woensdag 10 september 2014

Was ik maar een has-been

In de krant wordt iemand smalend een has-been genoemd. Prompt schiet ik vol sympathie voor de betrokkene. Kennelijk heeft hij ooit een zekere roem verworven, maar is de goegemeente hem alweer vergeten. Nou en? Misschien zegt dat wel meer over de oppervlakkigheid van de goegemeente dan over de vergeten prestatie van de ‘has been’.

Sinds de media hebben ontdekt dat de consument zich graag spiegelt aan bekende Nederlanders, is die laatste categorie niet meer aan te slepen. Aldoor worden er nieuwe talentenjachten bedacht om de aanvoer van aspirant-sterren te garanderen. Ook draaien steeds meer praatprogramma’s om BN ‘ers en gasten die dat hopen te worden. Het heeft een inflatie van het ‘stardom’ gebaard, waar vooral praatjesmakers en ijdeltuiten garen bij spinnen. En daar komen ze mee weg, want de kijk- en verkoopcijfers – steeds bepalender in medialand – lijden niet onder de egalisering van de roem.


Als de nieuwe sterren tegenwoordig van de lopende band komen, is het onvermijdelijk dat ze vaak van de B-klasse of minder zijn, en snel weer vergeten raken. Kwalijker is het als dat ook met grotere talenten gebeurt, en bijvoorbeeld een bekroond auteur of musicus na een paar lauwerloze jaren al bij het stofnest van de geschiedenis wordt geveegd. Succes is toch niet pas waarachtig wanneer het voortdurend wordt herhaald? Een verdienste verdampt toch niet zodra en het applaus stilvalt?

Een has-been… Ik wou dat ik er eentje was. Dat ik die ene prestigieuze prijs ooit had gewonnen en een of andere Koninklijke Hoogheid me de bijbehorende gouden ganzenveer had uitgereikt en dat de jury toen heerlijke woorden aan mijn werk had gewijd, waarna het mooiste meisje van de zaal me een nog heerlijker lachje had toegezonden. Wat zóu het, dat het 1989 of daaromtrent was, dus al een hele poos geleden? Het gros moest het met minder stellen en zou nooit een has-been worden.


Geen kwaad woord trouwens over al die zwoegers uit het peloton der naamlozen. De nummer één dankt zijn succes immers per definitie aan de achterblijvers. Maar niet te veel nuances: vandaag graag applaus voor de eenmalige kampioen, de vedette van voorgisteren: de niemand die op ‘n dag iemand is geweest.

vrijdag 5 september 2014

Dag van de Kleine Helden

Deze dag, 5 september, proclameer ik tot de Dag van de Kleine Helden. De dappere doeners die telkens weer hun best doen iets van hun dag, hun baan, hun liefde of hun leven te maken.De succesjes die zij boeken halen nooit de krant, of een oorkonde of zelfs maar een lovend woord van een hotemetoot, maar de kleine helden zijn er wát blij mee. Dat was hen toch maar mooi gelukt, zeggen ze zachtjes tegen elkaar, en ze porren elkaar in de zij en heffen er een glas op, en misschien nóg een, omdat men op één been immers niet kan staan.

Helemaal toevallig is het natuurlijk niet, dat het vandaag Dag van de Kleine Helden is. Om 09.27 uur werd ik zelf namelijk ineens een kleine held. Na tweeëneenhalve week revalideren liep ik voor het eerst een trap op en af. Een heuse trap, met zestien treden en een fikse draai. Op. En. Af. Had me dat bij aankomst in revalidatiecentrum Blixembosch voorspeld en ik had het niet geloofd. Maar het lukte, en niet eens met vallen en opstaan, maar royaal.

Eenmaal bovenaan de trap, had ik de neiging koninklijk te wuiven naar een toegestroomde menigte applaudisserende belangstellenden – zó opgetogen en trots voelde ik me met deze tussentijdse zege in de strijd tegen spierverval. Het was net zo’n triomfantelijk gevoel als die eerste keer na een lange periode van bedlegerigheid dat ik even op eigen benen stond. Een sensatie van herwonnen autonomie, van een terugkeer in het volle leven.

Net als het staan heeft ook een eenvoudige activiteit als traplopen een dimensie gekregen die ik niet kende omdat die zo vanzelfsprekend was. Die trap legt ineens de wereld open, want ik kan nu naar boven en naar beneden om bijna verloren territoria te heroveren: de slaapkamer, de douche, de werkkamer, de tot loft geëxpandeerde zolder. En met die territoria komt uiteindelijk mijn oude leven weer in zicht.

Zoals de ene kleine held met zestien traptreden een wereldveroveraar wordt, zo verstuurt een ander op een dag de belangrijkste brief uit zijn leven, stelt een beslissende vraag aan een beminde, schrijft het eerste gedicht van een veelgeprezen maar slecht gelezen bundel, of besluit een domme vete eindelijk maar eens te vergeten. We halen er de krant niet mee, wij kleine helden, maar we doen in elk geval ons best.



dinsdag 2 september 2014

Scènes uit Blixembosch


Mijn eerste week in revalidatiecentrum Blixembosch ligt alweer achter me. Ik begin te wennen aan de ritmes, de regels, de eigen geluiden en de vaste gezichten. Aan de norse Russin met haarjoggingpakken in vijf pasteltinten, die bij elke maaltijd de verste hoek van de gezamenlijke eetkamer uitkiest om daar traag en lusteloos haar vitaminen weg te werken. Aan de voormalige kroegbaas die niet tegen stilte kan en altijd en overal muziek wil horen of gesprekken aanknoopt. Aan de routinier die alle geheimen van de instelling kent en ze gevraagd en ongevraagd met iedereen deelt. Aan de noviet die nog niet met zijn rolstoel uit de voeten kan en voortdurend tegen muren, tafels en benen aanrijdt en dan verontschuldigend ‘zes’ of ‘tien, ‘nee: achttien’ zegt, want hij heeft hersenletsel en kan bijna niet meer praten.

Ik scharrel wat rond tussen wacht- en oefenruimtes, sjor aan spieren, hap naar lucht, doe nog een rondje, strek acht keer, buig acht keer, sta op en val neer, doodop en verbaasd hoe weinig er van spieren overblijft na een paar weken ziekte en bedrust.

De lange gangen naar de diverse behandelaars hangen vol producten van teken- en schildercursussen. Daaronder prijken opvallend veel sporttaferelen, alsof de deelnemers steeds weer hun dromen uitbeeldden. Even verderop een prikbord met een oproep om mee te doen aan ‘ampuvoetbal’; het betrokken clubje heet ‘kort maar krachtig’.

Zo zwerf ik wat rond, tot ik terugkeer op mijn afdeling en vanuit de kamer naast de mijne een vrouw hoor huilen. Nee, het is geen huilen, het is een klaagzang, een jammeren dat van diep komt en van geen troost wil weten en zo pijnlijk klinkt dat het bijna niet om aan te horen is. “Wil je dan niet meer beter worden?” hoor ik een mannenstem retorisch vragen. Een nieuwe uithaal is het antwoord


 Zó dus kan het lot klinken, rauw en gewond en gespeend van elke gêne. In de aangrenzende kamers is het stil, daar liggen woordenloze verhalen over hoe het leven zijn loop ging en zich niets gelegen liet liggen aan plannen en verwachtingen. Die ene snijdende tristeza uit de naburige kamer balt al die grote en kleine teleurstellingen even samen. Één moment maar, dan klinkt er getrippel van kindervoetjes, gevolgd door hoge lachjes. Bezoekuur. Het tijdstip waarop verleden en toekomst proberen samen te smelten. Hoop en wanhoop: het zijn allebei scènes uit Blixembosch.