zaterdag 14 november 2015

Koe in Amerika

Vannacht heb ik een buitengewoon gênante droom gehad.

Dat is geheel bezijden de waarheid. Bij mijn weten heb ik geeneens gedroomd, laat staan gênant. Ik verzin het omdat ik zoek naar een pakkende eerste zin. Dit wordt een stukje over beginzinnen, dus moet ik ook een beetje passend van start gaan. Excuus voor het bedrog.

Aanleiding is een artikel in de Volkskrant over de Amerikaanse schrijver David Vann. De eerste zin van diens boek Aquarium luidt: ‘De vis was zo lelijk dat hij niet eens op een vis leek.’ Ja, zo heb je de aandacht van de lezer meteen te pakken. Naast het stuk over de Amerikaan staat een column van Remco Campert en die begint met: ‘Berg u lezer, ik ben in een abominabel humeur.’ Oók heel goed: we willen meteen weten hoe dat zit en of het nog goed komt met Campert.

Even verderop wordt een reisboek van Tommy Wierenga besproken. Die weet eveneens van wanten qua beginzinnen. Neem nu deze: ‘Ik heb Kurt Ramig ontmoet in Gorgora, een plaatsje aan het Tanameer in Ethiopië.’ Maakt nieuwsgierig, want wie is die Ramig eigenlijk en hoe ziet het eruit daar aan het Tanameer? Of de opening van een dichtbundel van de Antwerpenaar Gust Gils: ‘De dichotomie / van goed en kwaad // wijst op de dyslexie / waar God aan lijdt // als hij bestaat.’ Tikje mistig, maar wèl een binnenkomer.

Het herinnert me aan de klassieker waarmee Nescio De uitvreter begint: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Of, nog beroemder, die van Titaantjes: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’

Zelf heb ik ooit een kleine prijs voor reisverhalen gewonnen dankzij een eerste alinea. De jury wist niet te kiezen tussen twee genomineerden en besloot toen maar de scribent met de aardigste opening te lauweren. De keus viel op de eerste regels van mijn verhaal over Bretagne. Ik citeerde daarin een oom die bekend stond om zijn loomheid: ‘Het landschap doet me denken aan die oom die in zijn volgend leven koe in Amerika hoopte te worden. Hij kon daar heel dromerig over praten. “Zomaar wat grazen in weilanden waar geen eind aan komt, en je alles twee keer laten smaken – het lijkt me wel wat.” Hier, aan de oevers van de Loire, was oom nooit geweest. Het had hem ook wel aangestaan.’


Dat ome Toon het nog eens tot de literatuur zou brengen: de familie heeft het er nog lang over gehad.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen