestegen. Weliswaar licht. Maar gestegen. De specialist schreef een recept voor een extra hormoonpil uit. Over drie maanden een nieuwe controle.
Zo gaat het nu al bijna zes jaar. Het begon met de schok van de diagnose. Toen de kanker ondanks een operatie ongeneeslijk bleek, volgde er hormoontherapie om de ontwikkeling van de tumor zo lang mogelijk tegen te houden – soms lukt dat maar even, soms heel lang. En elk half jaar of kwartaal waren er de zenuwmomenten van de controles. Er kwam wel eens een gunstige uitslag, waarna ik even zonder medicamenten kon. Maar dan riep het PSA me koeltjes tot de orde en kon ik opnieuw naar de apotheek.
Nog niet zo lang geleden was dit een gevaarlijke fase. Want als de hormonen uitgewerkt waren, restte alleen nog chemotherapie, goed voor hooguit een paar maanden levensverlenging. Maar in snel tempo zijn er nieuwe middelen op de markt gekomen, die de prostaatkankerpatiënt extra soelaas bieden – plus de gerede kans dat zich in die extra tijd opnieuw probate medicijnen aandienen.
Ik was dan ook niet in zak en as door de minder goede uitslag van vanmiddag. Maar natuurlijk had ik veel liever gehoord dat de kanker zich rustig hield en dat ik het met een pilletje minder kon stellen. Nu hoorde ik wat ik goed weet maar liever niet besef: dat kanker grillig is en je toekomst ongewisser maakt dan die toch al van nature is.

Op de terugweg zag ik hoe de bomen overal weer vergroenden. Dat deden ze natuurlijk elk voorjaar, maar vandaag speciaal om patiënten op de terugweg van hun specialist moed toe te wuiven. Thuis lag het geboortekaartje van Seija op de deurmat, zoals op nog heel wat adressen, maar hier speciaal om deze opa jong leven in te blazen. En toen raakte deze opa werkelijk even in a sentimental mood.