woensdag 18 oktober 2017

Lord Wanhoop en de krakkemik

Ik zag een beroemde film met Jack Nicholson op tv. Hij oogde verfomfaaid en desperaat. Ik moest aan mijn vader denken, niet omdat die op Nicholson leek, in de verste verte niet, maar omdat vader bij het ontwaren van zo’n warrige kop steevast ‘Lord Wanhoop’ mompelde.
Die term had hij niet zelf bedacht, maar kwam geloof ik uit een oude klucht. Maakt niet uit, ik vind het een sterke uitdrukking. Een Lord die Wanhoopt, het is me nogal wat. Een heer die alle decorum kwijt is en is afgegleden van een gezien persoon tot een hopeloos geval.
Hoop en wanhoop vormen een begrippenpaar dat twee uithoeken van de menselijke geest overspant. Wie hoopt, ziet toekomst, wil verder, ruikt kansen, heeft zin, is vol goede moed. Al zit het vandaag tegen, morgen is er weer een dag, nòg is er niets verloren en valt er van alles te winnen, joechei! Hoeveel triester is de wanhoop. De radeloze weet niet meer waar hij het zoeken moet, niets lukt, vandaag niet en morgen waarschijnlijk nog minder, linksom niet en rechtsom niet, het is om stapel van te worden, hoe moet het ooit nog goedkomen? Zo vol als de hoop van zichzelf is, zo leeg is de wanhoop, kansloos, kleurloos, zo loos als loos maar kan zijn.
Ik heb het op deze plek nogal eens over hoop, vooral als het gaat over ziekte en gezondheid. Hoop is de beste vriend van mensen die averij opliepen in het leven. De vriend die je voorhoudt dat een halfleeg glas toch ook halfvol is, dat een beperking ook weleens verrijking oplevert, dat je meestal meer overhoudt dan je kwijtraakt, dat een min als voordeel heeft dat de plussen mooier worden. De vriend van wie je het moet hebben in lastige tijden.
De hoop reist meestal met me mee op de kronkelwegen van het leven, maar af en toe kijkt-ie even de andere kant op en komt de wanhoop om de hoek grijnzen. Hoewel – wanhoop is een te sterk woord, het betreft eerder een diepe vermoeidheid. Dan zucht en godver ik dat ik alle gedoe hélemáál zát ben: het tekort aan adem, het gehannes met zuurstof, de spierzwakte, de inleggers, de pillen en pufjes en prikken, al die witte jassen – die hele mikmak van een krakkemik.
Tot ik het gezucht en gegodver ook weer moe ben. Dan houd ik mezelf voor dat halfleeg toch ook halfvol is en dat verlies soms winst betekent en dat er geen schaduw kan bestaan zonder de zon. Ik moet ze me steeds opnieuw vertellen, die verhalen, maar uiteindelijk werken ze wel. Lord Wanhoop komt er hier vooralsnog niet in.



maandag 9 oktober 2017

Daar zijn Miles en Yo-Yo en Alex weer!

Het heeft een half jaar geduurd en nu is het eindelijk zo ver: ik heb mijn muziek weer terug.
Dat zit zo. Ooit hadden we voor de uitdijende collectie cd’s een ladenkast laten maken, die handiger leek dan hij bleek en waarvan de royale omvang gaandeweg ook begon te hinderen. Om ruimte te winnen en de muziek ook toegankelijker te maken, besloten we de cd’s te digitaliseren en de dikke kast te vervangen door een slank designmeubel. En als we dan toch aan de gang waren, konden we net zo goed meteen de stukadoor en de huisschilder laten komen om de muren eens een beurt te geven.
Maar. De stukadoor en de schilder hadden het wezenloos druk – leve de opfleurende economie. De oude kast vond een nieuwe liefhebber, het nieuwe designmeubel echter had een onverwacht lange levertijd. En de operatie van-cd-naar-mp3 kostte veel meer tijd dan ik dacht. Bijgevolg stond het halve huis maandenlang overhoop en bleef de geluidsinstallatie verweesd wachten op betere tijden.
Sommige misère lost op een dag vanzelf op in de nevels van het verleden. Uiteindelijk kwamen de muren toch aan de beurt, bracht de meubelwinkel de nieuwe kast en kregen we de muziekcollectie digitaal ontsloten.
Er gingen nog de nodige krachttermen aan vooraf, maar zo kwam vrijdagavond om 18.23 uur toch maar mooi Miles Davis binnen om Kind of Blue te blazen alsof hij nooit weg was geweest. Vervolgens dienden I Musici zich aan met Albinoni, verdiepte Yo-Yo Ma zich in de tango en kwam Alex Roeka Gestreeld en Gekrast zingfluisteren – allemaal verrast met elkaars gezelschap.
Ik zat helemaal glunderend te luisteren, blij als een kind met een puppy, en zoog de oude bekende noten in me op. Wat is het toch dat muziek zo indringend maakt? Geen kunstvorm die me midscheeps in het gemoed raakt zoals muziek dat kan. Draai een glimp van September Song door Sarah Vaughan en de herfstige weemoed om de vergankelijkheid golft door me heen. First time Alone van John Mayall brengt me met een vingerknip naar die mooie rooie, mijn eerste meisje. Of Angie van de Stones: live in de Kuip en net verliefd op mijn huidige lief, wat een moment... Ontroering, vervoering, lust, geluk, weemoed, opwinding, vloeibaar gemaakt tot do-re-mi’s, tertsen, octaven, consonanten, dissonanten. Man, man.

Afgelopen nacht, half twee. “Nog héél even Wait van Jeroen van Vliet?” probeer ik. Maar een Stille Nacht is ook mooi.

dinsdag 3 oktober 2017

Hoed af voor de 'has-been'

In een discussie op internet wordt iemand een ‘has-been’ genoemd. Dat is de smalende Engelse betiteling van een persoon die ooit wat voorstelde, maar wiens faam al geruime tijd vervlogen is. Wat nou, has-been? Ik neem juist mijn hoed af voor een persoon die ooit wat voorstelde, ook al was dat in vervlogen tijden.
Om te beginnen is bijna alle faam tijdelijk. Er zijn uitzonderingen zoals Caesar, Shakespeare of Marilyn Monroe, maar in de regel gaat roem vroeg of laat over in vergetelheid. De gevierde kunstenaars en staatslieden van eergisteren leven alleen nog voort op straatnaambordjes – als ze geluk hebben. Waarbij  zo’n Naam dan soms ook nog eens vergeven blijkt aan een doodlopend achterafstraatje waar mensen alleen komen om hun hond uit te laten.
Dat roem vergankelijk is, is een soort natuurwet, en dus niet zo’n sterk argument om iemand voor passé te verklaren. Dat een naam niet meer op ieders lippen ligt, wil nog niet zeggen dat zo’n naam er niet meer toe doet. Dat bewijst menig museum dat een oude meester afstoft, menig orkest dat een bijna vergeten symfonie herontdekt, menige biografie over een VIP-van-vroeger.
Daar komt bovenop dat roem met de dag vluchtiger wordt. Zie de televisie, waar aan de lopende band anonieme mensen tot BN’er worden gepromoveerd en even vlot weer worden afgeserveerd, zodat het stardom wel erg inflatoir is geworden. Maar als de Naam al een eendagsvlieg wordt, dan blijft er van de has-been nog amper iets over en is die kwalificatie zelf ook al passé geworden.
Naast de quasi-sterren zijn er nog steeds de echte sterren: de winnaars, de gelauwerden, de uitblinkers, de respectabelsten. Wat geeft het dat hun namen over een paar jaar niet meer op ieders lippen liggen? Zij hebben zich onderscheiden met hun talenten. Ze hebben op een dag een topboek, een heel fijne film, een indrukwekkende recital of een sociale prestatie op hun naam gebracht, een verdienste van formaat, die de wereld een beetje mooier heeft gemaakt. Dat kunnen al die chagrijnen die op internet de betweter uithangen niet van zichzelf zeggen. Ik zeg maar zo: beter een has-been dan nooit een tien.