zaterdag 14 juni 2014

De man voor het raam (2)



Zo lag ik opnieuw in het ziekenhuis, en weer op een kamer met uitzicht op de hoofdingang. Vijf maanden geleden was ik gestationeerd op de kamer hiernaast, waar ik zo vaak uit het raam zat te staren dat ik er een stukje aan overhield: De man voor het raam. En nu dwaalden mijn ogen andermaal rond tussen al die naamlozen die hier arriveerden of vertrokken.

Was er vorige keer sprake van een uitgestulpt bloedvat dat een stent behoefde, dit maal bleek die stent verstopt te zijn geraakt en ging de chirurg een omleiding aanbrengen. De operatie verliep voorspoedig. Na 24 uur verplichte bedrust stond ik weer voor het raam. De eerste persoon die me opviel, dat kon ook moeilijk anders, was een ongelooflijk dikke vrouw die wijdbeens op een bankje een sigaret zat te roken. Van de correcte gemeente mag je niet vergapen aan zulke medemensen, die immers een probleem hebben, maar ik kon het lonken niet laten en moest het allemaal zien: die heuvelrij aan onderkinnen, de uiergrote borsten die werkelijk op haar knieën rustten, het kolossale middel van een omvang die bijna heel het bankje vulde en me deed huiveren.

Mijn aandacht werd afgeleid toen er een bezoeker mijn kamer binnenkwam. Het bleek mijn uroloog, met wie ik wegens een riskant ongerief al heel wat uren heb versleten. Hij liep af op een medepatiënt. Ik knikte gedag toen hij me aankeek, maar hij reageerde niet, ook niet toen hij de kamer weer verliet – totaal verzonken natuurlijk in de diepere beginselen van de geneeskunde van de onderbuik. Het kon ook zijn dat hij in een flits oordeelde dat ik niet op zijn lijstje stond en vandaag dus niet bestond. Maar een vakman, dat moet gezegd.

Pal naast de entree stopte een politieauto – de wouten kwamen vast een zieke boef ondervragen. Natuurlijk, waarom zouden hier niet ook boeven liggen? Naast advocaten, rectrices, metselaars, leden van de Raad van Bestuur, popartiesten, hoogleraren, koffiejuffrouwen, middenstanders en prostituees. Er lagen hier te dikke en te dunne mensen, lui met lastige longen, haperende harten en beroerde darmen, eenbenigen, mensen die de weg kwijt waren, kakelverse moeders en stervenden. De één had iets ongevaarlijks maar praatte alsof ze al bijna dood was, een tweede lachte zijn kanker weg en die stille in de hoek verbeet zijn leed in stilte. Zo’n ziekenhuis was een medische en sociologische encyclopedie.

Toen kwam er op het voorplein met elegante tred een vrouw aangewandeld. Die ging haar partner ophalen, wist de man voor het raam. Hij kreeg gelijk.

donderdag 5 juni 2014

Zin in wat sisyphusarbeid?


Hij is met afstand de grootste sukkel uit de overlevering. Maar ook als loser in het kwadraat kun je een grote naam opbouwen. Ik heb het over Sisyphus, al duizenden jaren jaar beroemd als een ongelukkige die voor eeuwig is opgezadeld met een even zware als zinloze klus.

Voor wie het even kwijt is: in de Griekse mythologie werd deze antiheld door de goden gestraft voor zijn hoogmoed. Hij had geprobeerd de dood te slim af te zijn en kreeg vervolgens levenslang. Hij moest een rotsblok een berg opsjouwen, dat eenmaal boven weer vrolijk naar beneden rolde, waarna onze sukkel opnieuw moest beginnen aan zijn sisyphusarbeid.

Niet echt een type om je mee te identificeren, zou je zeggen. Nillens willens voel ik me toch met hem verwant nu ik mijn rotsblok van mijn berg zie afrollen.

Eind januari kreeg ik een stent in verband met een aneurysma. Een gevolg van de operatie was dat mijn conditie erg inzakte. Nu ik die met vlijtige sessies bij de fysiotherapeut weer redelijk heb opgevijzeld, zorgt de stent ineens voor problemen. Een verstopping belemmert de doorbloeding in een been. Dat maakt een nieuwe operatie nodig. Die staat volgende week op het programma, ongetwijfeld weer gevolgd door een conditionele inzinking, waarna ik opnieuw kan gaan sjorren aan mijn rotsblok. Beste goden, u bent bedankt.

Maar ja, goedbeschouwd noopt het leven tot zovéél sisyphusarbeid. Voor de een is elke werkdag een geval van zinloze arbeid. Een ander doet vruchteloze pogingen zijn huwelijk te redden. Sommige cabaretiers slagen er hun leven lang niet in leuk te worden. Heel veel politici proberen vergeefs vertrouwen te winnen. Schrijvers beginnen aan een oeuvre dat nooit af zal zijn. Elke dag proberen patiënten tegen beter weten in van hun kanker te winnen. En hoeveel we ook van ons leven pogen te maken, het eindigt zoals het begon, in het grote duister van de eeuwigheid. ‘Alles is vermoeiend,’ schreef Prediker al, ‘zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn.’

Ach, ik ga straks die loopband wel weer op en trek weer braaf aan de gewichten en haal vooral mijn schouders op. Het gaat er niet zozeer om of het leven zin heeft, het gaat erom of we er zin in hebben.


Foto: Flickr (vintagedept)

maandag 2 juni 2014

De patiënt als docent


Een man van een jaar of zestig vertelde laatst over zijn buikoperatie. Hij had die goed doorstaan en mocht al snel weer naar huis. Toen hij voor zijn woning uit de auto stapte, liep zijn blaas spontaan leeg. Merkwaardig, dacht de man, dat was hem nog nooit overkomen.

Het overkwam hem diezelfde dag nóg drie keer. Met een geïmproviseerde inlegger kwam hij zonder ongelukjes de nacht door. Toen hij ’s ochtends belde met de afdeling waar hij verpleegd was, kreeg hij te horen dat hij ten gevolge van de operatie duurzaam incontinent was geworden. “Hadden ze u dat niet verteld?” Nee, dat hadden ze hem niet verteld.

Zijn gehoor schudde ongelovig het hoofd, maar de man was nog niet klaar. Hij werd naar bekkenbodemtherapie gestuurd om zijn incontinentie te leren beteugelen. Dat baatte totaal niet; hij bleef zo nat dat hij amper nog het huis uit durfde. Na maanden won hij een second opinion in bij een uroloog die hem uitlegde dat bekkentraining gezien de operatieschade geen zin had. Hij bood hem een hersteloperatie aan. Na die ingreep was het leed grotendeels geleden.

De man kwam met zijn relaas tijdens een gesprek tussen patiënten, artsen en verpleegkundigen. De deelnemers kenden elkaar niet, zodat niemand zich aangevallen hoefde te voelen. Het werkte, want de luisterende zorgverleners lieten merken dat ze goed begrepen hoe veronachtzaamd een patiënt zich kon voelen en hoe belangrijk empathie en zorgvuldigheid zijn.

Het was een zogeheten Els Borstgesprek, een initiatief van de naamgeefster, ontwikkeld door de kankerpatiëntenbeweging in samenwerking met een academisch ziekenhuis. Onder het motto ‘de patiënt als docent’ leren zorgverleners naar zichzelf kijken door de ogen van hun afnemers. Deze gesprekken bestrijken alleen de zorg voor kanker, maar het model zou ook breder kunnen worden toegepast, in allerlei kringen van mensen die langdurig en veelvuldig op zorg zijn aangewezen.


Nu heb ik een gemakkelijk te prikkelen fantasie, dus ik zie meteen ook buiten de zorg al mogelijkheden. Kiezers die politici uitleggen hoe verbroken beloftes overkomen. Huurders en architecten in gesprek over wonen. Kantoorwerkers over hun ervaringen met chefs. Mobiele telefoons uit, want we zijn in gesprek!

Deze column is ook gepubliceerd in Markant, tijdschrift voor de gehandicaptensector
Foto: Flickr (Michael Porter)