zaterdag 17 februari 2018

En route met de Godin

Amerikaanse filmmakers zijn dol op clichés. In een film over een kankerpatiënt duikt bijvoorbeeld geheid een bucketlist op, een agenda van topbelevenissen om af te vinken voordat het helaas te laat is. Ik moest eraan denken toen ik eens een vluchtje met een zweefvliegtuig wilde meemaken en een van de vliegeniers voorzichtig informeerde of ik wellicht met een bucketlist bezig was (quod non). Misschien borrelde die vraag gisteren ook wel op bij mensen die een wat stramme man met een draagbaar zuurstoftankje zag instappen in een van de mooiste oldtimers aller tijden: de Snoek.
De Snoek, zeg ik voor niet-ingewijden, is een koosnaam voor de Verleiding op Wielen die bekendstaat als Citroen DS, ook wel uitgesproken als déesse, het Franse woord voor godin. Er is ook een versie die Citroen ID heet en wat minder luxueus is, een wat aardsere godin, zogezegd. Een andere bijnaam is Strijkijzer, een eretitel die mij iets te prozaïsch is, maar die wel recht doet aan de gewelfde lijnen van de automobiel. Enfin, met deze historische Citroen was uw schrijver dus maar mooi en route door de Brabantse dreven. Niet om af te vinken op een lijstje van laatste wensen, want zo’n lijstje heb ik niet, maar wel omdat het me een bijzondere ervaring leek en omdat ik gaandeweg een grotere gevoeligheid voor het bijzondere in mezelf opmerk. Dat ‘bijzondere’ kan een film zijn, een gesprek, een etentje, een pianosonate, een moment met een kleinkind, en dus ook een rit met een auto die ik al een leven lang weergaloos vind: de Snoek.

Mijn zoon Menno heeft een vriend, Jorrit, die een vijftig jaar oude, zilvergrijze Citroen ID bezit en ons de voiture graag uitleende. Ik liet me rijden – de oude, zware besturing was me te moeilijk –, maar het rijgenoegen was er niet minder om. Die eindeloos lange neus voor mijn neus, die fameuze vering, die sensuele glooiingen om me heen, dat geluid van een halve eeuw geleden – ik gloeide er gewoonweg van. We reden door dorpen waar de vloeiende lijnen van de auto zich spiegelden in de winkeletalages, over smalle wegen die zo stil waren als in de geboortejaren van de Snoek, tot we in de Peel waren, in Helenaveen en Griendtsveen, waar de lokale uitspanning de Morgenstond heette. We parkeerden ergens langs een oude turfvaart voor een ijdel moment van Mij & Mijn Snoek (voor deze gouden uurtjes dan). En de goden van de Peel zagen dat het goed was en stuurden een extra portie winterzon. Merci Menno, merci Jorrit, merci Citroen ID.

zondag 11 februari 2018

Sjiengele boem

Al dagen klinken er flarden carnaval in mijn hoofd, een deinende deun, een verre dreun, onwijze woorden en zinnen buiten zinnen, sjiengele sjiengele sjiengele sjiengele boem!
Het begon donderdagavond met de documentaire Nao ut Zuuje, vertoond op TV, een heerlijke reportage over het Venlose carnaval, gedrapeerd rond de charmante stadsprins Lex d’n Iërste, buiten Venlo bekend als televisiemaker Lex Uiting.
Het was een uitzending die ook sceptici gevoel zal hebben gegeven voor de schoonheid van het authentieke carnaval. Ik was daar als oud-Venlonaar al mee vertrouwd, maar vond de documentaire toch meeslepend genoeg om zin te krijgen spoorslags nao ut Zuuje af te reizen en daar na langdurige abstinentie weer eens op te gaan in de trance van Vastelaovend.
Maar tussen droom en daad staan haperende longen in de weg, en onwillige spieren, en zo nog wat verspreid fysiek ongerief, zodat ik het bij zin houd en thuis blijf, met een hoofd vol herinneringen. Die ga ik nu heus niet ophalen, wees gerust. Maar ik realiseer me wel hoeveel contrasten het leven te bieden heeft. Een vingerknip geleden stond ik nog op een tafel in het Venlose café De Witte en zong met de armen in de lucht tot ik er schor van werd en zwierde met onbekenden door de dansende straten tot de nacht helemaal op was. En nu, een vingerknip later, lukt dat allemaal niet meer en resten me het geheugen en de verbeelding. Ik herinner me uren en momenten vol muziek, gelach, schmink, kleuren, schuimend bier, klamme kroegen, koude straten en hete kussen. Het zijn herinneringen en beelden zonder weemoed: ik hoef er niet naar terug, het was goed zoals het was. Maar het contrast tussen de vitaliteit van toen en de invaliditeit van nu is wel schril genoeg om er even van te huiveren.
Dat is het leven, jongen, spreekt de grijsaard in me, het gaat op en ook weer neer, het komt en het gaat, het geeft en het neemt, net zoals dag en nacht elkaar aflossen, licht en donker, eb en vloed, yin en yang. Maar komaan, ik snap het, dat zijn bespiegelingen waar vandaag niemand oren naar heeft. Het is carnaval, wie maalt er dezer dagen over het getij van het bestaan? Sjiengele sjiengele sjiengele sjiengele boem!


zondag 4 februari 2018

"Ik zal voor u bidden"

Als ik iets van het leven heb opgestoken, is het dat een nare ervaring het best valt te bestrijden met een aangename belevenis. Die plakt een pleister op de wonde, zoet het zuur, stuurt een zonnestraal door het grauw.
Soms komen die aangename belevenissen zomaar uit de lucht vallen. Ik schrijf dat ik slecht nieuws heb gehad en krijg een reactie van een lezer die ik helemaal niet ken maar die begaan met me is. Of er komt een weelderige bos bloemen van een website waar ik wel eens een stukje aan slijt. Of ik raak geroerd door de lyrische tonen van een saxofonist tijdens een concert waar ik eigenlijk geen zin in had.
Aangename ervaringen laten zich ook wel organiseren. Een bevriende architect, Paul, die me wel eens trakteert op een bezoekje aan een bijzonder gebouw, nam me dezer dagen mee naar wat hij de mooiste kerk van Nederland noemde: de kloosterkerk van de Benedictijner Abdij in het Zuid-Limburgse Mamelis bij Vaals. Een ontwerp van architect en monnik Dom van der Laan, niet heel bekend, maar een náám in zijn vakgebied. Grondvester van de Bossche School, een architectonische stroming met geprononceerde opvattingen over (sobere) stijl en (harmonische) ruimtelijke verhoudingen. We waren er een uurtje, Paul voor de zoveelste keer, ik voor het eerst, lang genoeg om allebei bevangen te raken door de kracht en klasse van het gebouw.
De kerk was leeg toen een monnik ons er binnen liet. In de rechthoekige, symmetrische, door massieve rechthoekige kolommen omzoomde ruimte hing een ijle nevel die onnadrukkelijk naar wierook geurde. Door hoge, ritmisch geplaatste ramen viel winters daglicht naar binnen. Het bescheen de Spartaanse houten banken van het koor en het middenschip. De witgekalkte muren kenden maar een enkele decoratie; ook telde ik niet meer dan zes kaarsen. De ruimte had genoeg aan zichzelf met die basale materialen, overtuigende lijnen en puurheid. Ze bood een perfect onderdak aan concentratie en bezinning, essentie en waarheid, eeuwenoude vragen zonder antwoorden.
Tegen twee uur luidde buiten een paar keer een klok. Dertien zwartgeklede monniken kwamen de kerk binnen, namen plaats in de koorbanken en begonnen aan de Noon, een korte reeks Gregoriaans gezongen psalmen. Het was van een mystiek en een devotie die me stil maakten, zeker nu, nu het leven me zo nadrukkelijk op zijn dieptes wees, de eindeloze duisternis achter de einder.

Bij het vertrek gebaarde een monnik naar mijn zuurstofslangetje en fluisterde: “Gaat het niet zo goed met u?” Toen ik knikte, legde hij een hand op mijn arm en zei: “Ik zal voor u bidden.” En hoe ex-rooms ik ook ben – dat deed me goed.