maandag 3 november 2014

Frank Gehry en Louis Vuitton: lef verdient lof


In Frankrijk zorgt een nieuw museum voor een flinke discussie. Het gaat om de Fondation Louis Vuitton, een particulier museum voor de collectie moderne kunst van de naamgever, een kapitaal modehuis. De topman van dat concern, Bernard Arnault, zou goed zijn voor 21 miljard euro. Een vermogen waaruit je een heel aardig museum kunt financieren.

Dat museum is net geopend en het is meteen spraakmakend. Dat was ook de bedoeling toen Arnault sterarchitect Paul Gehry inhuurde. Gehry had furore gemaakt met het Guggenheimmuseum dat hij in Bilbao neerzette en waarmee hij die stad ineens een enorme trekpleister bezorgde. Zo’n gebouw wilde de Vuittonbaas óók wel. En hij kreeg inderdaad een spektakelstuk. Het 143 miljoen dollar kostende gebouw rijst als een schip met wapperende zeilen van glas op uit het Bois de Boulogne. Een ijsberg, wordt het ook wel genoemd. Of een voorwereldlijk beest.

De reacties waren verdeeld, begrijp ik uit de Volkskrant. Vanity Fair toonde zich enthousiast en noemde Gehry’s creatie ‘gespierd en delicaat, nuttig en fantastisch, het huwelijk ven culturele ambitie en private ondernemingsgeest. Het resultaat is een triomf.’ Maar The Guardian schamperde dat de functionaliteit het verliest van de vormgeving en dat het project overdaad en geldsmijterij uitstraalt. En een Frans architectuurblad sabelde het museum neer als irrationeel, symbolisch voor een tijdperk van excessen en ‘een ode aan de zelfgenoegzaamheid van een merk’.

Het gesmaal over de rijkdom van Arnault c.q. Louis Vuitton is wat vreemd. Zulke gefortuneerde bouwheren staan in een traditie van edelen en kerkvorsten die zowel over kapitaal als over smaak beschikten en hun geld uitgaven aan paleizen en kathedralen die eeuwen na oplevering nog steeds drommen verrukte bezoekers trekken.

Of de kritiek op de architectuur hout snijdt, weet ik niet, want ik heb de Fondation nog niet bezocht. Maar op voorhand valt vast te stellen dat Parijs, of Frankrijk, of n’importe welk land, méér heeft aan een excentriek gebouw dan aan inwisselbare betonnen dozen zoals die nog elke dag overal ter wereld in een vloek en een zucht worden neergekwakt door geestloze architecten en geeuwende stadsplanners. Waarom maken culturele beschouwers zich zo kwaad over buitenissige bouwprojecten die tenminste van durf en verbeelding getuigen, en zwijgen zij als precaire stedelijke plekken worden verknald door het zoveelste vertoon van middelmatigheid of banaliteit? Lef verdient allereerst lof. En dat geldt niet alleen in de architectuur.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen