maandag 2 april 2018

Mijn allerliefste mooie en creatieve man, trotse vader en opa is er niet meer




“Herinnering, hoop, ervaring, ambitie. Het hoort allemaal bij elkaar: 
hier en nu en ginds en straks en ergens en toen”
                                                                              Matt Dings

Matt Dings 
Mathieu Jacques Henri

25 januari 1952 - 8 maart 2018

geliefde van 
Ingrid de Vet


Ingrid
Menno en Karen
Madee, Mimi
Femke en Tomas
Seija 

maandag 26 februari 2018

Bij de Troosteres der Bedrukten

Als ik niet uitkijk, word ik nog eens gelovig. Ik ben althans aardig op de reli-toer. Eerst een dompeling in de mystiek van een Benedictijns klooster, dan een sensueel samenzijn met een Franse godin, en nu weer naar een kapelletje bij een Heilige Eik.
Trakteerde mijn zoon me op een treffen met de fameuze Déesse, ofwel Citroen DS, ook wel bekend als Snoek of Strijkijzer en in Frankrijk dus als Godin, mijn dochter ging nog een stap verder en had een ontmoeting geregeld met Onze Lieve Vrouw zelf. Om precies te zijn: O.L. vrouw Troosteres der Bedrukten of O.L. Vrouw van de Heilige Eik. Haar beeldje stond in een kleine bedevaartskapel in de bossen bij Oirschot, een plek die regionaal wel faam genoot maar waar ik nog nooit geweest was.
Volgens de legende vonden herders het beeldje in 1406 op de oever van riviertje de Beerze. Ze plaatsten het in een holle eik. Dorpelingen zouden het beeldje hebben weggehaald, maar de volgende dag was het op onverklaarbare wijze weer terug. Vanaf dat moment ontstond er een Mariaverering met een jaarlijkse processie, aangewakkerd door een incidentele wonderbaarlijke genezing. Vandaag de dag getuigen tientallen brandende kaarsen en waxinelichtjes hoe mensen nog steeds hopen dat Maria hun lot ten gunste zal keren.
Mijn verstand moet er allemaal niets van hebben, en toch heb ik een zwakke plek voor zulke oorden. Ik vind al die flakkerende hoop inspirerender dan de nuchterheid van de ratio. In de loop van de eeuwen hebben hier duizenden en duizenden mensen halt gehouden en een kaars geofferd en de ogen gesloten en hun zorgen toevertrouwd aan wat zij het goddelijke noemden: het mysterie van al wat er voor ons en na ons en misschien ook wel boven ons is. Dat is van een breekbaarheid en een intimiteit die me ontroeren. Ook nu weer, toen ik daar met dochter Femke kaarsen opstak en wij hand in hand verstilden omdat we geen woorden nodig hadden voor onze hoop dat die kanker van me geen haast zou hebben.

Of de Troosteres der Bedrukten zich er iets van aantrekt, moeten we afwachten. Maar het was een mooie middag, daar bij de Heilige Eik, en dat was het.

zaterdag 17 februari 2018

En route met de Godin

Amerikaanse filmmakers zijn dol op clichés. In een film over een kankerpatiënt duikt bijvoorbeeld geheid een bucketlist op, een agenda van topbelevenissen om af te vinken voordat het helaas te laat is. Ik moest eraan denken toen ik eens een vluchtje met een zweefvliegtuig wilde meemaken en een van de vliegeniers voorzichtig informeerde of ik wellicht met een bucketlist bezig was (quod non). Misschien borrelde die vraag gisteren ook wel op bij mensen die een wat stramme man met een draagbaar zuurstoftankje zag instappen in een van de mooiste oldtimers aller tijden: de Snoek.
De Snoek, zeg ik voor niet-ingewijden, is een koosnaam voor de Verleiding op Wielen die bekendstaat als Citroen DS, ook wel uitgesproken als déesse, het Franse woord voor godin. Er is ook een versie die Citroen ID heet en wat minder luxueus is, een wat aardsere godin, zogezegd. Een andere bijnaam is Strijkijzer, een eretitel die mij iets te prozaïsch is, maar die wel recht doet aan de gewelfde lijnen van de automobiel. Enfin, met deze historische Citroen was uw schrijver dus maar mooi en route door de Brabantse dreven. Niet om af te vinken op een lijstje van laatste wensen, want zo’n lijstje heb ik niet, maar wel omdat het me een bijzondere ervaring leek en omdat ik gaandeweg een grotere gevoeligheid voor het bijzondere in mezelf opmerk. Dat ‘bijzondere’ kan een film zijn, een gesprek, een etentje, een pianosonate, een moment met een kleinkind, en dus ook een rit met een auto die ik al een leven lang weergaloos vind: de Snoek.

Mijn zoon Menno heeft een vriend, Jorrit, die een vijftig jaar oude, zilvergrijze Citroen ID bezit en ons de voiture graag uitleende. Ik liet me rijden – de oude, zware besturing was me te moeilijk –, maar het rijgenoegen was er niet minder om. Die eindeloos lange neus voor mijn neus, die fameuze vering, die sensuele glooiingen om me heen, dat geluid van een halve eeuw geleden – ik gloeide er gewoonweg van. We reden door dorpen waar de vloeiende lijnen van de auto zich spiegelden in de winkeletalages, over smalle wegen die zo stil waren als in de geboortejaren van de Snoek, tot we in de Peel waren, in Helenaveen en Griendtsveen, waar de lokale uitspanning de Morgenstond heette. We parkeerden ergens langs een oude turfvaart voor een ijdel moment van Mij & Mijn Snoek (voor deze gouden uurtjes dan). En de goden van de Peel zagen dat het goed was en stuurden een extra portie winterzon. Merci Menno, merci Jorrit, merci Citroen ID.

zondag 11 februari 2018

Sjiengele boem

Al dagen klinken er flarden carnaval in mijn hoofd, een deinende deun, een verre dreun, onwijze woorden en zinnen buiten zinnen, sjiengele sjiengele sjiengele sjiengele boem!
Het begon donderdagavond met de documentaire Nao ut Zuuje, vertoond op TV, een heerlijke reportage over het Venlose carnaval, gedrapeerd rond de charmante stadsprins Lex d’n Iërste, buiten Venlo bekend als televisiemaker Lex Uiting.
Het was een uitzending die ook sceptici gevoel zal hebben gegeven voor de schoonheid van het authentieke carnaval. Ik was daar als oud-Venlonaar al mee vertrouwd, maar vond de documentaire toch meeslepend genoeg om zin te krijgen spoorslags nao ut Zuuje af te reizen en daar na langdurige abstinentie weer eens op te gaan in de trance van Vastelaovend.
Maar tussen droom en daad staan haperende longen in de weg, en onwillige spieren, en zo nog wat verspreid fysiek ongerief, zodat ik het bij zin houd en thuis blijf, met een hoofd vol herinneringen. Die ga ik nu heus niet ophalen, wees gerust. Maar ik realiseer me wel hoeveel contrasten het leven te bieden heeft. Een vingerknip geleden stond ik nog op een tafel in het Venlose café De Witte en zong met de armen in de lucht tot ik er schor van werd en zwierde met onbekenden door de dansende straten tot de nacht helemaal op was. En nu, een vingerknip later, lukt dat allemaal niet meer en resten me het geheugen en de verbeelding. Ik herinner me uren en momenten vol muziek, gelach, schmink, kleuren, schuimend bier, klamme kroegen, koude straten en hete kussen. Het zijn herinneringen en beelden zonder weemoed: ik hoef er niet naar terug, het was goed zoals het was. Maar het contrast tussen de vitaliteit van toen en de invaliditeit van nu is wel schril genoeg om er even van te huiveren.
Dat is het leven, jongen, spreekt de grijsaard in me, het gaat op en ook weer neer, het komt en het gaat, het geeft en het neemt, net zoals dag en nacht elkaar aflossen, licht en donker, eb en vloed, yin en yang. Maar komaan, ik snap het, dat zijn bespiegelingen waar vandaag niemand oren naar heeft. Het is carnaval, wie maalt er dezer dagen over het getij van het bestaan? Sjiengele sjiengele sjiengele sjiengele boem!


zondag 4 februari 2018

"Ik zal voor u bidden"

Als ik iets van het leven heb opgestoken, is het dat een nare ervaring het best valt te bestrijden met een aangename belevenis. Die plakt een pleister op de wonde, zoet het zuur, stuurt een zonnestraal door het grauw.
Soms komen die aangename belevenissen zomaar uit de lucht vallen. Ik schrijf dat ik slecht nieuws heb gehad en krijg een reactie van een lezer die ik helemaal niet ken maar die begaan met me is. Of er komt een weelderige bos bloemen van een website waar ik wel eens een stukje aan slijt. Of ik raak geroerd door de lyrische tonen van een saxofonist tijdens een concert waar ik eigenlijk geen zin in had.
Aangename ervaringen laten zich ook wel organiseren. Een bevriende architect, Paul, die me wel eens trakteert op een bezoekje aan een bijzonder gebouw, nam me dezer dagen mee naar wat hij de mooiste kerk van Nederland noemde: de kloosterkerk van de Benedictijner Abdij in het Zuid-Limburgse Mamelis bij Vaals. Een ontwerp van architect en monnik Dom van der Laan, niet heel bekend, maar een náám in zijn vakgebied. Grondvester van de Bossche School, een architectonische stroming met geprononceerde opvattingen over (sobere) stijl en (harmonische) ruimtelijke verhoudingen. We waren er een uurtje, Paul voor de zoveelste keer, ik voor het eerst, lang genoeg om allebei bevangen te raken door de kracht en klasse van het gebouw.
De kerk was leeg toen een monnik ons er binnen liet. In de rechthoekige, symmetrische, door massieve rechthoekige kolommen omzoomde ruimte hing een ijle nevel die onnadrukkelijk naar wierook geurde. Door hoge, ritmisch geplaatste ramen viel winters daglicht naar binnen. Het bescheen de Spartaanse houten banken van het koor en het middenschip. De witgekalkte muren kenden maar een enkele decoratie; ook telde ik niet meer dan zes kaarsen. De ruimte had genoeg aan zichzelf met die basale materialen, overtuigende lijnen en puurheid. Ze bood een perfect onderdak aan concentratie en bezinning, essentie en waarheid, eeuwenoude vragen zonder antwoorden.
Tegen twee uur luidde buiten een paar keer een klok. Dertien zwartgeklede monniken kwamen de kerk binnen, namen plaats in de koorbanken en begonnen aan de Noon, een korte reeks Gregoriaans gezongen psalmen. Het was van een mystiek en een devotie die me stil maakten, zeker nu, nu het leven me zo nadrukkelijk op zijn dieptes wees, de eindeloze duisternis achter de einder.

Bij het vertrek gebaarde een monnik naar mijn zuurstofslangetje en fluisterde: “Gaat het niet zo goed met u?” Toen ik knikte, legde hij een hand op mijn arm en zei: “Ik zal voor u bidden.” En hoe ex-rooms ik ook ben – dat deed me goed.

maandag 29 januari 2018

Laaiende momenten

Ik heb er vaker over gepeinsd. Hoe zou het zijn, het moment dat een specialist me ernstig aankijkt, zijn keel schraapt en dan komt met een verhaal dat begint met ‘helaas’? Ik weet het nu: het is allereerst ongelooflijk. Schokkend, duizelingwekkend, maar vooral ongelooflijk.
Ongelooflijk, we bleven het tegen elkaar zeggen. Toen we thuis waren en er dierbare vrienden langskwamen, zeiden we het gevieren nog eens, met een natte neus in elkaars haren: ongelooflijk.
Nu, twee weken na dat ene, beslissende consult met de oncoloog, begint het ongeloof te verkleuren tot een schoorvoetende aanname dat het wel waar moet zijn: dat de kanker zich niets meer aantrekt van de medicijnen en dat de dokter helaas met lege handen staat en dat mijn tijd beperkt is geraakt. Maar het is een aanname met duizend vragen, ze wervelen door het huis, groot en klein, vragen over leven en dood en mysterie, maar ook over het hoe en wat van de dagelijksheid. Wat kan beter niet wachten, wat krijgt voorrang? Wat te doen en te laten? Hier aan denken, dat regelen, deze en gene spreken/mailen/bellen. Intussen niet vergeten te leven, dus naar dat jazzconcert en naar dat hele goede restaurant.
Ik zou er bijna gehaast van worden, maar daar heb ik een ingebouwde rem voor, namelijk mijn luchtwegen, die van geen spoed willen weten en op tilt slaan als ik dat een enkele keer vergeet. Het stormt en het wervelt, en ik probeer me niet op te laten jagen, maar in me op te zuigen wat er allemaal passeert aan liefde, verdriet, verwarring, flarden van vroeger, muziek, schoonheid, kindergelach, grotemensentranen en geluk dat het ongeluk althans te delen valt.
Dat is het rare en paradoxale van de dood: terwijl hij zijn lelijke tronie al om de hoek steekt om te inspecteren of het al een beetje opschiet daarbinnen, zorgt hij toch ook voor extra gloed en intensiteit en laaiende momenten. Ontmoetingen en ervaringen worden kostbaarder naarmate ze spaarzamer worden – een oude economische wet die kennelijk ook een existentiële dimensie heeft. Een tweede paradox is dat juist die kostbaarheid het toekomstig gemis onderstreept. Melancholie en levensgloed gaan hier hand in hand.
Kortom: ik kan nog wel even vooruit.


dinsdag 23 januari 2018

Toekomstje

“Hoe staat u tegenover de dood?” vroeg de huisarts voorzichtig. Het was zo’n vraag om eens goed over na te denken, maar ik hoorde mezelf terugkaatsen: “Daar ben ik tegen.”
Het was het vervolggesprek op het laatste consult bij de oncoloog, die me had bericht dat het enige mogelijke redmiddel tegen mijn uitzaaiingen niet aansloeg, dat hij nu niets meer te bieden had en dat me helaas moest terugverwijzen naar de huisarts.
Daar zaten we dan, mijn vrouw, de dokter en ik, precies een week na Blue Monday, die zijn naam wat je noemt eer had aangedaan. Het ging over de dood, de weg erheen en manieren om de last van dat laatste traject draaglijker te maken. Het gesprek was lang en realistisch, en toch bekroop me herhaaldelijk een gevoel van onwerkelijkheid. De dood was altijd iets voor anderen geweest, een onderwerp van heinde en verre, of hooguit de overkant van de straat, iets voor later en ooit, toch niet voor mij en ons en hier en nu. Sinds Blue Monday echter was de dood ineens concreet en dichtbij, ik wist het maar al te goed, maar ik kon het amper geloven.
Dezer dagen ben ik jarig. Naarmate de jaren vorderden, lag ik daar steeds minder wakker van, maar deze keer ligt het anders, want nu zit Magere Hein me op de hielen – ik hoor zijn geraamte kletteren. Als er felicitaties komen, zullen die wel niet zijn voorzien van het gebruikelijke ‘En nog vele jaren!’. Misschien dat iemand er ‘En nog vele maanden!’ van maakt, maar dat zal de meesten wel te wrang zijn.
Die vervloekte Duistere Maandag heeft de toekomst verkort tot toekomstje, een woord dat niet in de woordenboeken staat en toch maar al te waar is. Een ongewis toekomstje: dat is de ingekrompen rest van het leven; de rest van de toekomst ligt in de nevelen achter de horizon, het land van nooit meer en voorgoed voorbij, waar iedereen ooit heen reist en niemand van terugkeert.

“Ik hoop dat het tot aanvaarding leidt,” schreef een goede vriend naar aanleiding van mijn vorige stukje De laatste ronde. Dat hoop ik ook. Maar vooralsnog ben ik mordicus anti.

dinsdag 16 januari 2018

De laatste ronde

Vanochtend heb ik mijn nieuwe, peperdure medicijn Abiraterone weggegooid. De kanker trekt er zich niets van aan. Van geen enkel medicijn meer.
Gisteren, 15 januari, was er een beslissend consult bij de oncoloog, dat duidelijk zou maken of de laatste strohalm tegen de uitzaaiingen aansloeg. Een alles-of-niets-consult, want als de Abiraterone niet zou werken, waren we uitgepraat.
Ik stond nog met de klink van de deur in de hand, toen de oncoloog zei: “Je bloedwaarden zijn slecht.” Terwijl ik ongelovig, niet-begrijpend op een stoel schoof, vervolgde hij: “Je PSA is opnieuw verdubbeld. De medicijnen hebben dus geen enkele invloed op de prostaatkanker.”
Hij keek me aan met een veelzeggende blik, alsof ik de rest van het gesprek wel kon invullen. Dat kon ik ook, maar ik liet het hem toch bevestigen. Dat hij nu met lege handen stond. Dat ik geen baat, alleen ellende zou hebben bij chemokuren. Dat er geen alternatieven waren.
“Dus ik ben aan de laatste ronde begonnen?” vroeg ik, nog steeds ongelovig. De oncoloog knikte. Ik vloekte.
Een kwartier later stonden we buiten de spreekkamer. Zoekend naar woorden, zoekend naar elkaars handen, perplex, nog niet toe aan verdriet of vrees, alleen maar vervuld van huiver en ontzetting en de eerste van ontelbare vragen. Werktuiglijk reden we naar huis, stamelend over wat ons toch in godsnaam was overkomen, hoe dit toch had kunnen gebeuren, mijn god, afschuwelijk, het kon toch niet waar zijn? Ja, we wisten dat de kans op een foute uitslag vijftig procent was. En dus was er ook vijftig procent kans op een goede uitslag, en die goede vijftig procent waren voor ons. Niet dus. Het was honderd procent fout.
Thuis een stel moeilijke telefoontjes, allereerst met de kinderen, de ellendigste telefoongesprekken van mijn leven. Tussendoor en daarna de tranen, het hoofdschudden, de zorgen, de verbijstering.

De laatste ronde... Hoe doe je dat, zo’n traject waarbij boven elke ontmoeting en ervaring een vraagteken van ‘hoe vaak nog?’ hangt. De adviseurs in de zijlijn die het allemaal precies weten adviseren ons, kankerlijers, te genieten-van-hier-tot-ginder, maar hoe moet dat: genieten-van-hier-tot-ginder aan de rand van het Grote Ravijn? We gaan het onderzoeken, of we willen of niet.

woensdag 10 januari 2018

Kan niet beter!

Laatst weer op een Nieuwjaarsborrel: ‘En, hoe gaat het ermee?’ Niks mis mee natuurlijk, standaardvraagje, maar ik vind het antwoord zo lastig.

Niemand zit te wachten op het echte antwoord, want dat leent zich niet zo goed voor de luchtige conversatie die eigen is aan dit soort bijeenkomsten. Ik kan bij de prosecco en de bitterballen toch moeilijk beginnen over carcinomen en uitzaaiingen en verhoopte of onverhoopte uitslagen, over lastige longen en dito spieren en alle beperkingen van dien, of over aders en klieren en zenuwen die haperen – iedereen zou zich ijzend van me afkeren en een eindje verderop gaan hoofdschudden dat die Matt Dings tegenwoordig zo kon somberen.
Maar ja, het lukt me ook niet bij zo’n vraagje stralend ‘Goed hoor!’ te roepen en een blije niks-aan-de-hand-blik op te zetten. En dus behelp ik me meestal met een neutrale mompel zoals ‘Gaat wel’, of ‘Voor mijn doen redelijk.’
Maar soms heb ik zin in een dwars antwoord. Ik had een oude tante, tante Leen, die op de vraag hoe het ging steevast antwoordde: ‘Op de benen nog goed, op de kop nog niet geprobeerd.’ Vind ik wel een adequate reactie, al oogst je er misschien enkele meewarige blikken mee. Tijdens voornoemde Nieuwjaarsborrel borrelde ineens een andere reactie in me op bij de vaste vraag naar wel en wee: ‘Kan niet beter!’
Ik had bij voorbaat al lol bij de onzekerheid die zo’n kwiek antwoord zou veroorzaken. Enerzijds zouden informerende receptiegasten blij moeten zijn met het positieve antwoord waarop zij natuurlijk hoopten; anderzijds was het antwoord wel zó positief dat het weer verdacht werd.
Ik slikte het natuurlijk in, dat ‘Kan niet beter!’, want ik wilde niemand voor het hoofd stoten. Maar nu ik er nog eens over nadenk, vind ik het toch waarachtig. Mijn gezondheid kan niet beter, inderdaad, en dat is het ‘m nou juist! Kón het maar beter! Maar dat kan niet, helaas en nog eens helaas.
 Bij sommige aandoeningen is het enige perspectief er één van voortgaande verslechtering. Dat is moeilijk te verkroppen, want bijna elk mens streeft er juist naar er in het leven op vooruit te gaan. Dat streven moeten de krakkemikken onder ons zien los te laten.

Het kan niet beter, maar zo zij het: mijn huiswerk voor vandaag en morgen.

vrijdag 5 januari 2018

Arno Kantelberg en het Wereldje

YouTube
Even een tussendoortje. Ik kan het toch niet altijd maar over de moeilijke kanten van het leven hebben. Het kan ook best eens over Arno Kantelberg gaan, bijvoorbeeld.
Arno wie? vraagt u zich misschien af, maar dan hebt u niet goed opgelet. Arno Kantelberg is hoofdredacteur van het maandblad Esquire, heeft uit dien hoofde verstand van herenzaken, beschikt over een soepele pen en is daarom door de Volkskrant gevraagd wekelijks zijn licht te laten schijnen over de kleding van min of meer bekende mannen. Voordat je het weet promoveer je dan zelf tot min of meer bekende Nederlander. En dus duikt Arno af en toe op in een talkshow, steevast onberispelijk in het pak, de manchetten nét zichtbaar, want daar is Arno heel precies op.
Maar nou komt het. Vandaag heb ik zin in een verzetje en grijp naar een puzzel. Dat is toevallig de media- en cultuurpuzzel van de nieuwe VPRO-gids. Die is echt aan mij besteed, want ik ben zowel van de media als van de cultuur als van de VPRO-gemeente. En wat lees ik daar bij 41 horizontaal? ‘Hintjens of Kantelberg.’ Dat weet ik! Arno!
Arno Kantelberg leerde ik kennen toen hij nog in korte broek – dit is serieus – op de burelen van HP/De Tijd rondliep, waar hij zich vooral toelegde op wat indertijd het Wereldje heette, een circuit van mensen die altijd aan de ene of de andere kant van een microfoon te vinden zijn. Daarin bekwaamde hij zich verder bij de VARA-gids, waar ik hem uit het oog verloor, tot hij via Esquire en de Volkskrant elke zaterdag op mijn deurmat viel om me bij te praten over, nou ja, vooral manchetten.
Ik had u daar niet over ingelicht, als hij het vervolgens niet tot de Media-en cultuurpuzzel van de VPRO-gids had geschopt. Als dat mij was overkomen, had hier de vlag uitgehangen met de Vijfde van Beethoven op vol volume. VPRO-puzzel, 41 horizontaal: Damon of Dings? Joechei! Doorgedrongen tot het Wereldje, toegelaten tot de Kring der Kringen, eindelijk zelf in de Hall of Fame!

Ik schrijf dat nou wel een beetje sarcastisch op, maar het steekt eerlijk gezegd toch eventjes. Zit ik hier elke week in het halfduister te zwoegen op de kleine bellettrie, kletst zo’n Kantelberg met z’n kutmanchetten zich doodgemoedereerd de schijnwerpers in. Ik ga me grandioos revancheren. Let op mijn volgende boek.

dinsdag 2 januari 2018

Waarom het licht het donker nodig heeft

Dat was een mooie ochtendgroet, vanmorgen in de Volkskrant. De Zweedse actrice Sofia Helin, bekend van de veelgeroemde serie The Bridge, refereerde in een interview aan een gedicht dat haar door zwaarmoedige momenten heen hielp. ‘Wees niet bang voor het donker, zei het gedicht, ‘want daar woont het licht’. En: ‘Er zijn geen sterren als het niet donker is.’
Hoewel ik zelf geen last had van een zwaarmoedig moment, brak bij mij de zon ineens door – bij wijze van spreken dan, want deze tweede dag van het nieuwe jaar ging geheel in lusteloze loodtinten gehuld. Dat we de sterren pas zien als het donker is, dat het licht niet buiten het donker kan: het was een even eenvoudige als heerlijke waarheid, ik zat werktuiglijk juist! en inderdaad! te knikken.
Het zal wel tegemoetkomen aan een diepgewortelde behoefte aan harmonie. En die stoelt dan weer op mijn vermoeden dat de balans eigenlijk de beste uitvinding aller tijden is. Het bestaan is één grote evenwichtsoefening, een eeuwig heen-en-weer tussen polen en contrasten zoals licht en donker. Als ultiem begrippenpaar mogen leven en dood wel gelden. Alles of niets vormen een goede tweede, al komen goed & kwaad en ja of nee ook een heel eind. Het leven staat werkelijk bol van de tegenstellingen: voor en tegen, oorlog en vrede, vreugde en verdriet, lief en leed, warm en koud, vol en leeg, hemel en aarde, man en vrouw (met excuses aan mijn 0,014 % interseksuele lezers).
Natuurlijk schipperen we het liefst, mengen we water bij de wijn, zoeken we voortdurend naar nuances en compromissen, maar dat laat onverlet dat uitersten ons steeds weer fascineren. Ze trekken ons aan en stoten af zoals magneten en hun polen. Het is alsof het principe van Yin en Yang de grondslag vormt van de hele ordening van ons bestaan.

Zo ook de kwestie van licht en donker. Dag en nacht. Het is aangenaam dat die twee begrippen elkaar afwisselen. De dag is voor de actie, de avond en nacht voor bezinning en rust: werelden die niet zonder elkaar kunnen, zoals we het licht niet zouden kennen zonder de duisternis, en de duisternis niet zouden kunnen verdragen zonder de wetenschap dat het licht wel weer komt. Dat is inderdaad wel een gedachte die kan helpen op moeilijke momenten. In mijn oren knopen. 

woensdag 27 december 2017

Even vakantie van de kanker

“Aha,” zei een belangstellende kennis, “je staat dus min of meer in de pauzestand.” – Zo had ik het nog niet bekeken, maar die term paste aardig bij mijn stemming.
Bedoelde pauze strekt zich uit tot half januari, als ik weer bij de oncoloog wordt verwacht. Waarschijnlijk weet die me dan te vertellen of het nieuwe medicijn tegen de uitzaaiingen van mijn prostaatkanker aanslaat. Een beslissend moment, want als dat medicijn niet werkt, resten er niet veel alternatieven.
Maar met dat stadium ben ik niet bezig. Mijn hoofd weet dat het zinloos is om te malen over scenario’s die zich misschien nooit zullen voordoen. En mijn hart heeft daar, geloof ik, evenmin behoefte aan. Ik voel me in elk geval tamelijk rustig, inderdaad als in een pauze. Even geen medische afspraken in mijn agenda, geen witte jassen in zicht, geen ziekenhuisroutes en wachtkamers. Even vakantie van de kanker.
En daarom zaten we op eerste kerstdag met de kinderen en kleinkinderen extra te genieten van elkaar en de geneugten van een rijke dis. We hieven het glas en toostten op het leven en op elkaar, waarbij de pastor in mij nog even memoreerde dat het gelet op alle malheur van de laatste jaren niet vanzelfsprekend was dat we hier met ons allen om tafel zaten.

En daarom zaten we op tweede kerstdag opnieuw aan tafel, nu getweeën en in een fraai restaurant, waar we opnieuw toosten op het leven en op elkaar. En daarom zaten we een paar dagen eerder bij een podium voor vernieuwende muziek, Paradox, waar we onze ziel laafden aan meeslepende, soms betoverende, dan weer kolkende vormen van jazz en improvisatie. En zo zal verder gaan, ook na Oud & Nieuw, wat voor nieuws het nieuwe jaar ook in petto mag hebben. Want léven blijft toch het beste antwoord op kanker.

donderdag 21 december 2017

Feest: de langste nacht!

In de straat nog geen dansende mensen gesignaleerd. Ook niemand aan de deur gehad met de gelukwensen. Zelfs geen blije telefoontjes, apps of mailtjes. En toch is er fantastisch nieuws vandaag: het is 21 december, kortste dag en langste nacht van het jaar, vanaf nu gaan de dagen weer lengen!
Trouwe lezers komt deze eerste alinea misschien bekend voor. Dat klopt: die stond vorig jaar om deze tijd ook al op deze plaats. Dat geldt eveneens voor de volgende alinea’s, want het stukje blijft kei-actueel. Lees maar:
Het kan zijn dat de rest van de wereld 21 december vooral ziet als de dag dat de winter officieel begint. Dat zou een verklaring zijn voor het uitblijven van feestgezang en vreugdevuren om het belangrijkste keerpunt van het jaar te vieren: de omslag van het donker naar het licht. Geeft niet, iedereen vergeet wel eens wat, volgend jaar om deze tijd is er weer een herkansing, noteer het alvast in uw agenda.
Zelf zou ik er waarschijnlijk ook niet aan hebben gedacht als 21/12 voor mijn Ingrid niet zo’n gewijde dag was. In de loop van de herfst refereert ze er steevast aan, vooral als ik zit te somberen over de voorbije zomer en de vallende bladeren. Nog even, zegt ze dan, en het is december, en dan wordt het vanzelf de 21ste, de kortste dag, het moment waarna het elke ochtend een beetje vroeger licht wordt en elke avond een beetje later donker. Dit jaar heeft ze het ook al een paar keer gememoreerd, en telkens bood het me een beetje troost.
En nu is het dan zover: we reizen weer naar het licht, langzaam maar zeker, zo zeker als er maar weinig zeker is. Het is het op na het neer, het heen na het weer, de plus na de min, het leven na het sterven.
Ik schrijf op deze plek nogal eens over het hier en nu: over concentratie op wat je meemaakt in plaats van op wat je vreest of veronderstelt. Daar ding ik ook nu niet op af, want een mens kan beter praktiseren dan prakkiseren. Maar daarom hoef je geschiedenis en toekomst nog niet uit te vlakken, herinnering, hoop, ervaring, ambitie. Het hoort allemaal bij elkaar: hier en nu en ginds en straks en ergens en toen. Het is een hele mind ful, dat klopt, maar dat is nou juist het mooie.


maandag 18 december 2017

Beste wensen?

Weer een klusje geklaard: de kerstkaarten zijn de deur uit. Echte kaarten, geen digitale, want we houden van het jaarlijkse ritueel dat bij papieren post hoort: het zoeken van mooie kaarten, de keuzes wie we welk exemplaar sturen, het schrijven van een passende wens onder begeleiding van meestal J.S. Bach en Martini Extra Dry en vervolgens de gang naar postkantoor of brievenbus.
Die passende wensen vind ik nooit gemakkelijk. Neem nou ‘Beste wensen voor het nieuwe jaar’. Dat lijkt een passe-partout, zo’n wens waarmee je met goed fatsoen bij iedereen kunt aankomen. Maar blaas je niet te hoog van de toren als je mensen meteen maar het beste wenst? Is het goede soms niet goed genoeg? Er kan er maar één de beste zijn, dus de kans dat uitgerekend jouw vrienden en familieleden stuk voor stuk het best denkbare nieuwe jaar in de schoot zal vallen is te verwaarlozen. Dus die beste wensen zijn aanstellerij dan wel hoogmoedswaanzin. ‘Een goed jaar’ is oké. Maar ook een beetje tam, vlak, flets. ‘Fijne feestdagen en een goed 2018.’ Mwah.
En dat was nog maar het begin van het gepieker. Want wat dán? ‘Een prachtig / schitterend / gloedvol jaar’? Niet heel realistisch, want zulke adjectieven gaan doorgaans maar voor een handvol dagen per jaar op. Ongeveer hetzelfde geldt voor ‘veel geluk’. Een mens mag al blij zijn als hij af en toe geluk ervaart, een dinsdag in november, ondanks de regen, een weekeinde in de lente, dankzij de lente, een vooravond in september, een zonnige middag in de herfst, een loom laat uur op de bank. Véél geluk is werkelijk niet erg werkelijkheidsgetrouw.
‘Een goede gezondheid’ dan? Dat staat toch bij iedereen op het verlanglijstje? Ja, maar bij die term krijg ik het zelf benauwd – ik bedoel: benauwder dan gewoonlijk. Om nou als multikrakkemik een ander een blakende gezondheid toe te wensen... Niet dat ik het een ander niet gun, integendeel, maar het verschil schuurt eerlijk gezegd een beetje. Als ik mijn naasten een gezond 2018 toewens, kan ik de vraag hoe mijn gezondheid in het nieuwe jaar zal uitpakken niet onderdrukken – en die vraag is een bibbervraag, zoals in mijn vorige blogs uiteengezet.

Enfin, ik ben eruit gekomen, de kaarten zijn op de post. Ik hoop op een stel mooie momenten in het nieuwe jaar. Een suggestie: de volgende controle bij de oncoloog.

zondag 10 december 2017

Compliment voor Zuster Ingrid

Genoeg gekankerd. Na vier grimmige stukjes over de lelijke kanten van het leven nu weer eens een opgewekt blogje. Over vrolijke post van het Stadhuis.
Deze zomer las ik ergens dat mensen die veel tijd en energie wijden aan hun hulpbehoevende naasten in aanmerking kunnen komen voor een ‘mantelzorgcompliment’. Dat is een van overheidswege bedachte geste aan echtgenoten, familieleden, buren of vrienden die het heel druk hebben met vrijwillige en onbezoldigde zorg voor iemand uit hun directe omgeving. In Nederland verlenen wel vier miljoen mensen een vorm van mantelzorg; van hen zijn er ruim zeshonderdduizend langdurig en meer dan acht uur per week in touw. Die mensen komt wel een applausje en een aardigheidje toe, is toen bedacht: het mantelzorgcompliment.
Goed idee, dacht ik, en ik schreef de gemeente aan om mijn Ingrid te nomineren voor zo’n duimpje. Ik lichtte toe dat ze een forse deeltijdbaan aan mij heeft. Dat varieert van hulp bij allerlei bezigheden waarvoor ik adem of kracht tekort kom, begeleiding bij de vele medische consulten en controles, meedenken over grotere en kleinere sores en geduldig luisteren naar fysieke en mentale wederwaardigheden, tot het overnemen van huishoudelijke taken en doehetzelfklussen die ik moet laten liggen. Soms, bijvoorbeeld als ze me helpt met een steunkous of met katheterzorg, noem ik haar liefkozend Zuster Ingrid. Op andere momenten kortweg Kanjer.
Enfin, de gemeente liet zich graag overtuigen, bleek deze week uit de post: het Mantelzorgcompliment is toegekend, dezer dagen krijgt ze 200 euro gestort, met de groeten van de burgemeester. Ze bezint zich nog op een feestelijke bestemming voor die meevaller.

Behalve dat het een opsteker is voor Zuster Ingrid, respectievelijk Kanjer, is het ook plezierig dat die vaak zo abstracte en afstandelijke overheid nu eens concreet en hartelijk uit de hoek komt met zomaar een schouderklopje voor een lieve burger. Waarvan akte.

donderdag 7 december 2017

Ik wou dat ik me verveelde

Voor de derde keer in een week naar het ziekenhuis –mijn dierbare oude Citroen kan de weg al bijna zelf vinden. Eerst twee dagen op rij naar Spoedeisende Hulp, vandaag een controle. Het liep goed af, maar wat een heisa...
In het weekeinde raakte de katheter die ik sinds een goede maand heb ineens verstopt. Naar de Eerste Hulp, ding vervangen, blaas doorgespoeld, probleem opgelost. Maar de volgende dag leek het probleem terug. Gebeld, opnieuw naar de Spoed ontboden, echo’s, bloedonderzoeken, uren wachten.
Dat wachten in ziekenhuizen is nog een hele klus. In andere situaties kun je je al wachtende aan een cryptogram zetten, of dromen over een warm palmenstrand, of mediteren op de lussen van je schoenveters, maar dat is er allemaal niet bij als je op een medische uitslag wacht. Terwijl eerst de minuten, toen de kwartieren en vervolgens enkele uren wegtikten, vocht ik tegen denkbeeldige onheilsboden die me grijnzend toefluisterden dat de kanker misschien wel aan de nieren zat te knagen, of met de klieren zat te klieren, en dat het kathetergedoe daar allemaal door kwam. Dadelijk gingen ze sissen dat ik werd opgenomen, ter observatie, omdat de doktoren het niet vertrouwden, al die onrust daar beneden. En er flitsten beelden van een paar jaar terug door mijn hoofd, van OK’s en IC’s en medicijnen waar je van ging malen. En dan riep ik me weer tot de orde: sla niet op hol, heb geduld, wacht af.
De uitslag kwam en was goed. De controle vandaag idem. De betrekkelijke rust is terug. ‘Hoe was het?’ vroeg een broer die belde over de voortgang. Ik praatte hem bij en rondde af met die Engelse verzuchting die in het Nederlands niet zo goed overkomt: never a dull moment.
Nee, van vervelen komt het niet gauw bij kanker. Je krijgt medische afspraken bij de vleet met de nodige en onnodige hoofdbrekens van dien. En als je dan toevallig ook nog eens stukjesschrijver bent, dan wenkt er steeds weer een knipperende cursor op een leeg scherm om nieuwe zinnen over vandaag en morgen, over kansen, gevaren, hoop, teleurstelling, ambitie, beperkingen, kwaliteit, betekenis – genoeg stof voor een hele bibliotheek. Ik wou dat ik me verveelde, zou ik bijna zeggen, maar niet dus.
Ik heb geen goed woord over voor kanker, maar alla, maar als het niet al te zeer tegenzit blaast het wél het stof van het leven, verdiept, verscherpt, verbindt, verinnerlijkt, verhevigt. Verdomme.


maandag 27 november 2017

IJsberen in niemandsland

In een Eindhovens laboratorium inspecteert een laborant een paar druppels bloed om te zien hoe het staat met de tumormarker PSA. Het cijfer dat daaruit resulteert wordt doorgestuurd naar de oncoloog, die het vervolgens bespreekt met zijn patiënt. Hij heeft goed of slecht nieuws: de uitzaaiingen zijn helaas toegenomen of gelukkig geslonken.
Zo gaat het dagelijks in een groot ziekenhuis. Het verschil is dat het dezer dagen over mijn PSA en mijn prostaatkanker gaat. Ik heb net bloed laten prikken en ben in afwachting van de uitslag. In gespannen afwachting. Na de donderdagen van de beroerde scans ga ik nu door een stel zenuwdagen. Slaan de nieuwe medicijnen aan? Dringen ze de onlangs geconstateerde uitzaaiingen terug? Of zijn die er niet van onder de indruk en woekeren ze stoïcijns door?
De patiënt die op een belangrijke uitslag wacht is een reiziger in niemandsland. Hij sjokt door een guur landschap zonder een stap verder te komen, ijsbeert van kastjes naar muren, loze kastjes, blinde muren, en vandaar weer terug, en nog eens, en nog eens – het heen en weer krijgt hij ervan. Steeds maar hameren er moeilijke vragen in zijn hoofd. Hoe definitief is een slechte uitslag, hoe relatief een goede? Stel dat het PSA amper is gedaald... Is dan bewezen dat de nieuwe pillen niet werken? Of is er toch nog kans dat een volgende controle gunstiger uitpakt? Of stel dat het PSA flink is verlaagd... Is dat een momentopname, een tijdelijk succes? Of biedt dat hoop op een langere werking? En wat als de uitslag ronduit fout is?
Geleidelijk kalmeren de zenuwdagen toch, worden de dagen uren en de uren momenten. De tijd daartussen krijgt iets  onwerkelijks. Ja, er hangt een belangrijke uitslag in de lucht, maar intussen gaat het dagelijkse leven gewoon door. Ik regel bankzaken, ruim papieren op, doe een afwasje, maak notities, lees de krant. En af en toe denk ik aan die laborant met mijn druppels bloed. En ik denk aan de kaarsen die hier en daar branden om de bevoegde instanties eraan te herinneren dat ze maar het beste voor een mooie uitslag kunnen zorgen.

Er brandden al eens eerder kaarsen voor mijn kansen, in 2011, rond de operatie die het begin van mijn loopbaan als prostaatpatiënt markeerde. Het leverde me vooralsnog zes jaar op. Het is, lieve bevoegde instanties, maar een suggestie.

zondag 19 november 2017

Donderdagen

Het was op een donderdag, een dag die zijn naam eer aandeed, want het nieuws denderde als met donder en bliksem door de kamer van de oncoloog: een scan toonde vlekjes op de botten – mijn prostaatkanker breidde zich uit.
En het vervolg kwam de donderdag daarop, nu van de uroloog, en was al even stormachtig: een tweede scan toonde ook nog eens uitzaaiingen in de organen.
En nu is het zondag. Rusteloze rustdag. Het zijn vreemde dagen, zo kort na die twee van de donder en de doem. De ene keer wellen er allerlei vragen op die niemand kan beantwoorden, en zorgen die niemand kan wegnemen. De andere keer lijken die scans beelden uit een nare droom, waaruit ik – ja toch? – wel weer eens wakker zal schrikken, een angstvisioen vol gespikkelde geraamtes, een horrorfilm uit de B-klasse. En dan besef ik weer dat het maar al te waar is: dat altijd ietwat theoretische prostaatcarcinoom met zijn abstracte afkortingen en zijn cijfertjes is een zeer concreet gevaar geworden.
Sinds de dag dat het gedonder echt begon, begin ik de ochtend met twee tabletten Abirateronacetaat, een hele mond vol voor een bijzonder medicijn dat een paar jaar geleden nog niet op de markt was. Het schiet patiënten te hulp bij wie reguliere hormoontherapie niet meer werkt. Of het gaat werken, en hoe lang, dat wordt afwachten.
Tot nader orde moet ik het hebben van de hoop, net als lief en dochter en zoon en kleintjes en familie en dierbare vrienden. Hoop is een mooi middel, heel werkzaam en onuitputtelijk, althans: er is een hoop van.

Ik denk dat ik beurtelings ga hopen en vrezen, om die twee reacties allebei het volle pond te geven, want dat komt ze toe. Zowel de hoop als de angst getuigt van realisme. Hoop concentreert zich op de kansen die het leven laat, ook al houden die zich stilletjes op in de schaduw van de risico’s. Angst is zich bewust van dreigende moeilijkheden, maar omarmt daarin ook wat dierbaar en kostbaar is. Hopen en vrezen doe je met de ogen open. En elke dag twee wie-weet-wonderpillen.

zaterdag 11 november 2017

Kanker en de dalmatiër in me

“Wilt u de scans zien?” vraagt de specialist. Ik knik. Ze draait het computerscherm, waarop mijn skelet me staat toe te grijnzen. Het is bespikkeld met een aantal zwarte vlekjes. Als een dalmatiër, denk ik nog, maar dat is te lief, te zacht – dit is de vuige, harde smoel van kanker.
Ik had het kunnen weten. Het alarmstofje PSA was immers al een paar keer op rij verdubbeld, teken dat de tumor zich roert. Als prostaatkanker actief wordt, heeft-ie een voorkeur voor de botten. Vandaar dat de uroloog een skeletscan had besteld. Die scan maakt inderdaad een handvol uitzaaiingen zichtbaar. Ik had het kunnen weten en toch komen de vlekjes rauw aan. Ingrid en ik kijken elkaar ontdaan aan.
Dan vindt de dokter het tijd worden voor een paar verzachtende mededelingen. Dat de afdeling oncologie niet met lege handen staat, dat er sinds een paar jaar nieuwe medicijnen beschikbaar zijn, met bemoedigende resultaten. Dat er eventueel in een later stadium ook nog andere middelen zijn om de kanker te remmen. Dat een team van oncologen, urologen, radiologen en andere kankerspecialisten over een paar dagen bespreekt wat er het beste kan gebeuren.
Dat ‘multidisciplinaire overleg’ ken ik, want daar was ik ooit bij, acht jaar geleden, toen ik voor HP/De Tijd een uitgebreide reportage maakte over de oncologieafdeling van een groot ziekenhuis: deze afdeling. Ik was er bij toen casus na casus werd doorgelicht. Ik interviewde patiënten en specialisten. En nu ben ik zelf de casus en wordt de oncoloog die ik indertijd interviewde mijn behandelaar. Laurence van Warmerdam heet hij. Citaat uit 2009; “Ik zeg altijd: ik kan u niet genezen, maar wel beter maken.” Daar ga ik hem aan houden.
Thuis dompelen we de dalmatiër-in-me onder in een gloedvolle rode Merlot. We nemen onze mooiste kristallen glazen, een paar met zwierig ingeslepen motief en een hemelse klank – om alvast te wennen, wil ik zeggen, maar dat slik ik bijtijds in – en laten de glazen zingen. Dan klinken we op de toekomst, want die kan wel een steuntje in de rug gebruiken.

“Je bent er tamelijk kalm onder,” oppert Ingrid. “Niet in rep en roer,” zeg ik. “Maar wel onder de indruk.” 

woensdag 1 november 2017

Mijn nieuwe loopbaan als slangenmens

Mag ik mezelf even voorstellen in een nieuwe hoedanigheid? Sinds gisteren ben ik behalve stukjesschrijver ook slangenmens.
Eigenlijk begon het al een paar maanden geleden, toen ik op aanraden van de longarts aan de zuurstof ging en me voortaan met een slangetje in de neus door het leven bewoog. Op misschien nog wel eerder, toen een dichtgeslibde ader werd vervangen door een lange omleiding, een plastic kunstader die net onder de huid voelbaar door mijn lichaam kronkelt. Maar gisteren kwam daar een buikkatheter bij, die mijn in de war geraakte waterhuishouding moet reglementeren, zodat ik nu al met drie kunststof slangen ben uitgerust. Komt dat zien, komt dat zien – ik moest er maar eens mee gaan bijbeunen op kermissen en partijtjes.
Ik had er nogal tegenop gezien. Nog niet eens zozeer tegen de ingreep, want die zou in een half uurtje bekeken zijn, maar vooral tegen de impact van zo’n nieuw lapmiddel voor het haperende gestel. Van tijd tot tijd begint een lichaamsfunctie te stotteren en te sputteren en moet er een passend attribuut uit het medisch magazijn komen – voor zover beschikbaar. De ouderdom komt met puffers en protheses en apparaten en toenemend gehannes. Je kunt proberen daar oosters kalm onder te blijven en te berusten in het onafwendbare, maar dat lukt niet 24/7, althans mij niet.
Toen het zover was, gistermiddag, bleek de ingreep niet het voorziene fluitje van een cent, maar een flinke klus waar ik wel wat beduusd van werd. Maar de suprapubische katheter zát uiteindelijk, en daar ging het om. “Uw kwaliteit van leven zal erop vooruitgaan,” zei de uroloog toen hij zijn steriele handschoenen uittrok. Ik hoorde het hoopvol aan.

Zo stelt men zijn normen bij. Ik begin met enige tegenzin aan de lapmiddelen, maar ben toch blij als die helpen tegen het wildplassen en ik weer wat controle over mijn leven terugkrijg. Alle beetjes helpen, zogezegd. Het leven een beetje aangenamer doordat het een beetje minder onaangenaam wordt? Oké, deal!