maandag 18 juli 2016

Applausrozen

Aan alles komt een eind, zeggen ze. Maar ze zeggen zovéél. Kwam er bijvoorbeeld maar eens een eind aan dat gedoe met mijn longen. Dat ik op een dag kon zeggen dat ik het welletjes was en dat ik gewoon ophield met dat eeuwige gehijg en dat ik dan ineens af was van mijn COPD. Vingerknip, klaar, over. Gewoon weer de trap op rennen en een eind fietsen en een boswandeling maken en al die gewone dingen waarvoor je gewone longen moet hebben.

Maar niet aan alles komt een eind. Gedoe heeft de neiging te blijven.

Vanochtend werd ik, vroeger dan ik van plan was, wakker van mezelf. Een langgerekte medicinale opvlieger, gecombineerd met nijpende benauwdheid. Overeind, benen uit bed, ademoefeningen. Weer gaan liggen, opnieuw dat klamme hoofd, weer die ademnood. Nog een keer overeind, benen uit bed, ademoefeningen. Het scheelde amper. Dan maar opstaan, geconcentreerd inhalaties nemen, twee keer de ene, vier keer de andere puffer. Dat hielp.

Ik zette koffie, nam plaats aan tafel en staarde naar buiten. De ochtendzon danste tussen de bladeren van de notenboom. Gewoonlijk had ik daar plezier in omdat het bekoorlijk was en een mooie dag beloofde, maar nu voelde ik me terneergeslagen. Bij het opstaan al de adem kwijt, van niets doodmoe, en er wachtte nog een dag vol moeite en moeilijks, net als gisteren en net als morgen. Houd daar maar eens goede moed bij. Ik had geen goede moed, alleen mismoed.

Ik deed de dingen die ik me voor vanochtend had voorgenomen en haalde toen Zoef d’n Twidde, mijn nieuwe scootmobiel, van stal. Die stond al trappelend en snuivend op me te wachten. Een paar dagen geleden had ik een geweldig fietspad ontdekt dat kilometers lang door bossen en langs vennen voerde. Misschien dat het hielp tegen de blues van vandaag, al had ik er een hard hoofd in.

Een half uur later zoefde Zoef d'n Twidde het bospad op. Langs het pad waren klaprozen gezaaid en die stonden in volle bloei, een miljoen zowat, een lange sliert rode vlekjes in het groen, een vrolijke boel die een applausje verdiende. Vandaar natuurlijk dat ze ‘klaprozen’ heetten. 

Het was alsof iemand een schakelaar omdraaide, want mijn somberheid waaide weg, tussen de bomen door en over de vennen heen. Ik kreeg zelfs de neiging te neuriën; dat leek me echter wat overdreven. Enfin, zo liep het allemaal toch nog goed af. Vandaag dan toch.


vrijdag 15 juli 2016

Hemelpost voor Jan Stassen

(De kerstnummers van HP/De Tijd kennen een mooie rubriek, Hemelpost, die bestaat uit brieven aan prominente overledenen. Een jaar geleden, 16 juli 2015, stierf mijn vriend en collega Jan Stassen. Hoewel ik mijn twijfels heb over de bezorging, stuur ik Jan een Hemelpost.)


Bovenstebeste Jan,
Ik heb het woord ‘bovenstebeste’ nog niet opgeschreven of er rijst al een vraag op: ben je eigenlijk wel ‘boven’? De doden zijn niet meer onder ons, maar zijn ze daarom automatisch boven? Ik zou het wel een prettig idee vinden, jij in de hemel, voorgoed in de wolken, verenigd met de tallozen die daar al eerder arriveerden. Mulisch al gezien, of heeft die het hiernamaals nog niet ontdekt? Johnny Cash al opgezocht? Of ging je eerst bij Rudolf Hagenaar langs om te zien of die nog nieuw werk heeft gemaakt?
Ik ben bang dat die hemel een weliswaar prettig, maar romantisch idee is, een fictie, verzonnen om ons te verzoenen met het onze eindigheid en het gemis van onze ontslapen dierbaren. Je leeft niet meer, Jan, niet hier, niet elders, je bent vertrokken naar waar je ooit vandaan kwam, die contreien van nog niet of niet meer bestaan, waar we niets van weten behalve dat het er erg nevelig is en dat er heel vreemde klanken klinken.
Voor iemand die er niet meer is, ben je toch nog best vaak langsgekomen. In mijn gedachten dan. Afgelopen jaar doemden er regelmatig beelden op van dat curieuze huis in de Amsterdamse Quellijnstraat, door jou eigenhandig gestript en wederopgebouwd. Jij aan die grote witte eettafel waar meer werd gedronken, gerookt, geblowd, gefilosofeerd en gelachen dan gegeten. Hoe kleiner de uurtjes, hoe groter de woorden. En toch pasten ze nog op de bierviltjes waar jij de vondsten op noteerde die in een van je volgende romans zouden prijken.

Van die romans kwam het niet meer. Wel van andere grote projecten. Een nieuw huis, een nieuwe stad, nieuw werk. Zo deed je de eindredactie van mijn boek over de herontwikkeling van het industriële erfgoed Strijp S. Je was bijna net zo trots op het boek als ik. Bij de presentatie stond je een beetje achteraf met een biertje aan een hangtafel te grijnzen. Fotograaf Piet den Blanken vond het een mooi tafereel en legde het vast. “Jan ten voeten uit,” vond Jans lief Puk, blij met de foto. Ik ook. En blij dat ik Jan heb gekend.

maandag 11 juli 2016

Het moet niet gekker worden? O nee?


Ik heb een voorstel: laten we elkaar eens wat minder napraten. Kunnen we alvast eens korte metten maken met vier modieuze clichés?

1) ‘Dat-wil-je-niet-weten’. Gebruikt in zinnen als: ’Hoeveel mannen de filmdiva al versleten heeft, dat wil je niet weten. Dat deze zegswijze in korte tijd is uitgegroeid tot een cliché van jewelste mag curieus heten, want welbeschouwd is ‘dat-wil-je-niet-weten’ maar een pedante zegswijze. Wie deze woorden bezigt, plaatst zich immers boven de aangesprokene. Hij suggereert te weten wat goed voor me is, namelijk dat ik van sommige zaken maar beter niet op de hoogte kan zijn. Sterker nog: hij suggereert te weten dat ik daar niet eens van op de hoogte wil zijn. Nou, oelewapper, dat maak ik zelf wel uit.

2) ‘Het-moet-niet-gekker-worden.’ O nee? Waarom niet? Wie bepaalt dat? En wat is dat voor een loos dreigement? Wat gaat er nou helemaal gebeuren als het wél gekker wordt? Wordt op dat moment de noodtoestand uitgeroepen, gaat de spreker een coup plegen, worden er nieuwe gekken opgesloten? Door wie? Waar? Wat gaat dat allemaal kosten? En zeg nou niet dat ik dat niet wil weten, want dat wil ik wél weten.

3) ‘Het-kan-toch-niet-zo-zijn-dat.’ Op deze veel nagepapegaaide gemeenplaats volgt steevast iets dat het begin overhoop haalt. Het kan toch niet zo zijn dat de belastingen omhoog gaan / buschauffeurs zich onveilig voelen / hagelschade niet wordt vergoed? Dat kan allemaal wel degelijk gebeuren, lees er de krant maar op na. De uitdrukking is natuurlijk bezwerend bedoeld en een variant op de uitroep dat het niet gekker moet worden, maar wordt zo vaak gebruikt dat het gaat vervelen.

4) ‘Ik-ben-er-helemaal-klaar-mee.’ Hiermee wordt niet bedoeld dat men een karwei met succes heeft afgerond en dat het huis aan kant is, de belastingaangifte ingevuld en de verbouwing voltooid. Nee, spreker is iets beu, en niet zo’n klein beetje ook, maar heel erg – hij is helemaal klaar. Als hij had gezegd dat hij er mooi klaar mee was, dan zat hij er blijkens Van Dale lelijk mee te kijken, en dat is weer wat anders.


Weg dus met zulke clichés. En strafregels bij overtreding. Duizend keer ‘Ik-ben-er-helemaal-klaar-mee’, dan leren ze het vanzelf af.

Beeld: Wikimedia Commons