zaterdag 31 januari 2015

Is het glas halfleeg of halfvol? (Bis)


Is het glas halfleeg of halfvol? Het is een vraag waar ik al eerder over schreef en die me blijft intrigeren. Dat halve glas verbeeldt hoe je naar een situatie kunt kijken. Treur je dat je drankje op raakt, of ben je blij dat er nog heel wat slokjes resteren? Het stilzwijgende antwoord ligt in de retorische vraag besloten: als het leven tegenzit, kun je je maar beter concentreren op wat je nog hebt, dan op wat je kwijt bent.

Daar lijkt geen speld tussen te krijgen. Letten op je kansen geeft energie; een focus op verlies levert alleen maar frustratie op. Daar komt bij dat optimistische mensen applaus krijgen, dat voor een duwtje in de rug zorgt, terwijl pessimisten gemeden worden en in een isolement raken dat hun leven nog moeilijker maakt. Somberaars moeten zich dus maar zo gauw mogelijk omscholen tot positivo’s. Oké, oké.

Maar nu gaan we het moeilijker maken. Wat als het glas nog maar voor een kwart of minder gevuld is en de bodem in zicht raakt? Dan biedt het restant veel minder troost dan bij het halve glas nog het geval was. En dat is aan de orde als het leven zozeer tegenzit dat beperkingen de overgebleven mogelijkheden gaan overschaduwen: een situatie die helaas voor heel wat mensen opgaat.

Zelf heb ik bij tijd en wijle weet van die schaduw. Dan drukt het medische malheur dat ik de laatste jaren heb verzameld op mijn gemoed en welt er een zekere mistroostigheid in me op, een zeer besef van verlies en verval, dat gelukkig niet lang genoeg aanhoudt om in neerslachtigheid te verkeren. Ik probeer mezelf dan voor te houden dat er geen schaduw bestaat zonder zon, ook al zie ik die even niet. Tot dusver werkt het.


Half zes. De avond valt. Tijd voor een glas.

vrijdag 23 januari 2015

J. Kessels, J. Kessels en J. Kessels

Uit het ED. Foto Dolph Cantrijn


Als een filmer aan de haal gaat met een roman die je met plezier gelezen hebt, kun je rekenen op teleurstellingen. Vooral waar het de held uit het boek betreft. Meestal beantwoordt het filmpersonage niet aan het beeld dat je je als lezer had gevormd. De hoofdpersoon die jij je had voorgesteld als een slordig geklede intellectueel met een karakterhond en fijnzinnige kunst aan de muur, blijkt in de film verworden tot een aalgladde yup met een golden retriever en een huis vol designclichés. En de heldin is geen langharige brunette met mystieke blik en hese stem, maar een zonnebankblondje met een aanstellerige lach en een schoudertattoo uit een folder.

Dus maak ik me enige zorgen over de aanstaande roadmovie J. Kessels, die in het najaar in de bioscoop komt, een verfilming van het gelijknamige boek van P.F. Thomése. Hier wordt de verhouding tussen filmpersonage en boekpersonage extra gecompliceerd.

Frans Thomése beschrijft een aantal avonturen met zijn oude vriend Jos Kessels, een in Tilburg verzeild geraakte stukjesschrijver, kettingroker en liefhebber van countrymuziek, bami, bier en oude schilderijen. Het is een hilarisch, grotendeels gefabuleerd verhaal, dat van de ‘echte’ Kessels een literair personage maakt, dat weliswaar lijkt op zijn naamgever, maar er ook weer een karikaturale vertekening van geeft. En dat halfechte literaire personage transformeert nu op zijn beurt tot filmheld, zodat we nog verder van de bron af raken. Tel daarbij op dat ik de oorspronkelijke Jos Kessels een beetje ken, en Frans Thomése een beetje beter, en alle verhoudingen tussen feiten en fictie staan op hun kop.

De eerste publiciteit maakt het er niet gemakkelijker op. Frank Lammers, de acteur die de rol van J. Kessels gaat spelen, krijgt deze week de volle aandacht van het Eindhovens Dagblad. Breeduit poseert hij op de voorpagina van het cultuurkatern als de titelheld uit de film. Een intrigerende foto. ‘Kessels’ draagt zoals we dat mogen verwachten een cowboyhoed en een slonzige lange jas. Daaronder bouwen een non-descript wollen vest en een verwassen T-shirt mee aan het beeld van de shabby rauwdouwer. Maar die broek! Die is niet alleen buitengewoon nieuw, maar ook nog eens onberispelijk geplooid. Een ernstig geval van foute styling. Verderop in het katern is Kessels’ asbak afgebeeld. Boordevol peuken, zoals het hoort. Maar het zijn allemaal filters, en dat hadden natuurlijk peuken van sjekkies moeten zijn, want een beetje ruwe bolster geeft zich niet af met damessigaretten.

Voorspelt allemaal weinig goeds. Maar ik heb zo’n vermoeden dat ik dit najaar toch ga kijken.


dinsdag 20 januari 2015

De zandloper van het leven

Bij de fitness, gisteren, zag ik mijn naam op de kalender staan. Inderdaad, bijna jarig, weer een jaar verder op de weg van de wieg naar de eeuwen der eeuwen.

Hoe vaak ik het ook doe, verjaren went nooit. Elke keer weer welt er een lichte melancholie in me op, een besef van voorbijgang en vergankelijkheid, dat niet zozeer heimwee is, maar eerder een notie van eindigheid en relativiteit. Het besef dat we elke ochtend trouwhartig beginnen aan een dag die morgen alweer gisteren heet en wegglijdt in vage herinnering of vergetelheid. Het besef dat de toekomst gestaag terrein verliest aan het verleden, tot de zandloper van het leven klaar is.

Doorgaans is dat besef niet zo concreet, niet erg bedreigend, het is een besef in de verte, waar de toekomst zich gewoonlijk ophoudt. We zien wel, luidt de zorgeloze instelling waarmee we ons gewoonlijk zich door de tijd slaan; die zandloper van het leven heeft nog geen haast, morgen weer een dag, de toekomst is eindeloos. Tot er op een kwade dag een dokter langskomt met scans en diagnoses die een streep door de rekening halen. Ai meneer. Uw longen. Uw vaten. Uw prostaat. Helaas.

Sinds ik ook van zulke diagnoses kreeg, kijk ik anders naar mijn verjaardag. De melancholie over de verglijdende tijd heeft gezelschap gekregen van een gevoel voor de urgentie van vandaag. De toekomst is niet meer het eindeloze reservoir waarvoor ik haar vroeger hield, maar het onzekere avontuur dat ze in feite altijd al was. Daarom is het meer dan ooit zaak, in het nu te leven en de kansen van het moment te benutten. Dus hiep hiep: die verjaardag van mij ligt nog een paar dagen weg, maar ik denk ik dat ik ‘m nu al ga vieren.