zondag 15 december 2013

Van de wieg tot het graf


Lieve H, als dat ene fatale moment er niet tussen was gekomen, zou je vandaag jarig zijn geweest. Zes voet onder de grond vier je je geboortedag niet meer, dat begrijp ik, en toch zoek ik je even op. Voor de zoveelste keer 47 geworden, gefeliciteerd.

Soms op haar sterfdag, soms op haar verjaardag en ook wel eens tussendoor: van tijd tot tijd ga ik het graf groeten van de vrouw met wie ik lang was getrouwd, maar niet lang genoeg om haar weduwnaar te worden, want we waren al jaren uit elkaar toen zij plotseling overleed. Haar heengaan kerfde een litteken in mijn leven – en niet alleen het mijne –, zoals het leven wel vaker een moet uitdeelt. Met de herinneringen als pleisters.

Het is nog een hele tippel naar haar plekje aan een rand van het kerkhof, zodat ik de rollator te hulp roep. Terwijl ik traag naar het graf schuifel, bedenk ik dat ik zo een metafoor voor het leven loop uit te beelden. Per slot van rekening schuifelen we allemaal op den duur naar het graf, zij het in verschillende tempi. Om met J.C. Bloem te spreken: ‘En het voorbestemde doel van ’t paren / Is niet minder dan de wieg het graf.’ (Uit Insomnia.)

Aan Bloems graf had ik ook al eens gestaan. Dat was beroepshalve en in het kader van een portret naar aanleiding van zijn 25ste sterfdag. De dichter bleek een begraafplaatsje in het Overijsselse Paasloo te hebben uitgezocht, een aardige plek om de eeuwigheid door te brengen, met oude bomen die elkaar ruisend van vroeger verhaalden en een nog ouder, beeldschoon boerderijkerkje en om Bloem heen namen die even Hollands klonken als de zijne: Pit, Los, Lok, Pen, Poepjes.


“Dat schreef ik in 1991,” zeg ik tegen H, “toen leefde jij nog volop en waren we nog volop getrouwd.” Ze zwijgt, natuurlijk, maar het is toch net alsof ik haar stem hoor tussen de dorre bladeren op de grond en alsof ze zachtjes zegt: “Little did we know.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen