zondag 19 februari 2017

Een raadsel, die dood (3)

Vorige week rond deze tijd kwam het beslissende telefoontje: mijn schoonmoeder was net overleden. En nu ligt ze, na jaren weer herenigd met haar man, six feet under op het kerkhof van Mill en St. Hubert.
Er was een mooie eredienst in een gemoedelijke dorpskerk, geleid door een dito pastoor. Er was een nazit in de schuur van een plaatselijk kasteeltje, waar met de broodjes de herinneringen rondgingen, aangevuld met de wetenswaardigheden van familieleden en kennissen die elkaar niet elke dag treffen. Weer thuis hieven we ’s avonds nog maar eens het glas op Greetje en praatten nog lang na over de laatste dag en de laatste weken en de laatste jaren en het lange leven dat eraan vooraf was gegaan.
En nu is er alweer een etmaal verstreken en reizen haar nabestaanden verder door het leven, terwijl schoonmama aan haar reis door de eeuwigheid is begonnen. Ik schrijf dit op alsof ik goed weet waarover ik het heb, maar dat weet ik niet goed, want die eeuwigheid is me een maatje te groot, ze gaat zowel het begrip als de verbeelding te boven. Die eeuwen der eeuwen laat ik maar aan de gelovigen en de filosofen – ik heb aan alledag mijn handen al vol.
In de kerk schoof onze kleindochter bij ons aan in de bank. Het was haar eerste uitvaart. Ze vond het ‘zielig, maar ook weer niet héél zielig’, en zo was het. Het volgende kleinkind, al bijna klaar, was in de buik van mijn dochter meegekomen. Zo volgden de generaties elkaar op. De dochter die afscheid nam van haar moeder zat met haar arm om haar kleinkind dat dag kwam zeggen tegen OmaOma.

Het leven is een voortdurend komen en gaan. Dat noteer ik ook alweer met losse pols – terwijl het komen al net zo onbevattelijk is als het gaan. Ongrijpbaar. Mysterieus. Maar al dat heen en weer en eb en vloed en leven en dood is toch vooral ook fascinerend. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen