maandag 20 juli 2015

In memoriam Jan Stassen



foto Piet den Blanken
 
Vandaag stond zijn overlijdensadvertentie in de krant, dus ik moet het wel geloven: Jan Stassen is inderdaad dood. Ik had het al eerder vernomen, maar toen vond ik het te onwerkelijk. Ik wilde het ook niet geloven. Dood zijn was niets voor Jan, daarvoor leefde hij te intens. Maar, ach, ook intense levens houden een keer op.

Ik leerde hem kennen bij de fusie van HP en De Tijd, een kwart eeuw geleden. Hij kwam uit het kamp van de Haagse Post, ik uit dat van De Tijd, en samen zorgden we voor de eerste vriendschap die de fusie opleverde. Al gauw praatten we menige avond vol, eerst in de kroeg, daarna aan Jans grote witte borreltafel in de Amsterdamse Quellijnstraat, vaak met nog andere vrienden, verwoed bomend over het vak, het leven en de kunsten, achter glazen die steeds weer leeg en vol raakten, en omgeven door de kruidige nevels van joints en alcohol. Gaandeweg bleef ik er regelmatig logeren, zodat de avonden nachten werden, de gesprekken bevlogener en de onderwerpen steeds weidser. Dan joeg Jan de brand in een verse joint en legde omstandig uit waar het heen moest met de schilderkunst, de literatuur, de politiek en de popmuziek. Waarbij hij steevast uitkwam bij de nieuwste va Bob Dylan. Hij kon zo vervoerd oreren over ‘his Bobness’ dat hij zich niet liet ophouden door iets banaals als een sanitaire stop, maar zijn hoorcollege vanaf de pot met de wc-deur open luidkeels voortzette. 

Hij werkte hard nauwgezet, niet alleen op de eindredactie, waar hij een reputatie van foutloosheid vestigde, maar ook in zijn huis in De Pijp, dat hij met grote precisie van A tot Z verbouwde. Viel je om middernacht bij hem binnen, dan was hij vaak nog aan het stuken of het timmeren. Het eten was er dan doorgaans weer eens bij ingeschoten – Jan had wel wat belangrijkers te doen.

Toen net na de millenniumwissel Jans vijftigste verjaardag in zicht kwam, vroegen sommige vrienden zich af of hij die wel zou halen, met zijn riskante levensstijl. Zulke zorgen waren aan hem niet erg besteed. In het leven ging het hem niet om de lengte, maar om de diepte.  En om keuzes maken. Keuzes voor vrijheid en kwaliteit. Radicale keuzes.

Zoals die voor Rudolf Hagenaar. Toen hij de relatief onbekende Zeeuwse schilder Rudolf Hagenaar op het spoor kwam, zette hij rigoureus al zijn kaarten op deze sombere kunstenaar, volgens Jan een miskend genie. Hij kocht zich arm aan diens doeken, verdiepte zich grondig in zijn werk, schreef een diepgravend essay over hem en wist met grote inspanning en overtuigingskracht een dik standaardwerk samen te stellen en uit te geven. Hagenaar noch Jan werd er beroemd door, maar Jan had het ‘m toch maar mooi geflikt.

Uren en uren heb ik Jan over ‘zijn’ Hagenaar horen praten. Ik werd het onderwerp weleens moe, maar niet Jans aanstekelijke gedrevenheid. Sterker nog: ik had hem wát graag nog eens uren en uren beluisterd. Maar daar kwam onverhoeds iets fataals en verdrietigs tussen. Rest de rouw. En goddank de herinnering.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen