zondag 10 december 2017

Compliment voor Zuster Ingrid

Genoeg gekankerd. Na vier grimmige stukjes over de lelijke kanten van het leven nu weer eens een opgewekt blogje. Over vrolijke post van het Stadhuis.
Deze zomer las ik ergens dat mensen die veel tijd en energie wijden aan hun hulpbehoevende naasten in aanmerking kunnen komen voor een ‘mantelzorgcompliment’. Dat is een van overheidswege bedachte geste aan echtgenoten, familieleden, buren of vrienden die het heel druk hebben met vrijwillige en onbezoldigde zorg voor iemand uit hun directe omgeving. In Nederland verlenen wel vier miljoen mensen een vorm van mantelzorg; van hen zijn er ruim zeshonderdduizend langdurig en meer dan acht uur per week in touw. Die mensen komt wel een applausje en een aardigheidje toe, is toen bedacht: het mantelzorgcompliment.
Goed idee, dacht ik, en ik schreef de gemeente aan om mijn Ingrid te nomineren voor zo’n duimpje. Ik lichtte toe dat ze een forse deeltijdbaan aan mij heeft. Dat varieert van hulp bij allerlei bezigheden waarvoor ik adem of kracht tekort kom, begeleiding bij de vele medische consulten en controles, meedenken over grotere en kleinere sores en geduldig luisteren naar fysieke en mentale wederwaardigheden, tot het overnemen van huishoudelijke taken en doehetzelfklussen die ik moet laten liggen. Soms, bijvoorbeeld als ze me helpt met een steunkous of met katheterzorg, noem ik haar liefkozend Zuster Ingrid. Op andere momenten kortweg Kanjer.
Enfin, de gemeente liet zich graag overtuigen, bleek deze week uit de post: het Mantelzorgcompliment is toegekend, dezer dagen krijgt ze 200 euro gestort, met de groeten van de burgemeester. Ze bezint zich nog op een feestelijke bestemming voor die meevaller.

Behalve dat het een opsteker is voor Zuster Ingrid, respectievelijk Kanjer, is het ook plezierig dat die vaak zo abstracte en afstandelijke overheid nu eens concreet en hartelijk uit de hoek komt met zomaar een schouderklopje voor een lieve burger. Waarvan akte.

donderdag 7 december 2017

Ik wou dat ik me verveelde

Voor de derde keer in een week naar het ziekenhuis –mijn dierbare oude Citroen kan de weg al bijna zelf vinden. Eerst twee dagen op rij naar Spoedeisende Hulp, vandaag een controle. Het liep goed af, maar wat een heisa...
In het weekeinde raakte de katheter die ik sinds een goede maand heb ineens verstopt. Naar de Eerste Hulp, ding vervangen, blaas doorgespoeld, probleem opgelost. Maar de volgende dag leek het probleem terug. Gebeld, opnieuw naar de Spoed ontboden, echo’s, bloedonderzoeken, uren wachten.
Dat wachten in ziekenhuizen is nog een hele klus. In andere situaties kun je je al wachtende aan een cryptogram zetten, of dromen over een warm palmenstrand, of mediteren op de lussen van je schoenveters, maar dat is er allemaal niet bij als je op een medische uitslag wacht. Terwijl eerst de minuten, toen de kwartieren en vervolgens enkele uren wegtikten, vocht ik tegen denkbeeldige onheilsboden die me grijnzend toefluisterden dat de kanker misschien wel aan de nieren zat te knagen, of met de klieren zat te klieren, en dat het kathetergedoe daar allemaal door kwam. Dadelijk gingen ze sissen dat ik werd opgenomen, ter observatie, omdat de doktoren het niet vertrouwden, al die onrust daar beneden. En er flitsten beelden van een paar jaar terug door mijn hoofd, van OK’s en IC’s en medicijnen waar je van ging malen. En dan riep ik me weer tot de orde: sla niet op hol, heb geduld, wacht af.
De uitslag kwam en was goed. De controle vandaag idem. De betrekkelijke rust is terug. ‘Hoe was het?’ vroeg een broer die belde over de voortgang. Ik praatte hem bij en rondde af met die Engelse verzuchting die in het Nederlands niet zo goed overkomt: never a dull moment.
Nee, van vervelen komt het niet gauw bij kanker. Je krijgt medische afspraken bij de vleet met de nodige en onnodige hoofdbrekens van dien. En als je dan toevallig ook nog eens stukjesschrijver bent, dan wenkt er steeds weer een knipperende cursor op een leeg scherm om nieuwe zinnen over vandaag en morgen, over kansen, gevaren, hoop, teleurstelling, ambitie, beperkingen, kwaliteit, betekenis – genoeg stof voor een hele bibliotheek. Ik wou dat ik me verveelde, zou ik bijna zeggen, maar niet dus.
Ik heb geen goed woord over voor kanker, maar alla, maar als het niet al te zeer tegenzit blaast het wél het stof van het leven, verdiept, verscherpt, verbindt, verinnerlijkt, verhevigt. Verdomme.


maandag 27 november 2017

IJsberen in niemandsland

In een Eindhovens laboratorium inspecteert een laborant een paar druppels bloed om te zien hoe het staat met de tumormarker PSA. Het cijfer dat daaruit resulteert wordt doorgestuurd naar de oncoloog, die het vervolgens bespreekt met zijn patiënt. Hij heeft goed of slecht nieuws: de uitzaaiingen zijn helaas toegenomen of gelukkig geslonken.
Zo gaat het dagelijks in een groot ziekenhuis. Het verschil is dat het dezer dagen over mijn PSA en mijn prostaatkanker gaat. Ik heb net bloed laten prikken en ben in afwachting van de uitslag. In gespannen afwachting. Na de donderdagen van de beroerde scans ga ik nu door een stel zenuwdagen. Slaan de nieuwe medicijnen aan? Dringen ze de onlangs geconstateerde uitzaaiingen terug? Of zijn die er niet van onder de indruk en woekeren ze stoïcijns door?
De patiënt die op een belangrijke uitslag wacht is een reiziger in niemandsland. Hij sjokt door een guur landschap zonder een stap verder te komen, ijsbeert van kastjes naar muren, loze kastjes, blinde muren, en vandaar weer terug, en nog eens, en nog eens – het heen en weer krijgt hij ervan. Steeds maar hameren er moeilijke vragen in zijn hoofd. Hoe definitief is een slechte uitslag, hoe relatief een goede? Stel dat het PSA amper is gedaald... Is dan bewezen dat de nieuwe pillen niet werken? Of is er toch nog kans dat een volgende controle gunstiger uitpakt? Of stel dat het PSA flink is verlaagd... Is dat een momentopname, een tijdelijk succes? Of biedt dat hoop op een langere werking? En wat als de uitslag ronduit fout is?
Geleidelijk kalmeren de zenuwdagen toch, worden de dagen uren en de uren momenten. De tijd daartussen krijgt iets  onwerkelijks. Ja, er hangt een belangrijke uitslag in de lucht, maar intussen gaat het dagelijkse leven gewoon door. Ik regel bankzaken, ruim papieren op, doe een afwasje, maak notities, lees de krant. En af en toe denk ik aan die laborant met mijn druppels bloed. En ik denk aan de kaarsen die hier en daar branden om de bevoegde instanties eraan te herinneren dat ze maar het beste voor een mooie uitslag kunnen zorgen.

Er brandden al eens eerder kaarsen voor mijn kansen, in 2011, rond de operatie die het begin van mijn loopbaan als prostaatpatiënt markeerde. Het leverde me vooralsnog zes jaar op. Het is, lieve bevoegde instanties, maar een suggestie.