Posts tonen met het label hormoonbehandeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hormoonbehandeling. Alle posts tonen

vrijdag 14 juli 2017

Lonneke met haar akelige spuit

Als de telefoon rinkelt, denk ik steeds dat het de speciale apotheek is. Maar nee. Niet dat ik er reikhalzend naar uitkijk, integendeel, ik moet er juist niets van hebben, maar er valt niet aan te ontkomen: een afspraak voor een hernieuwde hormoneninjectie.
Het verhaal dat ik zes jaar geleden in HP/De Tijd schreef over mijn kennismaking met prostaatkanker begon op eenzelfde manier: hoe ik ijsberend door mijn woonkamer de komst van Lonneke afwachtte, een gespecialiseerde verpleegkundige die me mijn eerste hormoonprik kwam geven, ‘de akeligste injectie van mijn leven’.
Amper bekomen van de schrik dat kanker mijn lijf belaagde, kreeg ik destijds ook nog eens kippenvel van het idee dat een hormoonspuit mijn gemoed ging ondermijnen. Zo’n spuit stopt de productie van testosteron, voedingsstof van prostaatkanker. De kanker kan daardoor niet groeien. Maar testosteron is tevens het stofje dat mannen temperament, daadkracht en libido geeft. Een man zonder testosteron leek me als een auto met een snorfietsmotortje. Vandaar dat ik ijzend liep te ijsberen in afwachting van Lonneke met haar spuit.
Inderdaad beroofde de hormoonprik me van heel wat pit en puf. De tegenprestatie was dat de kanker zich gedeisd hield. Na een paar jaar kon ik zelfs een hormoonpauze nemen, waar ik van opveerde. Eind 2015 verried een bloedwaarde dat het opnieuw begon te rommelen in het vooronder. Voorlopig boden hormoonpillen – minder heftig dan spuiten – soelaas. Maar inmiddels concludeert de uroloog uit nieuwe gegevens dat de kanker er duidelijk zin in krijgt en dat het tijd wordt terug te grijpen naar de injecties. “U wordt gebeld.”
Een lelijke tegenvaller. Toch raak ik er niet van in mineur. Gisteren zag ik een eerder opgenomen Vlaamse film over een man met Multiple Sclerose. Daar bleef me een zinnetje van bij, dat meer mensen met chronische mankementen zullen herkennen: ‘Ziek zijn moet je leren.’ Door een blijvende aandoening loop je schrammen en deuken op die je in een volgende fase van pas kunnen komen. Ze leveren bijvoorbeeld nuttige ervaringen en herinneringen op, verscherpen de blik of verdiepen gevoelens. Een verschil tussen de vorige Lonneke en de volgende is dat ik nu weet wat me te wachten staat en dat zulks nou ook weer niet de hel is. Een rustiger besef dan de diffuse vrees voor vage misère, die me vorige keer beving.

Neemt niet weg dat ik toch heel graag met de Bevoegde Autoriteiten zou afspreken dat het nu even welletjes is geweest. Een mikmakloze zomer, valt dat te regelen?

zaterdag 19 december 2015

Kanker en de kunst van adaptatie

Weer eens zo’n zenuwenmoment: afspraak met de uroloog. Houdt mijn prostaatkanker zich nog steeds koest, of roert-ie zich opnieuw?

De diagnose ligt nu viereneenhalf jaar achter me. Een operatie en een hormoonbehandeling legden de tumor nagenoeg stil. Ik kon het afgelopen voorjaar zelfs een hormoonpauze inlassen. Daar was ik blij om, want ik vond het een naar goedje, die hormonen. Ze ondermijnen je energie, lust en gemoed: je persoonlijkheid.

Met de tijdelijke hormoonstop ebben die bijwerkingen weer weg. Zodat ik – een beetje tegen beter weten in – hoop op een goede uitslag van de jongste bloedmeting en verlenging van de hormoonpauze. Maar de uroloog schudt het hoofd: het PSA (het stofje dat tumoractiviteit aanwijst) blijkt flink gestegen. Ik moet dus opnieuw aan de kankerremmende rotzakken, zij het dat ik voorlopig met de lichtste vorm toe kan.

De hele avond vóór de controle was ik mismoedig. Het PSA zou wel weer gestegen zijn, hield ik mezelf voor, want een pauze is per definitie tijdelijk, ik voelde het spook van de kanker alweer in mijn nek hijgen. Maar nu de uroloog mijn vermoeden bevestigt, voel ik me toch eerder kalm dan terneergeslagen. Ja, ik vind het jammer. En akelig. De kanker, die stilaan iets abstracts had gekregen, is weer concreet as hell. Maar: het is niet anders, ik moet het ermee doen.

Toch vreemd, dat verschil tussen gisteren en vandaag. Zou getob over dreigende narigheid zwaarder zijn dan de narigheid zelf? Dat spoort met de oude wijsheid: ‘men lijdt nog het meest van het lijden dat men vreest’. Ik heb dat gezegde al vaak waarheid zien worden en toch helpt het in tobberige uren niet erg. Dreigend gevaar is eng omdat je niet weet hoe het zal uitpakken en je het ergste incalculeert. Zo’n gevaar laat zich niet relativeren. Wordt het gevaar echter realiteit, dan weet je waar je aan toe bent en kun je je op een reactie concentreren.


Men zegt vaak dat je tegenvallers moet zien te accepteren. Ik geloof dat het eerder aankomt op adaptatie: de kunst het onvoorziene in te passen in je leven of het leven aan te passen aan het onvoorziene. Als dat een beetje lukt, levert het zelfs bevrediging op. Maar mensenlief, het is een hele toer.

vrijdag 25 september 2015

Een Courbet in het stadspark


 De najaarszon wenkt, dus ik op de scoot, het groen in. Het park, even verderop, heeft er zin in. Het licht dwarrelt door het gebladerte, dat al een beetje begint te herfsten en zacht ruist in de wind. Hier en daar schieten paddenstoelen op; ook groeien er elfenbanken aan een paar bomen en stronken. Merels hippen over bedauwde grasperken op zoek naar een vers hapje worm. 

Het pad maakt een laatste draai en daar staat een pracht van een boom te pronken, een acacia, zijn roodbruine bast vol groeven en plooien, de takken gestoffeerd met een miljoen ijle blaadjes. Dat zie ik omdat mijn scootje nooit haast heeft en me de tijd gunt om details in me op te nemen. Haast is zelden goed, en al helemaal niet als het om iets bijzonders of iets moois gaat. 

Mijn blik gaat van de grillige stam naar de wuivende kruin en weer terug, en dan zie ik het ineens. Ik pak mijn smartphone om het te fotograferen, maar wacht even omdat er een fietser aankomt en ik me wat geneer, zo met mijn neus hier bovenop, ik lijk wel een voyeur. Als hij voorbij is, kijk ik nog eens goed, en ja, het is niet te miskennen: dit is onversneden boomerotiek. Op ooghoogte heeft de natuur een vagina in de bast gekerfd, een dendrologische Courbet, een Origine du Monde in hardhout. Het klopt allemaal: de ellipsvorm, de rimpelingen, in het midden een kleine verdieping als de ingang van een donkere minigrot. Zomaar midden in een stadspark.
 
Er komen een paar wandelaars aan. Ik acteer dat ik iets intik op de smartphone. Ze passeren zonder blikken of blozen, alsof hier niet een acacia haar rokken optilt om de Oorsprong van de Wereld te tonen. Misschien zie alleen ik het maar, ligt het aan mijn smoezelige geest dat ik een groef in een boombast al erotisch duid, spelen de hormonen diep in me op.

Dat is het, natuurlijk. Drie jaar lang kreeg ik hormonen toegediend om een sluimerende prostaatkanker in toom te houden. Die hielden helaas ook het libido in toom. Maar er is een pauze in de behandeling ingelast en nu melden de zinnen zich weer. Sorry, acacia. Pardon, Gustave Courbet. Maar bijzonder vind ik het wél.