zondag 19 november 2017

Donderdagen

Het was op een donderdag, een dag die zijn naam eer aandeed, want het nieuws denderde als met donder en bliksem door de kamer van de oncoloog: een scan toonde vlekjes op de botten – mijn prostaatkanker breidde zich uit.
En het vervolg kwam de donderdag daarop, nu van de uroloog, en was al even stormachtig: een tweede scan toonde ook nog eens uitzaaiingen in de organen.
En nu is het zondag. Rusteloze rustdag. Het zijn vreemde dagen, zo kort na die twee van de donder en de doem. De ene keer wellen er allerlei vragen op die niemand kan beantwoorden, en zorgen die niemand kan wegnemen. De andere keer lijken die scans beelden uit een nare droom, waaruit ik – ja toch? – wel weer eens wakker zal schrikken, een angstvisioen vol gespikkelde geraamtes, een horrorfilm uit de B-klasse. En dan besef ik weer dat het maar al te waar is: dat altijd ietwat theoretische prostaatcarcinoom met zijn abstracte afkortingen en zijn cijfertjes is een zeer concreet gevaar geworden.
Sinds de dag dat het gedonder echt begon, begin ik de ochtend met twee tabletten Abirateronacetaat, een hele mond vol voor een bijzonder medicijn dat een paar jaar geleden nog niet op de markt was. Het schiet patiënten te hulp bij wie reguliere hormoontherapie niet meer werkt. Of het gaat werken, en hoe lang, dat wordt afwachten.
Tot nader orde moet ik het hebben van de hoop, net als lief en dochter en zoon en kleintjes en familie en dierbare vrienden. Hoop is een mooi middel, heel werkzaam en onuitputtelijk, althans: er is een hoop van.

Ik denk dat ik beurtelings ga hopen en vrezen, om die twee reacties allebei het volle pond te geven, want dat komt ze toe. Zowel de hoop als de angst getuigt van realisme. Hoop concentreert zich op de kansen die het leven laat, ook al houden die zich stilletjes op in de schaduw van de risico’s. Angst is zich bewust van dreigende moeilijkheden, maar omarmt daarin ook wat dierbaar en kostbaar is. Hopen en vrezen doe je met de ogen open. En elke dag twee wie-weet-wonderpillen.

zaterdag 11 november 2017

Kanker en de dalmatiër in me

“Wilt u de scans zien?” vraagt de specialist. Ik knik. Ze draait het computerscherm, waarop mijn skelet me staat toe te grijnzen. Het is bespikkeld met een aantal zwarte vlekjes. Als een dalmatiër, denk ik nog, maar dat is te lief, te zacht – dit is de vuige, harde smoel van kanker.
Ik had het kunnen weten. Het alarmstofje PSA was immers al een paar keer op rij verdubbeld, teken dat de tumor zich roert. Als prostaatkanker actief wordt, heeft-ie een voorkeur voor de botten. Vandaar dat de uroloog een skeletscan had besteld. Die scan maakt inderdaad een handvol uitzaaiingen zichtbaar. Ik had het kunnen weten en toch komen de vlekjes rauw aan. Ingrid en ik kijken elkaar ontdaan aan.
Dan vindt de dokter het tijd worden voor een paar verzachtende mededelingen. Dat de afdeling oncologie niet met lege handen staat, dat er sinds een paar jaar nieuwe medicijnen beschikbaar zijn, met bemoedigende resultaten. Dat er eventueel in een later stadium ook nog andere middelen zijn om de kanker te remmen. Dat een team van oncologen, urologen, radiologen en andere kankerspecialisten over een paar dagen bespreekt wat er het beste kan gebeuren.
Dat ‘multidisciplinaire overleg’ ken ik, want daar was ik ooit bij, acht jaar geleden, toen ik voor HP/De Tijd een uitgebreide reportage maakte over de oncologieafdeling van een groot ziekenhuis: deze afdeling. Ik was er bij toen casus na casus werd doorgelicht. Ik interviewde patiënten en specialisten. En nu ben ik zelf de casus en wordt de oncoloog die ik indertijd interviewde mijn behandelaar. Laurence van Warmerdam heet hij. Citaat uit 2009; “Ik zeg altijd: ik kan u niet genezen, maar wel beter maken.” Daar ga ik hem aan houden.
Thuis dompelen we de dalmatiër-in-me onder in een gloedvolle rode Merlot. We nemen onze mooiste kristallen glazen, een paar met zwierig ingeslepen motief en een hemelse klank – om alvast te wennen, wil ik zeggen, maar dat slik ik bijtijds in – en laten de glazen zingen. Dan klinken we op de toekomst, want die kan wel een steuntje in de rug gebruiken.

“Je bent er tamelijk kalm onder,” oppert Ingrid. “Niet in rep en roer,” zeg ik. “Maar wel onder de indruk.” 

woensdag 1 november 2017

Mijn nieuwe loopbaan als slangenmens

Mag ik mezelf even voorstellen in een nieuwe hoedanigheid? Sinds gisteren ben ik behalve stukjesschrijver ook slangenmens.
Eigenlijk begon het al een paar maanden geleden, toen ik op aanraden van de longarts aan de zuurstof ging en me voortaan met een slangetje in de neus door het leven bewoog. Op misschien nog wel eerder, toen een dichtgeslibde ader werd vervangen door een lange omleiding, een plastic kunstader die net onder de huid voelbaar door mijn lichaam kronkelt. Maar gisteren kwam daar een buikkatheter bij, die mijn in de war geraakte waterhuishouding moet reglementeren, zodat ik nu al met drie kunststof slangen ben uitgerust. Komt dat zien, komt dat zien – ik moest er maar eens mee gaan bijbeunen op kermissen en partijtjes.
Ik had er nogal tegenop gezien. Nog niet eens zozeer tegen de ingreep, want die zou in een half uurtje bekeken zijn, maar vooral tegen de impact van zo’n nieuw lapmiddel voor het haperende gestel. Van tijd tot tijd begint een lichaamsfunctie te stotteren en te sputteren en moet er een passend attribuut uit het medisch magazijn komen – voor zover beschikbaar. De ouderdom komt met puffers en protheses en apparaten en toenemend gehannes. Je kunt proberen daar oosters kalm onder te blijven en te berusten in het onafwendbare, maar dat lukt niet 24/7, althans mij niet.
Toen het zover was, gistermiddag, bleek de ingreep niet het voorziene fluitje van een cent, maar een flinke klus waar ik wel wat beduusd van werd. Maar de suprapubische katheter zát uiteindelijk, en daar ging het om. “Uw kwaliteit van leven zal erop vooruitgaan,” zei de uroloog toen hij zijn steriele handschoenen uittrok. Ik hoorde het hoopvol aan.

Zo stelt men zijn normen bij. Ik begin met enige tegenzin aan de lapmiddelen, maar ben toch blij als die helpen tegen het wildplassen en ik weer wat controle over mijn leven terugkrijg. Alle beetjes helpen, zogezegd. Het leven een beetje aangenamer doordat het een beetje minder onaangenaam wordt? Oké, deal!

vrijdag 27 oktober 2017

Koffie met zelfcompassie

Weer eens een woord geleerd: zelfcompassie. Ik kwam het tegen in een blad voor mensen met beperkingen. Het lijkt een zondagse variant op zelfmedelijden, een term die weinig fans heeft, maar zelfcompassie proeft toch anders op de tong
En het is ook wat anders, als ik er even bij stil sta. Wie aan zelfmedelijden lijdt, zwelgt in zijn ellende, wentelt er zich in rond en vent zijn lot met graagte uit. Hij is dermate vervuld van zijn pech dat het pechvogel-zijn een levensvervulling wordt. Maar hoe luider zijn klaaglied klinkt, hoe minder gehoor hij ervoor krijgt. Zelfmedelijden bevindt zich in het spectrum van jammeren, zaniken en slachtofferdenken, attitudes die weinig sympathie oproepen.
Compassie met jezelf is veel minder huilerig. Het begrip ‘compassie’ roept associaties op met begrip, zorg, hulpvaardigheid en solidariteit, allemaal vormen van vriendelijkheid, zachtaardigheid en mededogen die juist wèl sympathie wekken. Mensen in tegenspoed verdienen compassie, is een breed gedragen overtuiging. Waarom zouden we niet solidair zijn met onszelf in zwakke tijden? Waarom zouden we niet zacht, vriendelijk en begripvol zijn als we zelf in de knel komen?
Ik had kennelijk niet goed opgelet, want er is al heel wat beweging gaande rond de zelfcompassie. In Amerika heeft psycholoog Kristin Neff er naam mee gemaakt. In Nederland werkt ze samen met Roos Vonk, hoogleraar in Nijmegen, gespecialiseerd in zelfbeeld en zelfwaardering. Volgens beiden bestaat zelfcompassie uit drie elementen: a) aardig zijn voor jezelf in moeilijke tijden en aanvaarden dat tegenslag bij het leven hoort; b) beseffen dat je niet alleen staat, maar dat iedereen het leven weleens voor de kiezen krijgt; en c) aandachtig leven zonder je te verliezen in verwachtingen en oordelen.
Ik lees de toelichtingen bij Kristin Neff en Roos Vonk en hoor mezelf instemmend hummen. Gewoonlijk reageer ik nogal allergisch als er levenslessen worden uitgedeeld – het leven is veel te weerbarstig om zich in een lesje te laten vangen –, maar die twee vrouwen wil ik wel horen. Hier geen blije prevelementen over altijd-positief-blijven. Ook geen marsroutes om uit een crisis te raken of snelle recepten voor het grote geluk. Maar de eenvoudige overweging dat je in moeilijkheden meer hebt aan zelftroost dan aan zelfkritiek.

Of het net zo helpt als zuurstoftankjes en hormoonpreparaten, weet ik niet, maar ik ga toch maar eens een shotje proberen. Muziekje erbij, mooi kopje koffie erbij, hier en nu en niet elders of ooit - moet lukken. 

woensdag 18 oktober 2017

Lord Wanhoop en de krakkemik

Ik zag een beroemde film met Jack Nicholson op tv. Hij oogde verfomfaaid en desperaat. Ik moest aan mijn vader denken, niet omdat die op Nicholson leek, in de verste verte niet, maar omdat vader bij het ontwaren van zo’n warrige kop steevast ‘Lord Wanhoop’ mompelde.
Die term had hij niet zelf bedacht, maar kwam geloof ik uit een oude klucht. Maakt niet uit, ik vind het een sterke uitdrukking. Een Lord die Wanhoopt, het is me nogal wat. Een heer die alle decorum kwijt is en is afgegleden van een gezien persoon tot een hopeloos geval.
Hoop en wanhoop vormen een begrippenpaar dat twee uithoeken van de menselijke geest overspant. Wie hoopt, ziet toekomst, wil verder, ruikt kansen, heeft zin, is vol goede moed. Al zit het vandaag tegen, morgen is er weer een dag, nòg is er niets verloren en valt er van alles te winnen, joechei! Hoeveel triester is de wanhoop. De radeloze weet niet meer waar hij het zoeken moet, niets lukt, vandaag niet en morgen waarschijnlijk nog minder, linksom niet en rechtsom niet, het is om stapel van te worden, hoe moet het ooit nog goedkomen? Zo vol als de hoop van zichzelf is, zo leeg is de wanhoop, kansloos, kleurloos, zo loos als loos maar kan zijn.
Ik heb het op deze plek nogal eens over hoop, vooral als het gaat over ziekte en gezondheid. Hoop is de beste vriend van mensen die averij opliepen in het leven. De vriend die je voorhoudt dat een halfleeg glas toch ook halfvol is, dat een beperking ook weleens verrijking oplevert, dat je meestal meer overhoudt dan je kwijtraakt, dat een min als voordeel heeft dat de plussen mooier worden. De vriend van wie je het moet hebben in lastige tijden.
De hoop reist meestal met me mee op de kronkelwegen van het leven, maar af en toe kijkt-ie even de andere kant op en komt de wanhoop om de hoek grijnzen. Hoewel – wanhoop is een te sterk woord, het betreft eerder een diepe vermoeidheid. Dan zucht en godver ik dat ik alle gedoe hélemáál zát ben: het tekort aan adem, het gehannes met zuurstof, de spierzwakte, de inleggers, de pillen en pufjes en prikken, al die witte jassen – die hele mikmak van een krakkemik.
Tot ik het gezucht en gegodver ook weer moe ben. Dan houd ik mezelf voor dat halfleeg toch ook halfvol is en dat verlies soms winst betekent en dat er geen schaduw kan bestaan zonder de zon. Ik moet ze me steeds opnieuw vertellen, die verhalen, maar uiteindelijk werken ze wel. Lord Wanhoop komt er hier vooralsnog niet in.



maandag 9 oktober 2017

Daar zijn Miles en Yo-Yo en Alex weer!

Het heeft een half jaar geduurd en nu is het eindelijk zo ver: ik heb mijn muziek weer terug.
Dat zit zo. Ooit hadden we voor de uitdijende collectie cd’s een ladenkast laten maken, die handiger leek dan hij bleek en waarvan de royale omvang gaandeweg ook begon te hinderen. Om ruimte te winnen en de muziek ook toegankelijker te maken, besloten we de cd’s te digitaliseren en de dikke kast te vervangen door een slank designmeubel. En als we dan toch aan de gang waren, konden we net zo goed meteen de stukadoor en de huisschilder laten komen om de muren eens een beurt te geven.
Maar. De stukadoor en de schilder hadden het wezenloos druk – leve de opfleurende economie. De oude kast vond een nieuwe liefhebber, het nieuwe designmeubel echter had een onverwacht lange levertijd. En de operatie van-cd-naar-mp3 kostte veel meer tijd dan ik dacht. Bijgevolg stond het halve huis maandenlang overhoop en bleef de geluidsinstallatie verweesd wachten op betere tijden.
Sommige misère lost op een dag vanzelf op in de nevels van het verleden. Uiteindelijk kwamen de muren toch aan de beurt, bracht de meubelwinkel de nieuwe kast en kregen we de muziekcollectie digitaal ontsloten.
Er gingen nog de nodige krachttermen aan vooraf, maar zo kwam vrijdagavond om 18.23 uur toch maar mooi Miles Davis binnen om Kind of Blue te blazen alsof hij nooit weg was geweest. Vervolgens dienden I Musici zich aan met Albinoni, verdiepte Yo-Yo Ma zich in de tango en kwam Alex Roeka Gestreeld en Gekrast zingfluisteren – allemaal verrast met elkaars gezelschap.
Ik zat helemaal glunderend te luisteren, blij als een kind met een puppy, en zoog de oude bekende noten in me op. Wat is het toch dat muziek zo indringend maakt? Geen kunstvorm die me midscheeps in het gemoed raakt zoals muziek dat kan. Draai een glimp van September Song door Sarah Vaughan en de herfstige weemoed om de vergankelijkheid golft door me heen. First time Alone van John Mayall brengt me met een vingerknip naar die mooie rooie, mijn eerste meisje. Of Angie van de Stones: live in de Kuip en net verliefd op mijn huidige lief, wat een moment... Ontroering, vervoering, lust, geluk, weemoed, opwinding, vloeibaar gemaakt tot do-re-mi’s, tertsen, octaven, consonanten, dissonanten. Man, man.

Afgelopen nacht, half twee. “Nog héél even Wait van Jeroen van Vliet?” probeer ik. Maar een Stille Nacht is ook mooi.

dinsdag 3 oktober 2017

Hoed af voor de 'has-been'

In een discussie op internet wordt iemand een ‘has-been’ genoemd. Dat is de smalende Engelse betiteling van een persoon die ooit wat voorstelde, maar wiens faam al geruime tijd vervlogen is. Wat nou, has-been? Ik neem juist mijn hoed af voor een persoon die ooit wat voorstelde, ook al was dat in vervlogen tijden.
Om te beginnen is bijna alle faam tijdelijk. Er zijn uitzonderingen zoals Caesar, Shakespeare of Marilyn Monroe, maar in de regel gaat roem vroeg of laat over in vergetelheid. De gevierde kunstenaars en staatslieden van eergisteren leven alleen nog voort op straatnaambordjes – als ze geluk hebben. Waarbij  zo’n Naam dan soms ook nog eens vergeven blijkt aan een doodlopend achterafstraatje waar mensen alleen komen om hun hond uit te laten.
Dat roem vergankelijk is, is een soort natuurwet, en dus niet zo’n sterk argument om iemand voor passé te verklaren. Dat een naam niet meer op ieders lippen ligt, wil nog niet zeggen dat zo’n naam er niet meer toe doet. Dat bewijst menig museum dat een oude meester afstoft, menig orkest dat een bijna vergeten symfonie herontdekt, menige biografie over een VIP-van-vroeger.
Daar komt bovenop dat roem met de dag vluchtiger wordt. Zie de televisie, waar aan de lopende band anonieme mensen tot BN’er worden gepromoveerd en even vlot weer worden afgeserveerd, zodat het stardom wel erg inflatoir is geworden. Maar als de Naam al een eendagsvlieg wordt, dan blijft er van de has-been nog amper iets over en is die kwalificatie zelf ook al passé geworden.
Naast de quasi-sterren zijn er nog steeds de echte sterren: de winnaars, de gelauwerden, de uitblinkers, de respectabelsten. Wat geeft het dat hun namen over een paar jaar niet meer op ieders lippen liggen? Zij hebben zich onderscheiden met hun talenten. Ze hebben op een dag een topboek, een heel fijne film, een indrukwekkende recital of een sociale prestatie op hun naam gebracht, een verdienste van formaat, die de wereld een beetje mooier heeft gemaakt. Dat kunnen al die chagrijnen die op internet de betweter uithangen niet van zichzelf zeggen. Ik zeg maar zo: beter een has-been dan nooit een tien.


donderdag 28 september 2017

De pis nie lauw

Er is een onderwerp dat me al jaren hoog zit. Ik heb er dag in, dag uit last van, en niet zo’n beetje ook. Het frustreert, het ergert en het stemt ook wel eens wanhopig. En het went nooit. En toch heb ik er nooit over willen schrijven.

Incontinentie.
Toen ik jaren geleden aan deze blog begon, wilde ik het over alles en iedereen hebben, behalve over al te intieme zaken, zeg maar: het leven onder de gordel. Dat mijn waterhuishouding bij een prostaatoperatie ontregeld was geraakt, mocht wel eens doorschemeren, maar leidde nooit tot een zelfstandig stukje. Dat was te intiem, maar ook te gênant. De plas kunnen ophouden is een van de eerste vorderingen van de mens op zijn lange weg van de wieg naar de schommelstoel, zodat het verlies van die vaardigheid ook als een verlies aan waardigheid wordt beleefd. Ik ging mijn inleggers niet aan de grote klok hangen.
Tot vandaag. Ik heb er een paar jaar over gedaan, maar onderhand geloof ik toch dat incontinentie in wezen maar één van de vele ongemakken is die een mens kan oplopen. De één heeft een hobbelvoet, de ander een spraakgebrek, een lui oog, een haperend gehoor of een moeilijke blaas. Het zij zo. Je kunt beter proberen je leven af te stemmen op je gedoe, dan je energie vermorsen aan de gêne erover.
Hoor mij nou eens verstandig zijn. ‘Je kunt beter...’ Dat klinkt alsof een andere houding een kwestie van een vingerknip is. In feite groeit zo’n inzicht maar traag, met stukjes en beetjes, en een vloek en een traan, en in dit geval ook een heleboel andere nattigheid. Gisteren moest ik zelfs drie keer van broek wisselen doordat de blaas de inleggers te snel af was. Tel daar een tekort aan energie bij op en je hebt een recept voor een gemoedsverduistering.
Dat was niet de eerste keer, want de lekkages zijn geleidelijk toegenomen en daardoor bezwaarlijker geworden. Het zal wel uitdraaien op een katheter, ook geen pretje, maar toch doenlijker dan het voortdurende risico van een golden shower, een delicatesse uit de seksbranche die aan de clientèle van urologie niet zo besteed is. Nou nog zien er goede zin bij te houden. Maar weer eens luisteren naar dat liedje van Theo Maassen: ‘Ze maken mij / de pis nie lauw./ Lalalalalalalalala.’



zaterdag 23 september 2017

Lieve vrouw gezocht

Nog pas halverwege de ochtend en de dag was al goed. Tussen de ingezonden mededelingen, de kleine advertenties, stond een heerlijk exemplaar: ‘Man, 55, jong van geest, mvhl, zoekt vrolijke, lieve vrouw om mee te zijn.’
Met zulke zinnetjes kan ik een hele poos vooruit. Een man zoekt een vrouw om mee te zijn. Niet om boswandelingen mee te maken, tomeloos de liefde te bedrijven, exotische landen te bezoeken of lachend oud te worden, al zou dat misschien ook allemaal kunnen, maar in de eerste plaats om mee te zijn. Specifieker was het niet, zodat de lezer zich zelf maar een voorstelling van dit ‘zijn’ moest maken. Misschien iets met tantra, of gebedsmolentjes, of healings.
Toen realiseerde ik me dat ik dit zinnetje al eerder had gelezen en dat ik zelfs een stukje aan had gewijd. Ik zocht het op en het klopte: op 7 december 2013 had ik me over precies dezelfde contactadvertentie verbaasd. Het enige verschil tussen de vorige annonce en die van vandaag was dat de inzender zijn leeftijd inmiddels met vier jaar had verhoogd, wat ik wel consciëntieus van hem vond. Maakte ook niet uit, want hij was in elk geval ‘jong van geest’ gebleven.
Wat zou er tussen toen en nu zijn voorgevallen? Een denkbaar scenario is dat hij met de vorige advertentie succes had. Er kwam een vrolijke, lieve vrouw op zijn pad, met wie hij in het mvhl ging samenwonen en heel gelukkig was, totdat er iets dramatisch voorviel: zij maakte een fatale misstap op de keldertrap, of kreeg een noodlottige ziekte, of ging er vandoor met de beste vriend van onze held, waarna de laatste na een periode van ontzetting en rouw besloot een nieuwe kans te wagen en wel op identieke wijze als de vorige keer, die hem immers gebracht had wat hij hoopte, al was het dan voor tijdelijk.
 Een andere mogelijkheid is dat de annonce van 7 december 2013 géén succes had, waarna de inzender elke maand een nieuwe (vergeefse) poging deed, die mij nooit meer opviel, omdat ik normaliter geen contactadvertenties lees, tot mijn oog vandaag toevallig op de 45ste herhaling viel.

Beide scenario’s vind ik zo sneu, dat ik ’s mans oproep in dit veelgelezen blog gratis en voor niemendal onder de belangstelling breng. Lieve (vrolijke) lezeressen, grijp uw kans.

maandag 18 september 2017

Als de muren gaan praten

Het lijkt op een omschrijving voor een cryptogram, het raadselachtige zinnetje dat sinds een poosje prijkt op een grote blinde muur die ik regelmatig passeer. In royale oranje letters staat het op een wit vlak: ‘niet persoonlijk opvatten’. Daarnaast ook al in oranje-wit een ruitvormig symbool dat ik niet zo gauw thuis kan brengen.
De blinde muur lijkt de achterkant van een loods. Zo’n groot, loos oppervlak vult zich gewoonlijk vanzelf met de kleursporen die de graffiticultuur al zo lang in de openbare ruimte achterlaat en die overal maar blijven opduiken omdat die cultuur niet uitgewoed raakt. De eigenaar van deze muur wilde kennelijk ál te veel anarchie voorkomen en nodigde een spuitbusartiest uit om dan maar iets verantwoord-kunstzinnigs op de wand te spuiten, een verschijnsel dat steeds vaker opduikt en dat de steden opfleurt met kleurige eigentijdse street art.
Dit exemplaar prikkelt me al vanaf de eerste keer dat ik het zag. ‘Niet persoonlijk opvatten,’ roept de muur me toe, alsof ik ergens hevig door geraakt ben en alsof die muur dat weet en me wil troosten: komaan, trek het je niet aan, jij kon het ook niet helpen, je deed alleen maar je best. En die muur roept dat niet alleen tegen mij, maar tegen alle passanten, en dat zijn er nogal wat op dit drukke kruispunt. Hier komen duizenden mensen langs op een dag, tienduizenden in een week, misschien heeft de muur al een miljoen mensen aangeraden hun miljoen dingen niet persoonlijk op te vatten. Dat vind ik een poëtisch idee. Een muur van dode stenen die zich in het gevoelsleven van anonieme voorbijgangers mengt zonder dat ook maar één van hen zich daar iets aan gelegen laat liggen.
Toch is het een wijze les die de muur de wereld leert. Bekijk niet alles vanuit je navel, denk niet dat het altijd over jou gaat, denk niet dat jij het centrum van het heelal bent. Als iemand op een muur schrijft dat jij je niet alles zo moet aantrekken, dan kun je dat best negeren. Wat weet zo’n kladderaar nou over jouw wel en wee? Ga daar maar aan voorbij, sta er niet bij stil, vat het niet persoonlijk op.

Ik wil maar zeggen: je komt oren tekort als de muren gaan praten.

maandag 11 september 2017

Breekbaarheid en hoop

Shit! Vergeef me de wat vulgaire krachtterm, maar wat moet, dat moet. Bovendien speelt dit stukje zich af in de wereld van de urologie en die is heel vertrouwd met het onderhavige begrip, zodat het nog een functionele verwensing is óók.
Shit, dus. Een foute uitslag. Daar had ik niet op gerekend. Ten onrechte natuurlijk, want (prostaat)kanker is een grillige ziekte en elke controle kan goed of fout uitpakken. Sinds ik er zes jaar geleden bekend mee raakte, ben ik wel eens blij en wel eens teleurgesteld uit de spreekkamer van de uroloog gekomen. Vandaag is het dus weer eens mis.
Ik wil van dit blog geen medisch communiqué maken en zal de lezer de details besparen, maar het komt erop neer dat de hormoonspuit die het prostaatcarcinoom koest moet houden, onvoldoende werkt. De kanker groeit. Vervolgonderzoek moet het beeld preciseren, maar waarschijnlijk moet ik naar een nieuwer, krachtiger medicijn toe.
Dit zwaardere geschut was een paar jaar geleden nog helemaal niet in beeld. Voor wie toen ongevoelig werd voor de hormoonspuiten, restte alleen nog de chemo, die doorgaans maar een paar maanden soelaas bood – and that’s it. Inmiddels is het perspectief minder donker. De hormonen mogen nu uitgewerkt zijn, ik heb ze wel lang genoeg kunnen gebruiken om in aanmerking te komen voor een generatie middelen die intussen op de markt is gekomen.
Maar ja, maar ja, het was me natuurlijk veel liever geweest als de kanker stil was gebleven en ik de alternatieven in reserve had kunnen houden. Lieverkoekjes worden niet gebakken, zegt het gezonde verstand dan, maar dat wil ik niet altijd horen. Zoals een schram tijd nodig heeft om te helen, zo heeft een teleurstelling tijd nodig om weg te ebben.

In de hal van het ziekenhuis trakteren we onszelf maar op een espresso en een cappuccino. Om ons heen rollators en krukken en rolstoelen en stramme ledematen en bleke gezichten, soms ernstig, meestal neutraal, behalve dan van een oud stel dat met een lach om de mond naar de uitgang loopt – mensen krijgen hier ook weleens goéd nieuws. Zo wemelt het hier van de stille verhalen over breekbaarheid en hoop. Ik heb ze hier zelf wel eens opgeschreven, die verhalen, in ditzelfde ziekenhuis. Maar nu heb ik even genoeg aan mijn eigen verhaal. Over breekbaarheid. En over hoop. 

woensdag 6 september 2017

Vraagstuk Bril

Heel wat mensen maken zich druk over de herziene haarcoupe van Matthijs van Nieuwkerk. Ik niet. Er zijn wel belangrijker vraagstukken, zeg. Mijn nieuwe bril, bijvoorbeeld.
Onlangs moest ik van mezelf naar de opticien. Mijn brillenglazen leken me niet meer accuraat. En als ik toch een andere sterkte nodig had, kon ik net zo goed meteen omzien naar een nieuw montuur, want dat kreeg je er zowat gratis bij. Tot zover het gemakkelijke deel van Vraagstuk Bril.
Want de oogmeting was nog maar amper begonnen, of de twijfel sloeg al toe. ‘Ziet u beter door dit glas, of door dat?’ Ik wist het niet zeker, vroeg om een herhaling, aarzelde nog altijd en redde me eruit door een lichte voorkeur voor de tweede optie uit te spreken. Dat vond de juffrouw van de oogmeting ‘uitstekend’. Volgde een tweede ronde ditten of datten, en zelfs een zesde en zevende, ‘nu voor de cilinder’, tot mijn ogen traanden en ik vooral mist en miezer zag. Dit of dat? vroeg de ogenjuf. Dát, antwoordde ik moedeloos. Mijn stem werd zwakker en in mijn hoofd bonkte het zachtjes ‘Uitstekend. Dan gaan we nu naar de monturen kijken.’
Blij dat ik van de meting af was, wees ik een kek montuur aan, strak maar niet té, kalm-modern, een bril voor mannen met een fijn gevoel voor het eigentijdse maar zonder de behoefte zich aan te stellen. Ik kreeg het ding heel secuur op de neus gezet, keek in de spiegel en zag een hoofd dat op het mijne leek, maar dan getooid met een bril van een uitslover die amechtig probeerde de eigen tijd bij te houden. Een tweede montuur trok mijn gezicht uit model, een derde was te licht, een vierde te professoraal, een zevende te gewoon, een elfde te gek, maar dan letterlijk.
Had ik de fysieke uitputtingsslag van de oogmeting net overleefd, kreeg ik nu te kampen met de kunst van het kiezen, door de Duitsers treffend aangemerkt als die Qual der Wahl. In principe kan zulke keuzestress je ook overvallen bij de bakker of de Blokker, die immers ook vaak bulken van de diversiteit, maar bij de opticien slaat het kiezen ook nog eens terug op je zelfbeeld. Je denkt dat die ene designbril goed past bij jouw man-van-de-wereld-kop, maar de spiegel lacht je vierkant uit. Al geldt een uitzondering op die regel voor de zonnebril, want die is nou juist bedoeld om je uitstraling een kontje te geven en je een slag mondainer/verleidelijker/zelfverzekerder te tonen dan je in feite bent.

Ideetje voor Lucky TV: Matthijs van Nieuwkerk bij de opticien. Gaat viraal!

zondag 20 augustus 2017

Studie flierefluiten

Een paar lege uren. Eens kijken of er nog een blogje uit de pen wil. In het oudestukjesmagazijn op mijn PC heb ik ze genummerd. Dit wordt aflevering 499, bijna een jubileum. Bij nummertje 500 komt de fanfare langs, denk ik, met als het meezit een stel majorettes. In dit stukje alvast een voorschot op de feestelijkheden.
Het begon eigenlijk uit verlegenheid. Toen een jaar of vijf geleden mijn productieve krachten afnamen, sprak ik met mijn werkgever HP/De Tijd af dat ik mijn vaste genre van de grote reportage zou inruilen voor de doenlijker categorie van de (internet)column. Jammer van de lange verhalen, maar spannend door de vraag of ik ook op de korte baan mijn draai zou vinden.
Mijn eerste stukje, gedateerd 25 april 2012, heette ‘Het versletenbezemsbos’ en beschreef hoe een braakliggend bouwlandje voorlopig was toebedeeld aan crossfietsers en skateboarders. Uitstekend idee, vond ik; waarom niet overal in de stad nieuw dode plekken tot leven wekken door er tijdelijke initiatieven toe te staan? Ik fantaseerde er meteen op los en zag er amateurcircussen verschijnen, vliegerfestijnen, een wekelijkse superpolonaise, een camping voor stadsnomaden, of een bos van versleten bezems en schrobbers; tussendoor kon het dan dienen als toogvlakte voor heel fijne idealen.
Zo volgden er nog 488 ideeën, bespiegelingen en commentaren. De onderwerpen bleven aanwaaien, en anders werden ze wel aangereikt door behulpzame specialisten en andere witte jassen, want mijn belevenissen in de gezondheidszorg bleken goed voor een heleboel anekdotes en overpeinzingen. Ik heb kersverse kleinkinderen verwelkomd en gesneefde oude bekenden uitgeluid. Zong de lof van de stad, maar verloor me ook graag in de natuur. Struikelde over vreemde woorden en hardnekkige clichés, dankte de kunst voor al haar inspiratie en kruiste nu en dan de degens. Allemaal goed voor het gemoed.

Maar allez, het lijkt wel alsof ik hier een epiloog bij mijn verzamelde werken zit te tikken. Terwijl ik nog bepaald niet aan een epiloog toe ben, want er vallen voorlopig nog heel wat appeltjes te schillen en knopen te ontwarren. Maar eerst ga ik er even tussenuit voor een korte studie flierefluiten. In september meld ik me wel weer eens.

dinsdag 15 augustus 2017

De vrouw aan het water

Op een oever van het riviertje dat door het parkje nabij mijn huis stroomt, ligt een jonge vrouw in het gras een boek te lezen. Het is een kleurig tafereel: witte bloes, rood rokje, lange blote bruine benen, en dat allemaal op een groen bedje. Het beeld laat me niet los, het wil nog even bekeken worden. Zo vaak ziet men het niet, een jonge vrouw, alleen in het park, languit met een boek.
Welk boek, wil ik weten. Of nee, dat wil ik niet weten, ik wil dat het mijn boek is dat ze leest, niet het boek van een ander. En ik zou willen dat een bepaalde zin een glimlach op haar lippen brengt en dat dat precies de zin is waarvan ik hoop dat die iemand doet glimlachen, bij voorkeur iemand die met lange bruine vrouwenbenen op de oever van een riviertje een boek zit te lezen, míjn boek wel te verstaan, De man voor het raam heet het, een vuistdikke turf die twee zomers geleden verscheen en waar de mensen nóg over praten.
Ik overdrijf weer eens. Mijn droom over de lezeres in het gras is in werkelijkheid maar een minidroompje, waarin ik het een mooi toeval zou vinden als ze uitgerekend De man voor het raam ligt te lezen, en dat eindigt met ‘maar ja’, zoals zoveel halve en hele wensen. Ik scoot verder en denk niet meer aan de oevervrouw, maar aan een computerprobleem dat ik nog moet oplossen en aan een deuntje dat bij het ontwaken in mijn hoofd zat en sindsdien niet meer van wijken wil weten en aan cd’s die ik nog wil digitaliseren en allerlei bijzaken waarover men zich beter niet druk kan maken en het toch doet.
Het is een hele drukte in mijn hoofd zonder dat het ergens toe leidt en ik verbaas me over al dat onnutte geritsel tussen de oren. Een flard van dit, een zweem van dat, een flits, een associatie, ontkiemende en meteen verdampende invallen, scherven van herinneringen, snuifjes hoop, vage verlangens, de TV van gisteren, de krant van vanochtend, die ene ballade van jaren geleden.

Dan kijk ik om en zie de vrouw aan het water alleen nog als stip. Nog even en ze zal oplossen in de namiddag. Maar ik vermoed dat iemand nog eens een stukje over haar zal schrijven en het oevermoment voor altijd zal vastleggen.

dinsdag 8 augustus 2017

Bro's on the road

Dat hadden we een paar jaar geleden nooit vermoed: dat we nog eens samen door Eindhoven en omstreken zouden toeren, broer Leo en ik op onze scootmobielen, broer Joep op zijn stroomfiets.
En toch deden we dat gisteren. Leo, op rollend vervoer aangewezen sinds hij door een verstopte ader een been verloor, had een aanhangertje aangeschaft zodat hij zijn scoot ook mee kon nemen naar perifere locaties. Daar had hij dan wel wat hulp bij nodig en daarom was Joep meegereisd, die ook wel zin had in dit tochtje.
Three Bro’s On The Road.  De vierde broer, Sjraar, ook al een scoot-bro, was helaas door fysiek ongemak verhinderd, anders hadden we een swingend kwartet gevormd. Maar ik vond het toch ook al onalledaags hoe we nu gedrieën het park om de hoek in rolden, op weg naar een volgend park, door beloverde lanen, langs een plas met een reiger die daar zo roerloos stond alsof hij geschilderd was, onder hoge viaducten door, over een luxueus pad dat een kilometerslange streep door de bossen trok, voorbij vennen en akkers en weilanden, om te pauzeren in een uitgestrekt gebied waar tussen paarse heide en dunne berken strakke, stille gebouwen vol beeldschermen oprezen: de slimme vierkante kilometer van de High Tech Campus.
We dronken er koffie op een terras aan een weidse vijver met duizend waterlelies en zeiden tegen elkaar dat natuur en economie hier zo mooi samen opgingen. En ik zag ons daar zitten, drie mannen die er samen al dik tweehonderd jaar op hadden zitten tussen gebouwen die vol waren van de toekomst, en vond dat op de een of andere manier ook wel harmonisch. Misschien werd daarginds achter die glazen gevel wel een revolutionaire beenprothese ontwikkeld, of een chip die lamme longblaasjes nieuw leven inblies, of een allereenvoudigst toverdrankje waarmee boswachters zieke bomen konden redden.

Toen we drieëneenhalf uur na het vertrek weer terug waren op het uitgangspunt, waren we het erover eens dat we onszelf een plezier hadden gedaan met dit tripje. Voor herhaling vatbaar. Wordt aan gewerkt.

donderdag 3 augustus 2017

Minder is meer

Soms blijf ik zomaar aan een woord haken. Ik had het laatst met ‘oorwurm’. Ik lees zo’n woord en verdwaal prompt in fantasieën over het doen en laten van dit schepseltje. Gisteren nog startte met het woord ‘topoverleg’ in mijn hoofd een film met silhouetten achter kantoorramen die onverstaanbare vergadertaal mompelen. Vandaag wil het woord ‘beperking’ ineens aandacht. Is goed, ik ben de kwaadste niet, we gaan het erover hebben.
‘Beperking’ heeft een slechte reputatie. Het heeft de gevoelswaarde van schraal, karig, arm, sneu en onvolkomen. Iemand met beperkte middelen kan zich minder veroorloven dan hij of zij zou wensen. Een verstandelijke beperking betekent dat het brein maar gedeeltelijk functioneert. Bij beperkt zicht vertroebelt mist, regen of een vuile bril de blik op de omgeving. Een beperkte visie kan zich ook bij goed weer en schone brillen voordoen; het schort de betrokkene dan echter aan verbeelding en/of denkvermogen. Jammer maar helaas.
Een veelgenoemde categorie is die van ‘mensen met beperkingen’. Het gaat hier om mensen die door fysieke of geestelijke hindernissen – een ontbrekend been, een spierziekte, een verlamming, een gemankeerd brein – minder kunnen dan zij zouden willen. Zulke handicaps zijn gaandeweg van ‘handicaps’ gepromoveerd tot ‘beperkingen’ en ‘uitdagingen’, maar die eufemismes verhullen niet dat de samenleving ze problematisch vindt.
Dat zíjn ze ook; toch laat het probleem zich relativeren. Punt één is dat beperkingen doodgewoon zijn. Het hele bestaan begint en eindigt ermee: zowel het opgroeiend kind als de aftakelende senior is een toonbeeld van onvolkomenheid. Daarnaast is wat de één als beperking beleeft, rijkdom voor een ander. Een ontheemde vluchteling voor oorlog of honger zou denkelijk zó willen ruilen met een welvarende westerling in een rolstoel, terwijl het omgekeerde minder voor de hand ligt.
Een voordeel van beperkingen is dat ze het gevoel voor essentie en kwaliteit versterken, wat van overvloed niet kan worden beweerd. Kijk maar naar de kunsten, waar de Meister zich toont in de Beschränkung, een nocturne voor piano niet per se onderdoet voor een zwaar opgetuigde symfonie en ingetogen stromingen zoals Minimal Art of Less is More minstens zo interessante werken hebben opgeleverd als de barok.

Gezien het onderwerp moet ik het hier helaas bij laten.

donderdag 27 juli 2017

Deze dag kan niet meer stuk

Er zijn van die dagen dat ik mezelf niet goed begrijp. Vandaag bijvoorbeeld. Ik word wakker met een hoofd vol gisteren, toen het lichaam overal nee op zei, als een bokkige puber die nergens zin in heeft. De benen zijn nog steeds van lood, merk ik als ik opsta. Geen beste start.
Ik ga naar beneden en zet me werktuiglijk aan de rituelen van de ochtend: kranten van de deurmat, koffie in de filter, water in de kan, nieuw brood aansnijden. En dan gebeurt het. Elke keer als ik de eerste snee van een vers, zelfgebakken brood proef, is er die kleine sensatie van hoe lekker een doodgewone boterham kan zijn. Al helemaal met verrukkelijke rosbief en koninklijke kaas en hemelse marmelade, zodat elke beet een feestje wordt. De koffie besluit mee te doen door precies zo geurig en sterk te zijn als ik ideaal vind. En dan wenkt er ook nog eens een verleidelijke wilde perzik met fluwelen huid en sensueel, zoet vruchtvlees. Nee, deze dag kan niet meer stuk.
Ik zeg het ook hardop: “Deze dag kan niet meer stuk.” En dan verbaas ik me toch over mezelf. Ik heb een paar invaliderende kwalen tegelijkertijd, zodat ik dag in dag uit met de tong op de schoenen achter mezelf aan hijg, een recept eigenlijk voor een hoop teleurstellingen en frustraties waaraan een medisch psycholoog de handen vol zou hebben – en ik ben al blij te maken met een simpele boterham?
Het zou mooi zijn als ik die blijdschap wist toe te schrijven aan een effectvolle studie mindfulness, die me afdoend geleerd had in het hier en nu te leven. Nou heb ik wel eens verdiept in dat onderwerp en ben ik er ook van overtuigd dat concentratie goed is voor de mens, maar ontbijtsensaties heb ik er niet aan overgehouden. Nee, ik denk dat het meer geluk dan wijsheid is dat ik mijn stemming niet duurzaam laat bederven door mijn mankementen en beperkingen. Kennelijk heb ik geen groot talent voor zwaarmoedigheid. Daar kan ik wel mee leven, zogezegd.

Fijn ontbijtje dus. Sla ik op in het fijne-ervaringen-archief, dat ik koester als tegenwicht voor alle mineurmomenten die het leven in petto heeft. “Deze dag kan niet meer stuk.” En morgen hopelijk dito. 

zondag 23 juli 2017

Ineens is het overmorgen

Dat was nog niet zo’n slecht idee: het Longfonds een recent stukje sturen over hoe ik als zuurstofgebruiker ‘uit de kast kwam’. Daar zullen onze leden zich in herkennen, reageerde het fonds, en of ze het op hun Facebookpagina mochten plaatsen. Dat mocht, en de herkenning was massaal. Het stukje kreeg binnen de kortste keren duizenden clicks en honderden reacties, variërend van duimpjes en hartjes tot emotionele ontboezemingen.
Een gedeelde ervaring kan steun bieden. Dat had ik al eens ondervonden tijdens bijeenkomsten van lotgenoten die ervaringen en tips uitwisselden; het bleek ook nu ik deelde hoe lastig ik het vond, me in het openbaar te vertonen met een zuurstofslangetje in de neus. Het troost als je merkt dat je niet alleen staat met jouw probleem. En het helpt als iemand met dezelfde makke vertelt hoe hij daarmee omgaat, zowel in praktische als in mentale zin.
Voornoemd stukje mondde uit in een aarzelende conclusie. Ik zag wel in dat ik bij inspanning beter naar het slangetje kon grijpen, maar deinsde er ook voor terug. Op een dag zou ik er wel aan beginnen, ooit, ‘overmorgen misschien.’ Dat was onbedoeld profetisch. Want kort nadat ik de blog publiceerde, kreeg ik een flinke longaanval. Plus het advies van de specialist om voortaan dagelijks zuurstof te gaan gebruiken. Het was ineens ‘overmorgen’ geworden.
En dus zit ik nu me met slangetje te typen, deed ik onlang met slangetje een muziekfestijn aan en ga ik morgen met slangetje op bezoek bij vrienden. Als iemand vraagt wat het me doet, zeg ik schouderophalend: “Het is niet anders,” of: “Jammer, maar het is wel beter.”Dat klinkt iets opgewekter dan ik me voel, want in feite is die hele zuurstofmikmak natuurlijk een nieuwe stap naar de grote duisternis.
Maar dat na andere hulpmiddelen nu ook de zuurstof zijn entree heeft gemaakt, stemt me toch minder donker dan ik gedacht had. Ik herinner me dat ik voor het eerst in een longrevalidatiekliniek kwam en daar mismoedig werd van al die rollators, scootmobielen en zuurstofflessen. Was dat mijn voorland? Inmiddels heb ik dat land bereikt en vind ik toch minder onherbergzaam dan ik vermoedde. Het is lastig, onrustig en onveilig, en de TomTom werkt er niet, maar er valt te leven, niet tegen de klippen op, wel tussen de klippen door. Boeiend, maar vermoeiend. En andersom.


vrijdag 14 juli 2017

Lonneke met haar akelige spuit

Als de telefoon rinkelt, denk ik steeds dat het de speciale apotheek is. Maar nee. Niet dat ik er reikhalzend naar uitkijk, integendeel, ik moet er juist niets van hebben, maar er valt niet aan te ontkomen: een afspraak voor een hernieuwde hormoneninjectie.
Het verhaal dat ik zes jaar geleden in HP/De Tijd schreef over mijn kennismaking met prostaatkanker begon op eenzelfde manier: hoe ik ijsberend door mijn woonkamer de komst van Lonneke afwachtte, een gespecialiseerde verpleegkundige die me mijn eerste hormoonprik kwam geven, ‘de akeligste injectie van mijn leven’.
Amper bekomen van de schrik dat kanker mijn lijf belaagde, kreeg ik destijds ook nog eens kippenvel van het idee dat een hormoonspuit mijn gemoed ging ondermijnen. Zo’n spuit stopt de productie van testosteron, voedingsstof van prostaatkanker. De kanker kan daardoor niet groeien. Maar testosteron is tevens het stofje dat mannen temperament, daadkracht en libido geeft. Een man zonder testosteron leek me als een auto met een snorfietsmotortje. Vandaar dat ik ijzend liep te ijsberen in afwachting van Lonneke met haar spuit.
Inderdaad beroofde de hormoonprik me van heel wat pit en puf. De tegenprestatie was dat de kanker zich gedeisd hield. Na een paar jaar kon ik zelfs een hormoonpauze nemen, waar ik van opveerde. Eind 2015 verried een bloedwaarde dat het opnieuw begon te rommelen in het vooronder. Voorlopig boden hormoonpillen – minder heftig dan spuiten – soelaas. Maar inmiddels concludeert de uroloog uit nieuwe gegevens dat de kanker er duidelijk zin in krijgt en dat het tijd wordt terug te grijpen naar de injecties. “U wordt gebeld.”
Een lelijke tegenvaller. Toch raak ik er niet van in mineur. Gisteren zag ik een eerder opgenomen Vlaamse film over een man met Multiple Sclerose. Daar bleef me een zinnetje van bij, dat meer mensen met chronische mankementen zullen herkennen: ‘Ziek zijn moet je leren.’ Door een blijvende aandoening loop je schrammen en deuken op die je in een volgende fase van pas kunnen komen. Ze leveren bijvoorbeeld nuttige ervaringen en herinneringen op, verscherpen de blik of verdiepen gevoelens. Een verschil tussen de vorige Lonneke en de volgende is dat ik nu weet wat me te wachten staat en dat zulks nou ook weer niet de hel is. Een rustiger besef dan de diffuse vrees voor vage misère, die me vorige keer beving.

Neemt niet weg dat ik toch heel graag met de Bevoegde Autoriteiten zou afspreken dat het nu even welletjes is geweest. Een mikmakloze zomer, valt dat te regelen?

maandag 10 juli 2017

Benauwd avontuur (2)

Ik kom er net pas achter dat ik mezelf leuk vind. Vijfenzestig jaar heb ik erover gedaan, vijfenzestig lange, volle jaren, en nu pas zie ik het in, geef ik het toe, kom ik er rond voor uit: ik vind mezelf leuk. Jottem!
Excuseer de malle aanhef, maar het ziet er dan ook mal uit: ik zie zojuist pas dat ik op Facebook een duimpje heb opgestoken bij mijn laatste stukje, ‘Benauwd avontuur’. Dat zou wel érg koket zijn, zo’n compliment aan mijn eigen voortreffelijkheid. Het betrof dan ook een vergissing. Mijn duimpje was bedoeld voor een reactie op mijn stukje, maar kwam per ongeluk onder het stukje zelf.
Nu ik erachter kom, vind ik het ook wel komisch. Schrijf ik op ernstige toon over een hachelijke aflevering van mijn medische avonturen, rond ik dat olijk af met een opgestoken duim. Op de Eerste Hulp beland met je lamentabele longen: goed gedaan, jochie! Leuk!
In werkelijkheid was het natuurlijk niet zozeer leuk en vooral confronterend. Dat COPD periodiek opflakkert, had ik vaker ervaren, maar dat zo’n longaanval tot ziekenhuisopname kan leiden, wist ik tot dusver alleen uit de boekjes. En nu leek ik toch aan de beurt te komen. Uiteindelijk kwam ik alsnog met de schrik – en extra medicatie – vrij.
Hoe het verder ging? De krachtpillen doen hun werk: de ademnood is afgenomen, de crisis geluwd, de toestand wordt stukje bij beetje normaler. Dus onderhand zou ik wél een duimpje kunnen opsteken over het verloop van het benauwde avontuur. Maar daar ben ik toch terughoudend in. Men moet de goden niet verzoeken, zegt het bijgeloof. En men moet de dag niet prijzen voordat het avond is, zegt de ervaring.
Hoewel... Ik verzoek de goden toch of ik alvast de middag mag prijzen nu het nog middag is en de middag me goed gezind is. Dan zien we vanavond wel weer verder.



vrijdag 7 juli 2017

Benauwd avontuur

De kranten staan, zoals elke dag deze zomer, vol advertenties van reisbureaus die lome zwembadvakanties voor een habbekrats beloven, of juist dynamische trips vol avontuur in Verweggistan. Ik hoef ze geen van alle. De eerste hebben me nooit gelegen en van al die dynamiek krijg ik het bij voorbaat benauwd.
Bovendien hoef ik voor het avontuur niet ver van huis. Zo zat ik gisteren tot mijn eigen verbazing ineens bij Spoedeisende Hulp, een ziekenhuisafdeling met een naam die op acute hulpeloosheid duidt. In mijn geval ging het om toenemende benauwdheid. Met weinig adem ben ik als COPD-patiënt wel vertrouwd, maar de laatste dagen werd de nood wel nijpend. Toen een pepkuur onvoldoende hielp, werd ik doorverwezen naar de eerstehulppost. Om daar een paar uur later en na diverse onderzoeken te horen dat de dienstdoende longarts me wilde opnemen. Een periodieke longaanval, eigen aan COPD, maar nu in XL-formaat.
O nee, dacht ik, niet wéér, de laatste keer dat ik in het ziekenhuis belandde, kwam ik er pas na zes weken en diverse beperkingen rijker weer uit, om meteen door te reizen naar een revalidatiecentrum dat me nog eens een poos van de straat hield. O nee, niet wéér, dat is vragen om een depressie. Goed, zei de arts na een flink gesprek, dan maar naar huis, zij het met een heleboel extra medicatie en een vervolgafspraak. En een feestelijk flesje wijn, maar dat zei de dokter er niet bij, dat besliste ik die avond.
Waarom schrijf ik dit op? Ik ben gewoonlijk terughoudend over mijn medische akkefietjes. Daar is mijn privacy noch de lezer bij gebaat. Ik vind zulke fysieke feiten eigenlijk alleen ter zake, als ik er een gedachte aan kan vastknopen die mezelf verder helpt of waar een ander wat aan zou kunnen hebben. Over de balans tussen willen en kunnen, bijvoorbeeld, of over de perceptie van ziekte en gezondheid.

Wat denk ik vandaag, mijn eerste ziekenhuisspijbeldag, tussen de pillen en de inhalaties en de vernevelingen door? Dat het goed was mijn longen volop aandacht te geven en tegelijkertijd op mijn gemoed te letten. Ik was waarschijnlijk ongelukkig en gestrest geworden van een verblijf in het hospitaal, met alle gehannes vandien en allerlei beperkingen en allemaal andere zieken om me heen. Mijn eigen huis en mijn eigen lief en mijn eigen feestelijke flesje werken curatiever. Vooralsnog, maar toch.

dinsdag 4 juli 2017

Hoe lullig is de scootmobiel?

Hoe lullig is de scootmobiel? Zelf zou ik die vraag niet gauw bedacht hebben, maar hij werd me aangereikt door de Volkskrant. In de rubriek Gadgetdesk bespreekt Bard van de Weijer een nieuw type scoot, dat drastisch afwijkt van de gangbare ‘lullige karretjes’.
Die meewarige kwalificatie trof me vol in het gemoed. Dus zó worden scootmobilisten bezien: als berijders van voertuigen die zo onnozel ogen dat ze de berijders zelf ook tot sukkels maken. In het AD heette het eerder ook al dat de gewone scootmobiel de boodschap ‘invalide en hulpeloos’ uitzendt en mensen stigmatiseert.
Het is een soort berichten dat me irriteert. Ja, het nogal wiedes dat mensen een scootmobiel berijden omdat ze niet goed ter been zijn. En ja, de vormgeving van de gangbare scoot kan praktischer en vlotter. Maar is het daarom een lullig karretje dat zijn gebruikers als meelijwekkend bestempelt? De termen zeggen eerder iets over degenen die ze bezigen dan over wie het betreft.

De gesignaleerde nieuwe scoot betreft de zogeheten Scoozy, die nog op de markt moet komen. Het moet gezegd, die Scoozy is een lekker ding. En hij lijkt ook nog eens doordachter, veiliger en comfortabeler dan de conventionele scootmobiel. Maar de aangekondigde verkoopprijs is een regelrechte afknapper: ruim 8500 euro, twee tot drie keer zo duur als goede gangbare exemplaren en daarmee onbetaalbaar voor de doorsnee gebruiker. Komt er eens een fijne scoot, is-ie alleen voor de happy few. Dat is nou écht lullig.

woensdag 28 juni 2017

Niets te verliezen

Nou ben ik het zat. Ik zit al uren zomaar wat voor me uit te chagrijnen, dat moet nu maar eens afgelopen zijn. Of... chagrijnen is het niet precies, het is eerder een vaag soort somberen, tobben zonder onderwerp, droogmiezeren, sikkeneuren, korzelen, binnensmonds mopperen op niets in het bijzonder, een wrevelloze wreveligheid die zich niet laat duiden.
Van tijd tot tijd is het hierbinnen zoals het momenteel hierbuiten oogt: bewolkt zonder dat ook maar één wolk valt te herkennen. Ik schat dat het de rekening is die ik gaandeweg de rit betaal voor de hordes die ik al passeerde, voor al die momenten van te weinig lucht en te veel kruim, al die momenten van mis en moeilijk waar ik niet bij wou stilstaan maar die toch hun prijs hebben. Dan komt er een dag dat de kassa ineens blijft rinkelen voor de nog niet voldane rekeningetjes.
Mensen winnen zó graag, dat ze niet goed leren hoe te verliezen. En dat terwijl verliezen veel gebruikelijker is dan winnen. Niet alleen kent (behalve bij remises) elke wedstrijd noodzakelijkerwijs maar één winnaar, ook verliest iedereen maar dan ook ie-der-een zijn belangrijkste ronde, namelijk de laatste. Wie weet, valt de spreekwoordelijke berusting van oudere mensen wel te verklaren uit het troostende inzicht, dat er naarmate de levensavond vordert steeds minder te verliezen valt. Kracht, vitaliteit, energie, tempo, ambitie: stuk voor stuk klinken ze gaandeweg in om – als het een beetje meezit – plaats te maken voor bezonkenheid en rust. Een houding die boeddhisten op hun manier ook nastreven.
Het is misschien wel zoals Janis Joplin het zo meeslepend zong: ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose.’ Als je niets meer te verliezen hebt, dan ben je pas echt vrij. Het blijft doodzonde dat zij dat stadium al op haar 27ste bereikte, maar er spreekt een onthechtheid uit, die me elke keer treft als ik zinnetje ergens tegenkom. Wat verliezen we precies met het vorderen van de jaren? Ongekende mogelijkheden, natuurlijk. Maar ook aanstaande teleurstellingen. Verrassende verrukkingen. Maar ook onbekend verdriet. We verliezen in elk geval verwachtingen. Maar dat verlies kun je ook zien als winst, of zoals Joplin zei, als vrijheid.

Buien is het nog steeds wolkeloos bewolkt, zie ik. Maar ik geloof dat het binnen nu toch ietsje lichter wordt. 

donderdag 22 juni 2017

De kracht van de verbazing

Er zijn van die dagen dat ik me voortdurend verbaas. Niet omdat er overal duveltjes uit doosjes springen, de koning aftreedt, de formatie rond is of Donald Trump een nieuw kapsel heeft, nee, omdat het leven van alledag ineens ongewoner lijkt dan gewoonlijk.
Gisteren zit ik in de wachtkamer van een centrum voor diagnostiek om een prik te halen. Ik kan die ruimte dromen, zo vaak kom ik er, en toch kijk ik weer aandachtig rond. Ik zie niets nieuws, maar ik voel iets ouds: het natrillen van geschiedenissen die hier begonnen met grafiekjes en cijfers die me weer naar andere wachtkamers brachten, operatiekamers, intensive cares – een lange reis vol spookverhalen die nooit wennen.
Ik scoot daar weg, de zomerwarmte in, die getemperd wordt door een zoele wind. Het weer went ook nooit, we hebben het er elke dag onnieuw over. Aan de overkant van een doorgaande weg wenkt een lommerrijk park. In de verte zie ik een auto, maar die is nog op veilige afstand, ik kan gerust de zebra over. Ik ben amper aan gene zijde, of de wagen scheurt achter me langs, hij rijdt veel te hard. Een nijdige claxon snerpt me om de oren. Een foetertoeter.
Ook verbazend. Wat bezielt zo’n bestuurder? Hij is een jaar of vijfentwintig, zie ik nog net, en hij heet Wesley, of Kevin, denk ik. Voor 700 euro heeft Wesley/Kevin de metallic-grijze middenklasser gekocht, en daar is hij nu mee aan het gassen, yes, met 70 door de bocht, lekker man. Shit, krijg nou wat, een bejaarde op een scootmobiel, steekt nog over óók, denkt zeker dat ik afrem, nou mooi niet, ouwe gek, ttúúúúúúhhhh, dat zal ‘m leren, die halve zool met z’n sloommobiel – de straat is van mensen die van tempo maken houden.
In het park nemen de vogels het over van de woedende claxons. De vogels, plus de bomen-van-de-vele-blaadjes, die kunnen ruisen als een beste zee. Een meisje loopt op blote voeten over het plantsoen, haar schoenen houdt ze in een hand, de andere veegt de lange haren weg die voor haar ogen dansen. Het is het oerbeeld van de sixties, langharig meisje op blote voeten in het gras, ik ken het al zo lang en toch frappeert het me. “Lekker?” wil ik vragen, maar dat doe ik niet, het antwoord ligt voor de hand.

Verbazing is een mooie kracht. Ze blaast het stof weg van de geschiedenis, die daar die weer glans van krijgt, toont die ene nog niet geziene kant, de andere dimensie, een nieuw perspectief. Goed blijven oefenen, Matt.

maandag 19 juni 2017

Waar we het eigenlijk ook eens over moeten hebben

Waar we het eigenlijk ook eens over moeten hebben, is het woord ‘eigenlijk’. We gebruiken het om de haverklap, maar staan er nooit zo bij stil. Behalve nu dan even.
‘Eigenlijk’ klinkt als een stoplap, een hol woord dat zelf niet veel betekent en vooral dient om een adempauze te verschaffen als we niet gauw genoeg een antwoord weten of op de juiste woorden komen. “Nog een wijntje?” “Eh, eigenlijk wou ik naar huis.” Hoe vond je de voorstelling?” ”Best interessant, eigenlijk.”
Zo zien we al meteen dat een holle term toch vol betekenis kan zijn. Het woord ‘eigenlijk’ schminkt onze onzekerheid voor een moment weg. Dat laatste wijntje lusten we wát graag, maar ja, morgenochtend roept het werk weer, dus we aarzelen tussen twee belangen, plicht en plezier, en geven onszelf nog een paar tellen bedenktijd. Of het theater had ons een moeilijk stuk voorgeschoteld, waar we niet eentweedrie raad mee weten, maar dat wel voor belangrijk doorgaat, zodat we – om niet voor culturele lichtgewicht door te gaan – naar een ontwijkend antwoord zoeken.
Op die manier gebruikt, kan ‘eigenlijk’ ook suggereren dat we iets doen of laten in het besef dat we het beter kunnen laten c.q. doen. “Eigenlijk moet ik meer sporten.” “Eigenlijk ben ik te veel met mijn werk bezig.” Of de onthulling: “Eigenlijk ben ik monogaam.” Het zijn zinnetjes waarvan de tweede helft ontbreekt. Ik moet meer sporten, maar ben daar te lui voor. Ik ben een workaholic, want het werk geeft me veel voldoening. En ik mag dan wel monogaam zijn, voor jou dreig ik een uitzondering te maken.
Behalve onzekerheid licht er ook wel een bepaalde diepte achter het woord ‘eigenlijk’ op. Een vraag naar achtergronden, verscholen bedoelingen en onuitgesproken intenties. “Wat bedoel je eigenlijk?” “Hou je eigenlijk nog wel van mij?” ”Eigenlijk heeft de regering de kluit belazerd.” Hier heeft ‘eigenlijk’ de betekenis van ‘in werkelijkheid’, ‘welbeschouwd’ ‘au fond’ of ‘in essentie’. Met een beetje bravoure zou je kunnen stellen dat achter ons eenvoudige woordje de grootste vragen van de existentie opduiken. Uiteindelijk zouden we allemaal wel willen weten wat schijn is en wat wezen, hoe de werkelijkheid nu echt in elkaar steekt, wat toch de kern is van ons raadselachtige bestaan.

Ik sla op hol, merk ik. Tropenkolder waarschijnlijk. Het is 31 graden. Geen weer voor moeilijke stukjes, eigenlijk.

dinsdag 13 juni 2017

Even nahijgen

Kennelijk stond er een goeie kop boven mijn vorige stukje. En dan doel ik niet zozeer op de illustratie: een foto van schrijver dezes met zomerhoed en zuurstofslangetje. Nee, ik bedoel het opschrift ‘Een hijger komt uit de kast’. Hoe dan ook, het stukje trok nogal de aandacht.

Via Facebook kwam ook een hele trits reacties los, veelal afgerond met een bemoedigend ‘sterkte!’. Allereerst: mijn dank daarvoor. Vervolgens moet ik er toch nog even over nahijgen.
Dit weblog gaat over van alles dat me opvalt, invalt en overvalt, en dat is méér dan alleen mijn medische mikmak. En als ik over die mikmak rep, beperk ik me ook weer. Ik schrijf niet graag en niet vaak over de nare, donkere, pijnlijke, verdrietige kanten van fysiek malheur. Zulk proza wordt me al gauw te klagerig en te melodramatisch. Als vanzelf, van de weeromstuit misschien, zoeken mijn stukjes juist het licht op, de hoop, de kansen.
Maar nu en dan geef ik mezelf toestemming voor een moeilijk blogje en probeer ik scherp te krijgen hoe ziektes een mens kunnen bezeren en bezwaren en beperken. Er zijn van die uren dat de vloek zich beter laat vinden dan de lach en de dofheid sneller dan de gloed. Ze vallen niet te ontkennen, die bewolkte momenten, ze horen erbij. Je kunt de spoken van het leven beter in de lelijke smoel kijken, dan proberen ze weg te wuiven.
Dat had ik in gedachten toen ik schreef dat mijn longaandoening me net zo benauwt als het idee dat ik publiekelijk aan het slangetje moet, aan de zuurstof, met de Z van Zichtbaar Zwak en Ziek. Het is in theorie maar een hulpmiddel, net als een rollator of een wandelstok, maar bij zuurstof gaat het om iets essentieels, iets existentieels, iets waar het leven mee staat of valt. Je kunt niet zonder. Met een Z.
Maar ik hoef ook niet Zonder. Dan maar een slangetje, Zonodig. En zo Zwak is het nou ook weer niet om te laten zien dat je jezelf een handje helpt. Het luchtte zelfs een beetje op toen ik mezelf met slangetje (en hoed) terugzag op internet. Maar die bemoedigende reacties deden me stiekem toch wel goed.


zondag 4 juni 2017

Een hijger komt uit de kast

Het weer zat alvast mee: droog, tamelijk zonnig en niet te warm. Welgemoed chauffeerde ik eega en kleindochtertje naar Bergeijk, waar ze een lang weekeinde gingen kamperen. Getweeën, zonder mij, want voor het tentleven heb ik het gestel niet meer.
De gereserveerde plek onder de bomen was mooi en ruim bemeten. Ik klapte een stoeltje uit en keek toe hoe de twee aan het werk gingen met stokken, scheerlijnen, haringen en tentdoek, wat nog een hele klus is voor een één volwassene en een zevenjarig kind. Met elke hamerslag op een haring daalde mijn stemming en steeg mijn gêne, want ik zag mezelf daar zitten als een pasja die met de armen over elkaar neerkeek op zijn werkvolk.
Die stemming werd nog donkerder toen ik op weg naar het toiletgebouw stuitte op allerlei hobbels en hellinkjes die niemand opvielen maar die voor mij uitpakten als één lange hindernisbaan ten koste van zoveel adem en kracht in de benen dat ik twee keer moest stoppen om bij te komen.
Met de tong op de schoenen terug bij het tentje, bleek de auto niet meer te starten. Onoplettendheid, accu leeg. Een uur later was dat probleem verholpen en reed ik in mijn eentje terug naar huis, in een stemming die laveerde tussen ergernis, vermoeidheid en frustratie. Niet meer kunnen wat je wilt: hoe vaak had ik dat al ervaren? En toch wende het maar niet.
Onderweg kreeg ik een verschijning. Het was mijn fysiotherapeute Anne-Marie, die me altijd aanraadt bij inspanningen extra zuurstof te gebruiken. Dat doe ik wel in de beslotenheid van de fysiopraktijk, maar niet in het openbaar. “Had je op die camping zuurstof gebruikt, dan was het vast beter gegaan.”
Ik was toch ook al eerder uitgekomen voor mijn beperkingen en me gaan tooien met wandelstok, rollator en scootmobiel, allemaal illustraties van het feit dat ik gaandeweg slechter ter been was geworden. Waarom dan niet nu uit de kast komen als hijger? Er is toch geen principieel verschil tussen een neusbril en een leesbril, tussen het ene hulpmiddel en het andere?
Toch wel. Zo’n slangetje in je neus oogt als een bijna-dood-verklaring. Wanneer in een film een acteur moet spelen dat hij ernstig ziek is, tooien ze hem met een zuurstofslangetje. Maar ja, zou Anne-Marie zeggen, liever zuurstof dan frustratie. Moest ik er dan toch maar aan geloven? Misschien kon ik er het best mijn witte zomerhoed bij opzetten. Weinig lucht maar air genoeg.

Ooit. Op een dag. Misschien overmorgen.

donderdag 25 mei 2017

De hemel bestaat wel degelijk

Goed, dan niet. Geen punt hoor. Even goede vrienden. Ik zit er echt niet mee. Maar slim is anders.
Had ik vorig jaar op deze plek zo’n mooi alternatief voor Hemelvaart bedacht, heeft niemand daar oren naar. Als het bijtijds was overgenomen, hadden we dit jaar al de eerste Nationale Hemelse Dag kunnen vieren, een happening voor gelovigen en ongelovigen met een motto dat iedereen aanspreekt: de fijnste feestdag van het jaar. De hele wereld had ons erom benijd, tv-stations van heinde en verre waren erop afgekomen, de talkshows kwamen er niet over uitgepraat en in verspreide metropolen gingen massa’s de straat op om in navolging van Nederland óók een Hemelse Dag op te eisen. Had allemaal gekund, is allemaal niet gebeurd. Soit.
Ik ben dus maar in mijn eentje Hemelse Dag gaan vieren. Echt in mijn eentje, want mijn geliefde had het te druk met dringender zaken. Ik dus op mijn scoot de zomerwarmte in om me te verlustigen aan de bermflora, die her en der stond te bloeien alsof het allemaal niks kostte, wat nog waar was ook. De zon streelde mijn kruin, de heerlijkste bloemengeuren dreven voorbij, vogels floten er passende sonates bij en ik neuriede mijn oude held Ray Davies na, ‘lazing on a sunny afternoon,’ luierend op een zonnige middag.
Ik stopte ergens aan het water waar een paar bomen en een ranke fietsbrug perspectief aan het landschap gaven en mijmerde een tijdje over de hemel. Wie wist daar nog wat van, sinds de secularisering met het geloof ook het hiernamaals tot iets van vroeger had gemaakt? Als katholiek misdienaartje kon ik me nog wel een voorstelling van de hemel maken. Niet al te concreet, maar dat het er aangenaam was, wist ik zeker: een geheime plek in de wolken waar de doden elke dag goede zin hadden. Gaandeweg taande die zekerheid om plaats te maken voor het idee dat het menselijke voortbestaan zich beperkte tot de herinnering en de geschiedenis: een echo van ooit, die ijler en ijler werd en oploste in de abstractie. Maar ja, daar maak je niet eentweedrie een nationale feestdag van.
Zo zat ik daar aan het water te peinzen, tot ik het ineens zag. Die hemel bestaat wel degelijk. In ons hoofd. Op de plek waar de verbeelding woont. Nergens zijn we gelukzaliger dan in onze dromen, nergens zijn de mensen mooier en liever, is de natuur weergalozer, zijn verrukkingen verrukkelijker en sensaties sensationeler. We dromen met gemak een hele zevende hemel vol, en een achtste toe.

Enfin, daar was ik wel even zoet mee, ik werd er helemaal loom van, lazing on this sunny afternoon. “Fijn tochtje?” vroeg de geliefde. Ik knikte: “Het was nog een hele trip.” 

vrijdag 19 mei 2017

Idylle met rouwrand

Menno (l) en Paul (r) de Nooijer
Voor de tweede keer ‘Het laatste Kunstje’ bekeken, een documentaire over de kunstenaars Paul en Menno de Nooijer, gisteravond uitgezonden in Het uur van de Wolf.
De eerste keer was september 2016, toen de film van Jacomien Kodde tijdens een festival in Vlissingen in première ging. Daar wou ik bij zijn omdat ik nogal bij vader en zoon De Nooijer betrokken was geraakt. Dat begon met een interview met Paul, lang geleden in weekblad De Tijd, het vervolgde met een tweegesprek voor HP/De Tijd en het mondde uit in bijdrages aan hun multimediaproject Half the Horizon, hier al vaker beschreven.
De documentaire scharniert rond de prostaatkanker die Paul de Nooijer getroffen heeft, maar waaiert uit over de hele loopbaan van het duo in de avant-gardefilm en –fotografie. Er worden nogal wat constantes zichtbaar. Ze grijpen graag naar surrealistische elementen. De schminkdoos is nooit ver weg. Kleren zijn theatraal, of juist afwezig. Starre blikken in de camera en statische poses worden afgewisseld met versnelde filmbeelden die samen een sfeer van vervreemding oproepen. En hoewel er zelden wordt gelachen, valt er regelmatig te grinniken.
Die grinnik is tegelijkertijd interessant en lastig. Valt er met kanker eigenlijk wel te lachen? Niet heus, zou je zeggen, want kanker leidt nogal eens tot de dood. Maar als Menno alvast een doodskist voor de zieke Paul timmert en hem die trots presenteert: – “Hij is klaar!” – heeft dat toch wel iets komieks. Hetzelfde geldt voor de scène waarin een hondje likkebaardend een hapje prostaat verorbert. De lach die dan opwelt, maakt de zwaarte van het onderwerp licht en werpt een zonnestraal door het donker heen.
We zien vader, moeder, zoon, schoondochter en de drie kleinkinderen rondscharrelen op hun prachtige Zeeuwse landgoed, kalm doende met de walnoten- of tomatenoogst, een klusje of een filmshot, en in de volgende scène dient de kanker zich weer aan om de idylle van de grootfamilie-in-het-groen van een zwarte rouwrand te voorzien. That’s life, lijkt de film te zeggen: zó loop je rond, zó lig je in je kist, je kunt erom huilen, je kunt er ook iets van zien te maken – al is het je laatste kunstje.

Maar op het laatste kunstje dat Half the Horizon leek te worden, volgden er nog een paar, want Paul vond onverhoopt baat bij een nieuw medicijn – Enzalutamide – dat zich net op tijd aandiende. Toen ik hem zojuist aan de telefoon had, klonk hij energieker dan ooit. Dit weekeinde nieuwe opnames in Goes, zei hij vergenoegd. Ik hoorde hem in zijn handen wrijven.