maandag 21 maart 2016

Bijna alles is betrekkelijk

‘Alles is betrekkelijk.’ Je hoort het nogal eens. Het is een alledaagse wijsheid die mensen uit hun levenservaring putten en niet van Einstein hoeven te leren, een soort relativiteitstheorie voor de massa en een idee dat zich niet gemakkelijk laat tegenspreken. Zelf knik ik er ook meestal instemmend bij, als ik het al niet zèlf te berde breng. Maar nu ik er nog eens over nadenk, bekruipt me toch een aarzeling.

In de stelling ligt namelijk een paradox besloten. Want als alles relatief is, geldt dat dus ook voor de stelling zelf, die zo bezien zichzelf relativeert, ofwel onderuitschoffelt. Ook wanneer men het axioma zou uitbreiden tot ‘alles is betrekkelijk, behalve deze uitspraak’, zou het niet kloppen, want ‘alles’ staat nu eenmaal geen uitzonderingen toe.

Het probleem zit in het begrip ‘alles’. Die vijf lettertjes omspannen het hele universum, de volle geschiedenis, de totale toekomst plus het duizelingwekkende vele dat we weten én nog niet weten, inclusief het onvoorstelbare en onmogelijke. Dat maakt ‘alles’ tot een absoluut begrip. En iets absoluuts kan per definitie niet relatief zijn.

‘Alles is betrekkelijk’ is dus niet te handhaven. Als ik nog eens de opwelling voel, neem ik me voor de frase te preciseren tot: ‘Bijna alles is betrekkelijk. Voor zover we weten. En waarschijnlijk ook deze stelling.”

En voor vandaag zou ik hieraan willen toevoegen: ‘Maar wat in elk geval niet betrekkelijk is, is mijn laaiende ergernis over een buurman die nu al voor de zesde dag op rij, het weekend dus incluis, als een maniakale klopgeest eindeloos veel schroten tegen zijn muren staat te spijkeren – elke hamerslag een aanslag op mijn humeur.’

En toch redt dat humeur het tot dusver, ondanks de ergernis. Zo zie je maar.

1 opmerking: