zondag 16 maart 2014

Boekenmoe, net als Remco Campert


Nu een geletterd man als Remco Campert er rond voor uitkomt, kan ik het ook wel bekennen: ik kan geen boek meer lezen. ‘Boekenmoe’ noemt Campert het. Een slepende ziekte. De stapel ongelezen proza naast zijn bed getuigde ervan. Niettemin bleef de stapel groeien, want ook al zou het meeste wel nooit meer gelezen worden, hij bleef wel boeken kopen. “Ik hoop nog altijd op genezing.”

Ik las zijn Volkskrant-column dit weekeinde alsof ik naar de zucht van een lotgenoot luisterde. Boekenmoe – het was precies het juiste woord. Hoe vermaard een schrijver ook is, hoe juichend de recensies van zijn nieuwste roman, hoe aantrekkelijk titel en vormgeving, het idee dat zich achter het omslag 227 pagina’s of erger uitstrekken, put je bij voorbaat al uit. Je voelt je een wielrenner aan de voet van de Mont Ventoux, de benen vol lood en de longen al leeg voordat de pedalen maar één keer rond zijn geweest.

In het waarom van de boekenmoeheid zullen we verschillen. Bij Campert (1929) zal de leeftijd zijn tol eisen, bij mij ondervindt de fictie te veel concurrentie van de werkelijkheid. Als de gezondheid een wankelend bestaan gaat leiden, dringen de witjassen met hun scalpels en stethoscopen zich vóór de muzen en de minstrelen. Het lijf vraagt om pleisters en pillen; het hoofd is vol vragen, twijfels, vrees en hoop; er is te veel onrust om zin te hebben in vertellingen over andere levens. Het Boekenweekgeschenk wil gelezen worden, maar Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen óók, net als Julian Barnes en Erwin Mortier en de biografie van J.C. Bloem. Maar nog vóór al die bladzijden vragen de jongste hoofdstukken van mijn eigen verhaal om lezing en herlezing. Ze bieden volop lol en leed, zon en duisternis, eindigheid, verandering, deceptie, opluchting, sensatie, pijn, last, liefde, kracht en zwakte: de vaste ingrediënten van elke roman.

Boven op mijn boekenstapeltje ligt nota bene Remco Campert met zijn Hôtel du Nord. Hij zal het me wel vergeven dat ik aan zijn jongste boek nog niet ben toegekomen, ook al telt het slechts 135 pagina’s.

Ik sla het open en lees een willekeurige passage: Ze ‘hokte’ in Antwerpen ‘samen’, zoals haar in de steek gelaten man het grimmig noemde, met een kunstschilder die ze een keer op een ontvangst in het stadhuis had ontmoet en die ze nooit vergeten had.


Het maakt nieuwsgierig. Toch eens aan beginnen. Morgen. Misschien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen